ARVINDUS

Dagboek van de Eeuwigheid

29 November 2005, Amritapuri

29 NOVEMBER 2005, AMRITAPURI

Enige dagen geleden kleurde de warme zon de achterwateren, aanschouwd vanaf de brugconstructie, tot een paradijselijke streling voor het oog. Toch was er geen bijzondere diepte in de waarneming.

Zwarte visjes van verschillende grootte knabbelden aan de bealgde houten palen. Op een eenzame paal op twee of drie meter afstand streek een ijsvogeltje neer. Het leek niet schuw. Af en toe ging het hoofdje omhoog en omlaag alsof het de hik had. De kleuren waren prachtig zoals op de bekende foto’s. Fel oranje borst met glanzend blauwe vleugels.

Toch kwam de gehele pracht en schoonheid van het moment niet volledig binnen. Herkenning van schoonheid kan niet geforceerd worden. Diepte kan niet gegraven worden. Het opent en openbaart zichzelf op haar eigen tijd en plaats. Streven is de beweging die het buiten sluit.

Tien meter verder stond een hond met zijn hoofd in een metalen emmer. Aan de metalen bekertjes die er rondom heen lagen te zien was het een emmer met drinkwater voor de werkers. De hond echter kende geen conditionering van wat wel en wat niet zou horen. Hij volgde zijn dorst en dronk het water zonder gevoelens van schuld.

Een kraai vloog heen en weer over de hond om links en rechts op een stoel en een ton neer te strijken. Telkens als hij over de hond vloog kraste hij de hond op de rug. Deze liet zich echter niet afleiden en dronk op zijn gemak het water. Toen hij de dorst gelest had draaide hij zich, om de plaaggeest in de ogen te kijken.

De hond keek de kraai in de ogen, en de kraai keek de hond in de ogen. Een moment van eeuwigheid, van volmaakte stilte. In de herkenning van elkaar in de diepte is er eenheid. Van de staart van de strak naar beneden hellende kraai tot de staart van de hond was er één lijn, één gewaarzijn. Een tijdloos moment.

Toen vloog de kraai op en ook de hond vervolgde kalm zijn weg. De eeuwigheid vervloog in gedachten.