ARVINDUS

Dagboek van de Eeuwigheid

05 April 2006, Amritapuri

05 APRIL 2006, AMRITAPURI

Deze ochtend na het ontbijt werd er gezeten alleen in de kamer. Het was de laatste ochtend van een bijna twaalf maanden lang verblijf in de ashram in Amritapuri. Daar gezeten op een stoel met een rechte rug tastten de ogen de gegevens in de kamer af.

De kamer was inmiddels bijna helemaal leeggeruimd, en zonder de onderbrekende elementen van bed, hangende kleding en andere zaken konden de vloer, de muur tegenover en het plafond bijna in hun geheel waargenomen worden.

De vloer was betegeld in een licht beige kleur en had een soort vlammend motief. De muur en het plafond waren wit gekalkt en zij, vooral de muur, weerkaatsten het door de vier ramen fel binnenvallende licht op een bijzonder heldere wijze.

De perceptie van de kamer en het bewustzijn van het moment leken elkaar volmaakt te spiegelen. De afwezigheid van zovele elementen in de kamer werd een afwezigheid van elementen in het bewustzijn, en een grote ruimte en openheid leken vanuit een innerlijk centrum op een expansieve manier op te komen. Het bewustzijn overrompelend dijde het uit over de perceptie van de kamer totdat er slechts één gegeven van ruimte, openheid en expansie was. Dit ene gegeven van ruimte, openheid en expansie was het leven. Het leven was open. Volledig open en oneindig expansief. In deze openheid was er een instroom van inzicht, welke haar intrede vanuit het centrum maakte op vleugels van vreugde. En het inzicht was de subliem heerlijke openheid en ruimte van het leven.

De bus naar Karunagapaly zou nu spoedig gaan komen. En met koffer en tas de deur uit stappend, was deze stap een stap geplaatst in het ruime open leven.