ARVINDUS

Dagboek van de Eeuwigheid

24 Maart 2006, Amritapuri

24 MAART 2006, AMRITAPURI

Na een bezoekje vandaag aan het internetcafé werd er over de hoofdstraat van Vallikavu terug in de richting van de achterwateren gelopen. Halverwege, nadat het betrekkelijk drukke maar toch gezellig aandoende winkel- en marktgedeelte werd achtergelaten, trad gewaarzijn binnen. De tred werd langzaam doch vol alertheid, en het gewaarzijn van waaruit de voeten zacht maar ferm op de aarde geplaatst werden strekte de rug tot een fiere houding.

Fierheid was er, maar het was niet een fierheid voorbehouden aan een afgescheiden persoon. Een grote verwondering en heerlijke verrukking over de schoonheid van de omgeving deden de grenzen van het ik besef vervagen. De zintuigen werden monden welke zich voedden met de schitterende kleurenpracht alom en met de heerlijke zwoelheid van wind die de huid als in een liefkozing streelde.

Leven en intelligentie doordrong alles. De met hun schaduw verkoeling schenkende loofbomen. Grasjes en plantjes in verschillende tinten groen aan de rechterkant van de weg. Algjes in het water in het kleine grachtje links. Mosjes op de muur. Alles. Plant, dier en mens waren allen gelijke kinderen van dat ene leven, van die ene onnavolgbare intelligentie die alles tot unieke vormelijkheid bracht. Die intelligentie die bloemen doet bloeien, vogels doet fluiten en mensen doet liefhebben, ja; zelfs subatomaire deeltjes doet zinderen in intelligent gestuurde activiteit. Onderliggend aan de myriaden der verscheidenheid was leven en intelligentie de ten grondslag liggende eenheid. Allen waren kinderen onder de vleugels van een zorgzame en onbegrijpelijke moeder. Een moeder die zowel in als om was.

Inmiddels drijvend in een klein houten veerbootje op de golven van de achterwateren was het wiegen van de boot een gewiegd worden in de armen van die ene moeder. Gewiegd op de golven van intelligentie en van leven, was er niets dan vrede.