ARVINDUS

Dagboek van de Eeuwigheid

27 Maart 2006, Amritapuri

27 MAART 2006, AMRITAPURI

Gisterenavond, terwijl gezeten op het bed alleen in de kamer, werd de aandacht getrokken door een colonne van duizenden kleine miertjes die doorheen de kamer marcheerden. Het waren hele kleine miertjes, nauwelijks groter dan een millimeter. Ze hadden een roomwit lijfje met een zwart hoofdje.

Een eerdere dag werden ze al gezien voor de deur, waar ze aan de rechter deurzijde binnen kwamen om ergens aan de linkerzijde weer te verdwijnen. Deze keer kwamen ze uit een klein gaatje tussen twee muurtegels aan de linkerkant van de deur binnen, om enigszins diagonaal doorheen het keukengedeelte te marcheren, en na het aanrecht beklommen te hebben weer te verdwijnen in een ander gaatje tussen twee tegels van het dikke betegelde aanrechtblad.

Het geheel van de drukke doch vredige stoet deed op het eerste gezicht chaotisch aan. Sommige trippelden van het aanrecht naar de deur, vele stonden gewoon in het midden van de stoet doodstil dicht tegen elkaar alsof in een slaap, en veruit de meeste liepen in de richting van het aanrecht. Sommige waren wat groter met een zwart en naar verhouding dik abdomen, enkele waren slank met vleugeltjes en hier en daar liep er een miertje met een minuscuul klein eitje tussen haar kaakjes. Er waren er ook die van de stoet afdwaalden en tot meer dan een halve meter van de stoet wegliepen.

De stoet zelf als geheel bezien slingerde als een kronkelige waterloop doorheen een berglandschap om van de ene bocht de andere bocht in te gaan op een gladde tegelvloer waar bochten toch absoluut niet nodig leken te zijn. Het was een wirwar van kriskrassende miertjes die op een chaotisch toeschijnende wijze toch ergens een balans in zich leek te dragen.

Een dergelijk onrechtlijnig bijna paradoxaal gegeven was niet volgbaar genoeg voor het rechtlijnige denken, en bedarend maakte het plaats voor een intredende verwondering die ook een bewondering in zich droeg. Duizenden individuen deelden hun gemeenschappelijkheid zonder enige vorm van organisatie en zonder enige vorm van dwang, welke iedere organisatie nu eenmaal met zich mee brengt.

Slapende individuen werden niet wakker geschud om mee te lopen. Tegen de stroom ingaande individuen werden niet bestraft of tot een omdraaien gedwongen. En eveneens werden zij die afdwaalden niet terug gefloten. Allen waren vrij. Volkomen vrij. En in die individuele vrijheid was er toch eenheid. En het was in die eenheid dat, onderliggend aan de schijnbare chaos, een diepe balans haar evenwichtspunt had.

Dit aanschouwend was er bewondering in verwondering. Want kleine miertjes, van nauwelijks groter dan een millimeter, toonden metaforisch hoe in bedaring van het organiserende en dwingende denken een samenleven in volkomen vrijheid, eenheid en balans tot aanzijn komt.