ARVINDUS

Dagboek van de Eeuwigheid

25 Maart 2006, Amritapuri

25 MAART 2006, AMRITAPURI

Deze ochtend werd er, zoals zo vele ochtenden, neergezeten aan de Oostzijde van de grote hal nabij het podium. Na de meditatie was er een tintelende vibratie in de lichaamscellen, doch er was geen bijzondere diepte van gewaarzijn.

Een hond lag links voor het podium te rusten. Dit was geen nieuw gezicht. De hond was gitzwart, van de topjes van zijn oren en neus tot aan de puntjes van zijn staart en tenen toe. Op minder dan tien meter afstand zat een ashrambewoner op de grond met gesloten ogen. Het was moeilijk te bepalen of hij verzonken was in meditatie, gebed, of gewoon in gedachten of slaap. Het was een niet al te grote, wat oudere Indiase man met een grijze bijgeknipte baard en hij was gekleed in smetteloos witte kledij.

Honden waren vanwege gezondheidsrisico’s officieel niet bijzonder welkom in de ashram, en toen de man de ogen opende om daarop een rustende hond te aanschouwen ging hij deze najagen om hem in ieder geval uit de grote hal te krijgen. De hond bleek echter een sluwe vos die, wanneer hij aan de ene kant uit de hal gejaagd werd, een rondje achterom het podium liep om vervolgens aan de andere kant van de hal weer binnen te stappen. Het was als een spel van licht en schaduw. Waar de wit geklede man ging daar verdween de zwarte hond, om vervolgens op te duiken daar waar de man niet was.

Evenzo, waar de aandacht van het lichtende gewaarzijn gaat, daar verdwijnen de illusionaire schimmen van de psyche. De psyche echter is een sluwe vos en heeft duizend en één trucjes achter de hand om als een gemene spin haar illusionaire web op gewiekste wijze te weven in absentie van aandachtig gewaarzijn.

Na dit tafereel werd er nog steeds gezeten op dezelfde plek en de attentie werd getrokken door een krassende kraai aan de rechterachterzijde. Er werd omgedraaid om te kijken, en een bijzondere atmosferische scène overviel het bewustzijn. De scène werd ingekaderd door twee metershoge pilaren van op elkaar gestapelde wit en beige plastic stoelen, die pakweg een halve meter van elkaar geplaatst stonden. Daarachter stond een donkergroen scherm welke een eetgedeelte voor studenten afschermde. Deze vervaagde echter tegen de lichtende achtergrond van de felwitte en lichtweerkaatsende ronding in het zeer ruime plafond van de hal.

Op het scherm zat in uitzonderlijk schril contrast met die lichtende achtergrond een donkere, zwarte kraai. Met het lichtend wit achter haar, vielen nagenoeg alle kraaiendetails weg en was ze als een driedimensionale schaduw die slechts haar scherpe contouren toonde. Bijna bewegingloos alleen zittend en enigszins in elkaar gedoken had ze de veren op haar hoofd en in haar kraag wat opgezet, waardoor ze een bijzondere sfeer van geborgenheid in alleen zijn opriep.

Het leven namelijk biedt geen enkele zekerheid, veiligheid, of geborgenheid in gegevens die buiten het centrum van de eeuwigheid zijn geplaatst. Vergankelijkheid en tijd bedriegen. Geborgenheid wordt slechts gevonden in het centrum van een intrinsiek alleen zijn, waar het eeuwige nu de enige veilige haven is.

De scène op zich duurde niet lang. Een enkele mug wilde wellicht ook als driedimensionale schaduw bewonderd worden en danste opzichtig doorheen het tafereel. Snel daarop vloog ook de kraai op, de toeschouwer achterlatend in de sfeer van de scène. En daar achtergelaten in die sfeer, was er slechts geborgenheid in een intrinsiek alleen zijn.