ARVINDUS

Dagboek van de Eeuwigheid

21 Maart 2006, Amritapuri

21 MAART 2006, AMRITAPURI

Vandaag was er een bezoekje aan een internetcafeetje in Vallikavu, een klein dorpje aan de andere kant van de achterwateren. Als veerdienst om deze achterwateren over te steken had de ashram een gemotoriseerd bootje met dak welke iedere pakweg vijftien minuten mensen van de ene naar de andere oever bracht.

Aangelegd aan de oever aan Vallikavu zijde werd er in het midden van het bootje aan de waterzijde plaats genomen om te wachten op de oversteek. Op zo’n vijftien meter afstand van de voorkant van de boot ronkte een benzine gedreven waterpomp.

Achter in de boot was een milde Engelstalige conversatie tussen twee mannen hoorbaar. Het waren vredige stemmen waarin het onderwerp van gesprek verzonk in een onbelang.

In de lucht leken de zon en de wolken verwikkeld in een speelse strijd om zich aan de aardse toeschouwer in hun volledige wezensaard te mogen tonen. Er waren nog geen winnaar en verliezer te onderscheiden. Het lichte blauw van de lucht en het lichte grijs van de dunne maar uitgestrekte wolken waren bijna van een zelfde kleur en werden slechts onderscheiden door de vage grens van de witte wollige wolkenranden. De zon brak slechts half door de dunne wolken heen en de dunne wolken versluierde de zon ook slechts ten halve.

De moeiteloze moeite van zon en wolk echter ten spijt ging de aandacht voornamelijk uit naar het kabbelende water naast de boot. Met zilveren schitteringen op de golven aan het oppervlak vervaagde de transparantie van het water tot een ondoorzichtige sobere kleur die elementen van bruin, grijs en groen in zich droeg.

In dit water zweefden talloze kwallen als vrije hemellichamen in de ruimte. Er was een verwondering en een verrukking over hun wonderbaarlijke levensvorm. Met hun bolvormige en ritmisch samentrekkende bovenkant, stam in het midden, en een achttal korte stompe tentakels met daaraan lange dunne draden, leken ze als paddenstoelen die hun bewegingsloze bosleven hadden ingeruild voor een zwierige dans door het zilte water. Toch waren ze onvergelijkbaar uniek in hun aard en verschijning.

Hun kleuren waren al even wonderlijk als hun vorm. De bolvorm was wit en semitransparant. Sommige hadden op de bolvorm vele zwartbruine stippels, sommige hadden slechts enkele van die stippels, en sommige bewogen in smetteloos wit door het water. De stam was vaak subtiel gekleurd in een semitransparant en licht hemelsblauw en hun sierlijke en ritmische dans door het water maakte hen tot ware blauwwit gesluierde waterprinsessen.

Behalve hun wonderlijke schoonheid toonde deze waterprinsessen echter nog meer. Een inzicht in de menselijke psyche werd in hun sierlijke dans geopenbaard.

Vanuit de ondoorzichtige diepte van het water rezen ze op in het doorzichtige oppervlak om na enige momenten van zichtbaarheid vervolgens weer in de ondoorzichtige diepte te verdwijnen. Evenzo verzinken de door de psyche geregistreerde kennis en ervaringen vanuit het doorzichtige bewustzijn in de diepte van het ondoorzichtige onderbewustzijn, om van daaruit op tijd en plaats weer te verrijzen als gedachten en emoties.

Aldus innerlijk beschouwend verrees er uit de diepte onverwacht een grote en smetteloos witte kwal. Ze had een omvang en een grootte die nog niet eerder werd waargenomen, en haar bijzondere aanwezigheid deed de rest van de kwallen naar de achtergrond verdwijnen. Zij was de psychische ik. Het ik besef. De moeder en koningin van alle gedachten. Ten grondslag liggend aan alle psychische processen is ze aanwezig in iedere ervaring en in iedere emotie en gedachte.

Aldus dit gegeven tonend in een verschijnen en in enige momenten van aanwezigheid, verdween ze uiteindelijk weer in de ondoorzichtige diepte, om daar haar plaats opnieuw in te nemen als wachtster op de drempel. De drempel naar een gewaarzijn van voorbij de psyche, waar de ik zich in de leegte van het zijn verliest.