ARVINDUS

Academische Filosofie

Geloofsbegrip bij Marx, Feuerbach en Kierkegaard

INHOUD

Inleiding

Geloofsbegrip bij Feuerbach

Geloofsbegrip bij Marx

Geloofsbegrip bij Kierkegaard

Vergelijking en Kritische Noten

Noten

Bibliografie

GELOOFSBEGRIP BIJ MARX, FEUERBACH EN KIERKEGAARD

Inleiding

Feuerbach, Marx en Kierkegaard zijn drie generatiegenoten. Zij groeiden op en studeerden in een tijd waarin Hegels filosofie academisch de meest dominante was.1 Hegels filosofie was er een die de nadruk legde op een alomvattende wereldgeest. Een wereldgeest waarin weliswaar menselijke individuen vervat waren, maar welke zeker niet als subject de meeste en eerste aandacht kregen.2 Zowel Feuerbach, Marx als Kierkegaard zouden ergens een onvrede vinden in het hanteren van deze gedachtegang, en zouden vanuit die onvrede ieder op hun eigen manier hun filosofie vorm geven. Omdat in Hegels filosofie het geloofsbegrip van de alomvattende wereldgeest zulk een belangrijke rol speelde, zouden de geloofsbegrippen van Feuerbach, Marx en Kierkegaard zich op een interessante wijze tegen dat van Hegel afzetten. Het onder de loep nemen van de geloofsbegrippen van bovengenoemde drie post-Hegeliaanse filosofen kan met dit gegeven in het achterhoofd een boeiende beschouwing opleveren.

Geloofsbegrip bij Feuerbach

Ludwig Feuerbach (1804-1872) was een atheïst en een materialist,3 en het contrast met een Hegeliaans beeld van een spirituele wereldgeest mag hiermee duidelijk gezet zijn. Hoewel volledig anders dan Kierkegaard (zoals later zal blijken) zette ook Feuerbach de mens centraal. Het centraal stellen van de mens vindt in Feuerbachs filosofie in feite plaats middels een reductie van religie en de inhouden van religie tot creaties van menselijk bewustzijn dan wel onderbewustzijn.4 De goddelijke wijsheid is in werkelijkheid menselijke wijsheid, de geheimen van de theologie zijn in werkelijkheid die van de antropologie, en de absolute geest is in werkelijkheid de zogenaamde eindige geest (van de mens). Aldus is God een projectie van de menselijke natuur. De mens kan geen ander wezen als absoluut denken, dromen, voorstellen, voelen, geloven, willen, liefhebben en vereren dan het wezen van de menselijke natuur.5

Vanuit een dergelijk schouwpunt verandert religie van een institutioneel gegeven tot een praktisch en intrinsiek menselijk gegeven in het leven van alledag. In plaats van dat de religie als instituut op de hoogste en eerste plaats blijft staan, komt nu de intermenselijke relatie op de eerste plaats. Dit is volgens Feuerbach de ware religie, en de liefde tussen mensen wordt het eerste gebod.6 Niet de zegen van de priester maakt een relatie zoals een huwelijk heilig, maar de relatie van twee mensen die elkaar liefhebben zélf heiligt een dergelijk huwelijk. En wat voor het huwelijk geldt, geldt voor alle morele relaties.7 Moraal is volgens Feuerbach dan ook niet in de geïnstitutionaliseerde kerk te vinden. Wanneer moraal op de theologie gegrond wordt kunnen de meest onmorele dingen gerechtvaardigd worden.8 De moraal van menselijke relaties is echter enkel gegrond in die relaties zélf, en dus niet in theologie. Feuerbachs pleidooi vraagt aldus om ons bewust te worden en onze (Christelijke) geloofsbeelden en dogma's terug te herleiden naar onze menselijke natuur.9

Geloofsbegrip bij Marx

Karl Marx (1818-1883) was initieel een volgeling van Feuerbach10 maar vond dat deze niet ver genoeg ging. Feuerbach bracht de religie terug tot een puur menselijk essentie. Die menselijke essentie blijft volgens Marx echter, wanneer betrekking hebbend op een geïsoleerd menselijk individu, een abstract idee zonder praktische waarde. En het is juist die praktische waarde die zo belangrijk is in Marx' filosofie. Filosofen zijn altijd te theoretisch geweest volgens Marx. Zij hebben altijd de wereld op verscheidene manieren geïnterpreteerd terwijl het er om gaat haar te veranderen.11 Het gaat er dus om het begrip te vinden welke een praktische waarde in zich draagt. Marx vindt deze door niet te stoppen bij de menselijke essentie van Feuerbach, maar om deze in een sociale context te plaatsen. De menselijke essentie vinden we niet in abstractie in het individu, maar in de sociale interactie en relaties waarmee mensen zich tot elkaar verhouden.12 Verandering van bewustzijn kan dan ook slechts tot stand gebracht worden door de sociale context van mensen te veranderen. Marx, kijkende naar de sociale context van zijn tijd, zag dat die er een van vervreemding was. In de samenlevingsstructuur die leidde tot verdeelde en gespecialiseerde arbeid zag Marx dat mensen van hun producten van arbeid vervreemden, en daarmee vervreemden van hun eigen essentie.13 Die samenlevingsstructuur met de daaraan gerelateerde arbeidsverdeling bracht tevens een klassenverschil met zich mee.14 Klassen welke door de geschiedenis heen altijd al om heerschappij hebben gevochten. Dit is volgens Marx een dialectisch proces.15 De ene klasse stoot de ander van de troon. Vervolgens is de heersende klasse de oorzaak van een nieuw klassenverschil (omdat die nieuwe heersende klasse ten onrechte claimt voor de gehele bevolking te spreken), waarna de nieuwe onderklasse na verloop van tijd de dan heersende klasse weer van de troon stoot. Hiermee bevestigt Marx Hegels visie dat geschiedenis een dialectiek is. Waar Hegel echter een dialectiek van ideeën zag, daar ziet Marx dus een dialectiek van klassen. En evenals Hegel ziet Marx een einde aan dit dialectisch proces. Een einde dat tot stand zal komen wanneer de arbeidersklasse, het proletariaat, na een revolutie victorieus zal zijn. Dan zullen er volgens Marx geen tegengestelde belangen meer zijn omdat er geen arbeidsverdeling zal zijn. Een ieder kan de eigen wensen in arbeid nastreven, en de samenleving reguleert de algemene productie. Het einde van vervreemding van arbeid en de menselijke essentie zal een overdaad aan producten opleveren waardoor geld en loon afgeschaft kunnen worden en een ieder uit de algemene voorraad kan nemen wat hij nodig heeft.16 Dit zal tevens de mens vervulling verschaffen omdat deze de vrijheid zal hebben om de eigen potenties te verwezenlijken.17 Vervreemding van de eigen essentie is dan verleden tijd, en de aan vervreemding gepaard gaande behoefte aan religie als een opium zal daarmee ook wegvallen. Religie als illusionair geluk moet overwonnen worden voor het echte geluk.18

Geloofsbegrip bij Kierkegaard

Sterker en explicieter dan Feuerbach en Marx zette Søren Kierkegaard (1813-1855) zich af tegen het Hegeliaanse gedachtegoed, waarbij hij ironie en sarcasme alles behalve schuwde.19 Net zoals Feuerbach zette Kierkegaard (in tegenstelling tot Hegel) de individuele mens centraal, dit echter niet als studieobject, maar als handelend individu in de wereld. Kierkegaard zette zich niet slechts af tegen het gedachtegoed van Hegel, maar feitelijk tegen de hele academische filosofische traditie. Al die theoretische filosofieën werden door Kierkegaard als niet relevant geacht voor het dagelijkse leven zoals dat door het individu ervaren en geleefd wordt.20 Concepten drukken enkel mogelijkheden uit, maar actualiteit, existentie, heeft altijd betrekking op het individu. De menselijke realiteit kan dan ook enkel adequaat bezien worden vanuit het eerste persoonsperspectief. Het handelende individu en niet de toeschouwer moet de filosoof zijn.21 En wat is het dat die filosoof vanuit het eerste persoonsperspectief ziet? Het antwoord is: keuze. Mens zijn betekent kiezen. Dit is een brute waarheid, want dat betekent dat er geen enkele externe autoriteit is waarop de mens kan leunen om tot keuze te komen. Het is dan ook niet het karakter of de essentie van de mens die zijn keuze bepaalt, maar het is de keuze die zijn karakter of essentie bepaalt. Existentie gaat voorafgaat aan essentie.22

De realiteit is dus een brute realiteit. Niet voor niets duiken mensen in theoretische concepten die hen afhouden van het oog in oog komen met deze realiteit. Kierkegaard poneert drie levensstadia waarvan de eerste twee als vluchtwegen gezien kunnen worden van de mens die de waarheid niet aan durft. De eerste van de drie is de esthetische, waarin de mens egoïstisch zoekt naar bevrediging van de eigen zinnen. In het tweede stadium, het ethische, heeft de mens algemeen geldende normen en waarden geaccepteerd waardoor hij zich laat leiden. Het derde stadium tenslotte benoemt Kierkegaard als het religieuze stadium.23 Het is dit derde stadium, en de overgang daar naartoe, wat een groot belang heeft in Kierkegaards filosofie. Dit religieuze stadium is bij Kierkegaard zeker geen institutioneel religieus gegeven. De stap er naartoe is ook zeker geen objectief en rationeel beredeneerde stap. Nee, het is een sprong in het diepe. Het is een loslaten van alle dogmatische en rationele zekerheden voor een toewijding van de hartstochtelijke innerlijkheid. Dit is voor Kierkegaard de eerder genoemde brute waarheid.24 Kierkegaard geeft aan dit stadium het predikaat 'religieus' omdat zijn omschrijving van de waarheid en van het geloof dezelfde zijn.25 Zou de mens God objectief kunnen vatten, zou hij rationeel weten, dan zou het geen geloof meer zijn. Nee, de mens kan pas echt geloven bij objectieve onzekerheid. Deze vorm van geloof is volgens Kierkegaard het ware geloofsbegrip.26

Vergelijking en Kritische Noten

Als we bovenstaande drie filosofen beschouwen dan zien we dat ze alle drie een contrast met Hegels geloofsbeeld zochten door de mens centraal te stellen. Hierbij kan gesteld worden dat Feuerbach in zijn methode nog redelijk trouw bleef aan de academisch filosofische traditie door een gestructureerde en rationele theorie te poneren. Zijn filosofisch gedachtegoed was dus wellicht een vrij radicale omwenteling, zijn methode was dit door de theoretische invalshoek zeker niet.

Marx heeft een waardering kunnen opbrengen voor de theoretische omwenteling in Feuerbachs filosofie, doch hij ging verder door ook kritische kanttekeningen te plaatsen bij de theoretische invalshoek. Filosofen hadden de wereld altijd geïnterpreteerd, maar volgens Marx ging het erom deze te veranderen. Nu kunnen we hier twee kritische en aan elkaar gerelateerde vragen bij stellen. De eerste betreft de vraag wat de taak van de filosoof is. Moet hij er op uit zijn de wereld te veranderen, en als dit zo is, dan op welke wijze kan hij dit als filosoof doen? De hieraan gerelateerde tweede vraag betreft de praktische invloed van de theoretische filosofische kaders door de geschiedenis heen. Zijn deze namelijk enkel het product geweest van de tijdsgeest, of hebben filosofen door het theoretisch kenbaar maken van hun inzichten juist ook een invloed op de wereld gehad en een verandering teweeg gebracht? Kortom: moet de filosoof tevens een doelbewust contextveranderende politicus zijn, of is de scherpte van zijn geschreven woord voldoende om een context in beweging te brengen. Of is het juist helemaal niet belangrijk dat de filosoof de wereld verandert? Marx' antwoord hierop zal duidelijk mogen zijn, doch is zeker niet als een vanzelfsprekende waarheid aan te nemen.

Ofschoon Marx dus heeft willen breken met de theoretische aard van de filosofische traditie was het Kierkegaard die daar meer in slaagde dan Marx zelf. Waar Marx niet slechts theoretiserend maar ook handelend toch in het derde persoonsperspectief bleef (hetzelfde perspectief als de beschouwende filosoof), wilde Kierkegaard deze traditie doorbreken door te stellen dat filosoferen vanuit het eerste persoonsperspectief moest plaatsvinden. Niet de toeschouwer maar het handelende individu moest de filosoof zijn. Nu lijkt het moeilijk om de mens centraler te stellen dan dat, echter een dergelijke stelling draagt wel een paradox in zich. Namelijk op het moment dat de lezer de stelling (dat de handelende mens zelf de filosoof moet zijn) in zich opneemt en accepteert, is hij opgehouden met zelf de filosoof te zijn. Nu had Kierkegaard het overigens niet anders kunnen doen omdat publicatie, lezen en aanvaarding van andermans ideeën altijd een verlies van het eerste persoonsperspectief met zich mee brengt. Misschien heeft hij dit zelf ook doorzien, immers publicerend in vele genres en onder vele pseudoniemen heeft hij de lezer weinig houvast gegeven om in ieder geval in hem een filosofische autoriteit te gaan zien.27

Conclusie

Hoewel een beschouwing op bovenstaande filosofen een aandacht verdient veel ruimer dan deze, is het wegens ruimtegebrek hier niet mogelijk dieper op implicaties van de geponeerde stellingen in te gaan. We hebben drie filosofen, drie generatie- en tijdsgenoten gezien die zich in hun tijd afzetten tegen het Hegeliaanse gedachtegoed, en zelfs tegen de hele academisch filosofische traditie. Feuerbach, Marx en met name Kierkegaard hebben het zwaard opgenomen om tegen de – volgens hen – fantoomachtige theorieën van de academische filosofie van die tijd ten strijde te trekken. De ironische vraag luidt of met een tegenreactie op hun filosofieën uiteindelijk het dialectische principe van Hegel niet de zegevierende werd.

Noten
  1. Wallace Matson,  A New History of Philosophy, Volume Two: From Descartes to Searle, Harcourt, Orlando, 2000, p. 548.
  2. Ibidem, p. 473-478.
  3. Ibidem, p. 497.
  4. Ludwig Feuerbach, 'Das Wesen des Christentums', in: Frank-Peter Hansen (redacteur), Philosophie von Platon bis Nietzsche, Directmedia, Berlin, 1998, p. 408.
  5. Ludwig Feuerbach, in: Ibidem. "[…], daß der Mensch kein andres Wesen als absolutes, als göttliches Wesen denken, ahnden, vorstellen, fühlen, glauben, wollen, lieben und verehren kann als das menschliche Wesen."
  6. Ludwig Feuerbach, in: Ibidem, p. 409. "Ist das Wesen des Menschen das höchste Wesen des Menschen, so muß auch praktisch das höchste und erste Gesetz die Liebe des  Menschen zum Menschen sein."
  7. Ludwich Feuerbach, in: Ibidem, p. 410. "Heilig ist und sei dir die Freundschaft, heilig das Eigentum, heilig die Ehe, heilig das Wohl jedes Menschen, aber heilig an und für sich selbst."
  8. Ibidem, p. 414.
  9. Ibidem, p. 415, e.v.
  10. A New History of Philosophy, Volume Two, p. 497.
  11. Karl Marx, in: 'Thesen über Feuerbach', in: Frank-Peter Hansen (redacteur), Philosophie von Platon bis Nietzsche, Directmedia, Berlin, 1998, p. 8. "Die Philosophen haben die Welt nur verschieden interpretiert, es kömmt drauf an, sie zu verändern."
  12. Karl Marx, in: Ibidem, p. 6. "Feuerbach löst das religiöse Wesen in das menschliche Wesen auf. Aber das menschliche Wesen ist kein dem einzelnen Individuum inwohnendes Abstraktum. In seiner Wirklichkeit ist es das ensemble der gesellschaftlichen Verhältnisse.
  13. A New History of Philosophy, Volume Two, p. 500.
  14. Ibidem, p. 501.
  15. Ibidem, p. 502.
  16. Ibidem, p. 506.
  17. Ibidem, p. 500.
  18. Ibidem, p. 511.
  19. Søren Kierkegaard, 'Afsluitend onwetenschappelijk naschrift tot De wijsgerige kruimels', in: G. Rasch (vertaler), Denken en Zijn, Boom, Meppel 1982, p. 43.
  20. A New History of Philosophy, Volume Two, p. 547.
  21. Ibidem, p. 548.
  22. Ibidem, p. 549.
  23. Ibidem, p. 549, 550.
  24. Søren Kierkegaard, in: 'Afsluitend onwetenschappelijk naschrift tot De wijsgerige kruimels', p. 55. "De objectieve onzekerheid, volgehouden in de toewijding van de hartstochtelijkste innerlijkheid, is de waarheid, de hoogste waarheid die er voor een existerende is."
  25. Søren Kierkegaard, in: Ibidem, p. 56. "Maar de gegeven bepaling van de waarheid is een omschrijving van het geloof."
  26. Ibidem.
  27. A New History of Philosophy, Volume Two, p. 548.
Bibliografie
  • Ludwig Feuerbach, 'Das Wesen des Christentums', in: Frank-Peter Hansen (redacteur), Philosophie von Platon bis Nietzsche, Directmedia, Berlin, 1998.
  • Søren Kierkegaard, 'Afsluitend onwetenschappelijk naschrift tot De wijsgerige kruimels', in: G. Rasch (vertaler), Denken en Zijn, Boom, Meppel 1982.
  • Karl Marx, 'Thesen über Feuerbach', in: Frank-Peter Hansen (redacteur), Philosophie von Platon bis Nietzsche, Directmedia, Berlin, 1998.
  • Wallace Matson,  A New History of Philosophy, Volume Two: From Descartes to Searle, Harcourt, Orlando, 2000.