ARVINDUS

Dagboek van de Eeuwigheid

27 December 2005, Amritapuri

27 DECEMBER 2005, AMRITAPURI

Er werd in de vroege ochtend, zo rond half acht, gezeten op de verlaten brugconstructieplaats aan de achterwateren. Er stond een frisse wind die fysiek ietwat onbehaaglijk aanvoelde en welke het vooralsnog won van de warmte der zonnestralen.

Het bewustzijn was vlak en niet diep. De stilte en de schoonheid van het moment kwamen niet binnen en leken als het ware afgeschermd of verhuld te worden door een massieve laag van bewuste en onbewuste gedachten.

Er was een enkele zwarte kraai, diverse watervogels waren daar, en een ijsvogel schoot al roepend als een pijl van de ene waterkant naar de andere. De grote houten visconstructie weerspiegelde op het rimpelige water en twee vissers in een klein simpel bootje naderden.

De analogie kwam kristalhelder en overduidelijk binnen in scherpe woorden; ‘hoe kunnen we ooit vissen in de diepte vangen wanneer we slechts geobsedeerd naar de spiegelingen op het wateroppervlak turen?’

Gedachten zijn als de spiegelingen op het wateroppervlak: Illusionair en zonder werkelijke substantie, doch voor de tuurder reëel genoeg om de diepte van het leven te versluieren. Door met onze aandacht in het gedachtenoppervlak te verblijven missen we de vreugden die als vissen in ons diepere leven rondzwemmen.