ARVINDUS

Dagboek van de Eeuwigheid

18 April 2006, Aarle-Rixtel

18 APRIL 2006, AARLE-RIXTEL

In de vroege ochtend werd er na de meditatie neergezeten op het bed aan de Zuidoostkant van het lange maar kleine kloosterkamertje. De gordijnen voor de zes kleine raampjes aan de Westzijde van de kamer waren geopend, hoewel een blik door de onderste vier raampjes enigszins versluierd bleef door een glasgordijntje. De focus van de blik bewoog zich naar het heldere rechter bovenraampje, en in die beweging konden binnen en buiten bijna in één blik waargenomen worden.

Buiten had de ochtendschemer haar intrede gemaakt, en het wolkendek toonde het schemerlicht op de achtergrond in een koele blauwgrijze kleur. Op de voorgrond waren door dat raampje de takken van een grote boom te zien. De boom had nog geen blad, en tegen de achtergrond van het schemerlicht enkel zwart gekleurd konden de grillige vormen van de takken goed onderscheiden worden. Bij afwezigheid van wind was er geen takje dat bewoog en waren zij als stil bevroren. Op een van deze takken zat een grote zwarte kraai, alleen, en al even roerloos als de takken zelf. Koel, sober en grillig werd het tafereel ingekaderd door de witte houten latjes waar het raampje in gehouden werd.

Het tafereel buiten stond in schril contrast met het tafereel binnen. Geen koel blauwgrijs schemerlicht, maar een warm geel licht van een bollamp boven het fonteintje zette de toon voor de atmosfeer in de kamer. Op een stoel die voor het bed geplaatst was brandde een theelichtje van welke de vlam een klein maar fel brandpunt van het gele en warme licht was. Kale, zwarte en grillige takken waren niet hetgeen waarop neergezeten werd, maar een zacht bed met een gele zijdenachtige deken en een stevig oranjegeel meditatiekussen maakten het neerzitten bijzonder comfortabel. De warmte die verspreid werd door de op stand drie openstaande verwarming completeerde een sfeer van heerlijke behaaglijkheid.

Aldus waarnemende bracht het waargenomene een innerlijk gegeven naar voren. Indien niet gecentreerd in de binnenkamer van de eigen innerlijkheid namelijk kan een alleen zijn een koud, donker en grillig ervaren zijn. Een verlorenheid in wanhoop. Gecentreerd in de eigen innerlijkheid echter wordt een alleen zijn, een diep en intrinsiek alleen zijn, een heerlijk warme behaaglijkheid waarin koude noch grilligheid als werkelijkheid ervaren worden.

Die ochtend was er in het kleine kloosterkamertje een intrinsiek alleen zijn. En gecentreerd in de binnenkamer van de eigen innerlijkheid was het een heerlijke behaaglijkheid. Een heerlijke behaaglijkheid die niet verloren ging toen enige momenten later in het koude buiten gestapt ging worden.