ARVINDUS

Contemplationam

Seks, Romantiek en Liefde: Typen van Aantrekking

SEKS, ROMANTIEK EN LIEFDE: TYPEN VAN AANTREKKING

Aantrekking

Seks, romantiek en liefde hebben zowel een gemeenschappelijke grond als een verschil. Ze hebben een gemeenschappelijke grond omdat ze alle drie vallen, zogezegd, onder de wet van aantrekking. Deze wet van aantrekking is verkondigd en uitgelegd door Alice Bailey in veel van haar boeken van esoterische filosofie. Daar worden ‘wet’ en ‘aantrekking’ met een hoofdletter geschreven. Dit kan een beetje ongewoon lijken in eerste instantie. Echter eenmaal een overzicht van het bereik van deze wet zoals hij gepresenteerd wordt in de voorgenoemde boeken is verkregen is het niet moeilijk om te begrijpen waarom voor zulk een spelling is gekozen. In die presentatie wordt de wet zijn veld van activiteit gegeven van het laagste en het kleinte tot het hoogste en het grootste. Zijn bereik strekt zich uit van de microkosmos helemaal omhoog naar de macrokosmos. In deze contemplatie zal echter ons zicht beperkt blijven tot het veld waarin de wet van aantrekking zijn activiteit heeft in menselijke seks, romantiek en liefde. Want het wordt hier beweerd dat seks, romantiek en liefde beheerst worden door de wet van aantrekking. We vinden deze bewering bevestigd in Bailey’s boeken. In één daarvan, namelijk in Esoteric Psychology, Volume I, worden seks en liefde samen expliciet geplaatst onder deze wet.1 Dat romantiek ook onder deze wet is geplaatst is iets zinnigs om te beschouwen maar kan ook gededuceerd worden van één van de vele opmerkelijke beweringen gemaakt in een ander boek van dezelfde auteur; A Treatise on Cosmic Fire. Want onder één van de ondergeschikte wetten van de wet van aantrekking, namelijk de wet van chemische affiniteit, wordt gesproken over de romantiek van de elementen.2 Nu zijn we in deze contemplatie voornamelijk geïnteresseerd in seks, romantiek en liefde waar ze refereren aan de mensheid. Echter het is waarschijnlijk dat Bailey zich wat metaforisch uitdrukte wanneer schrijvend over ‘de romantiek van de elementen’, de metaforische expressie afleidend van menselijke romantiek. En wanneer letterlijk genomen getuigt dit alleen maar ervan dat romantiek genomen moet worden als een vorm van aantrekking. Dus seks, romantiek en liefde kunnen alle drie beschouwd worden als geplaatst onder en beheerst door de wet van aantrekking. Aldus luidt de thesis hier: ‘seks, romantiek en liefde zijn typen van aantrekking’.

Nu is het een onderwerp van gedachten geweest of het tegengestelden zijn die aantrekken of gelijken. Het antwoord dat gegeven kan worden is; ‘beide’. Zoals gethematiseerd in een andere contemplatie trekken die tegengestelden aan die behoren tot dezelfde primaire eenheid.3 Dus de aantrekking is tussen gelijken voor zover de tegengestelden in kwestie behoren tot dezelfde primaire eenheid, en de aantrekking is tussen tegengestelden voor zover zij verschillende polen zijn. Aantrekking is altijd aantrekking tussen verschillende polen. En verschillende polen zijn altijd van hetzelfde type, want anders zouden ze geen verschillende polen voor elkaar zijn. Een vrouwelijke duif zal niet aangetrokken worden tot een mannelijke kraai, net zoals een mannelijke kraai niet aangetrokken zal worden door een vrouwelijke duif. De duif en de kraai kunnen van verschillende seksen zijn maar ze zijn niet van hetzelfde type, zijn aldus niet geworteld in dezelfde primaire eenheid en zijn aldus geen verschillende polen voor elkaar. Exact deze gedachte wordt ook duidelijk gemaakt in de mythe die is verteld door Aristophanes in Plato’s Symposium.4 Aristophanes spreekt van drie primaire eenheden; een mannelijke, een vrouwelijke en een androgene primaire eenheid. Nadat deze eenheden gesplitst zijn in dualiteiten zijn er drie verschillende typen van polariteiten en aldus drie verschillende typen van aantrekking. Die zijn de aantrekking tussen mannen (geworteld in de mannelijke primaire eenheid), de aantrekking tussen vrouwen (geworteld in de vrouwelijke primaire eenheid) en de aantrekking tussen mannen en vrouwen (geworteld in de androgene primaire eenheid). We kunnen de details van deze mythe niet bevestigen, maar we bevestigen wel de gedachte die hij overbrengt. Namelijk de gedachte dat aantrekking alleen voorkomt tussen verschillende polen van hetzelfde type.

Het drievoudige onderwerp van onze huidige contemplatie nu betreft seks, romantiek en liefde. We hebben deze drie een gemeenschappelijke grond gegeven wanneer we ze plaatsten onder de wet van aantrekking. Echter de drie zijn niet alleen één maar ook drie, en aldus verschillend. Ze zijn één voor zover ze alle drie beschouwd kunnen worden als typen van aantrekking, maar ze zijn verschillend voor zover ze alle drie beschouwd kunnen worden als verschillende typen van aantrekking. En verschillende typen van aantrekking impliceert verschillende sets van polen zoals we hebben gezien. ‘Seks’ indiceert het type van aantrekking dat kan bestaan tussen fysieke lichamen. ‘Romantiek’ indiceert de aantrekking die kan bestaan tussen persoonlijkheden. En ‘liefde’ indiceert de aantrekking die kan bestaan tussen zielen. In deze contemplatie gebruiken we het woord ‘ziel’ voornamelijk om een menselijke transcendentie van lichaam en persoonlijkheid te indiceren. Dus ‘liefde’ indiceert de aantrekking die kan bestaan voorbij lichamen en persoonlijkheden.

Nu kan deze typificatie behoeftig lijken aan verfijning. ‘Vriendschap’, bijvoorbeeld, kan net als ‘romantiek’ ook refereren aan een aantrekking die kan bestaan tussen persoonlijkheden. En in homoseksualiteit, om een ander voorbeeld te geven, lijken de veronderstelde tegengestelde fysieke polen niet aanwezig te zijn. Beide voorbeelden zijn correct voor zover ze de behoefte aan verfijning expliceren. Echter zulke verfijningen zullen niet gegeven worden in deze contemplatie. Hier, de grotere lijnen volgend, gingen we er alleen op uit om seks, romantiek en liefde te thematiseren als verschillende typen van aantrekking. Een andere contemplatie kan aan de behoefte aan verfijning voorzien.

God(inn)en van Aantrekking

Voor een verdere explicatie van de verschillen tussen de bovengenoemde typen van aantrekking kunnen enkele van de belangrijkste god(inn)en van aantrekking in de Westerse traditie verhelderd worden. Een van de oudere tussen deze betreft de Griekse godin Aphrodite. Zij verschijnt zowel in Homers als in Hesiodus’ werken. In Hesiodus’ Theogonia wordt ze geboren op een nogal ongebruikelijke wijze. Kronos, kind van Uranus en Gaia, sneed met een sikkel zijn vaders genitaliën af en gooide ze in de zee. Een schuim rees op na enige tijd, en uit dit schuim (‘schuim’ is in het Grieks ‘aphros’)5 werd Aphrodite geboren.6 Homer echter verklaart Aphrodite als een dochter geboren uit Zeus en de oceaannymf Dione.7 Aldus wordt soms een onderscheid gemaakt tussen twee Aphrodites. Dit onderscheid wordt vaak gehouden in lijn met Pausania’s rede in Plato’s Symposium waar de eerste Aphrodite gerelateerd wordt aan een meer sacrale liefde en de laatste gerelateerd wordt aan een meer profane liefde.8 Ondanks Pausania’s rede wordt Aphrodite echter algemeen beschouwd een godin te zijn van fysieke schoonheid, seksualiteit, huwelijk en vruchtbaarheid. Dit kan gemakkelijk gededuceerd worden uit die mythen waarin ze voorkomt. Altijd komen in die mythen schoonheid, verleiding en lust voor op de een of andere manier. Soms is ze zelf deel van een lustvol spel, en andere keren verlokt ze anderen tot handelingen van passie. Dit is bijvoorbeeld het geval in de mythe van Paris en Helen. Hera, Athena en Aphrodite gingen een twistgesprek aan over wie van hen de mooiste godin was. Zeus besliste het twistgesprek niet zelf maar liet de knapste sterfelijke mens, Paris, beslissen. Alle drie de godinnen probeerde Paris om te kopen. Hera bood hem koningschap over Klein-Azië aan, Athena verleidde hem met wijsheid en grootsheid in strijd en Aphrodite verlokte hem met de hand van de mooiste vrouw, die Helen was. Paris viel uiteindelijk voor het laatste aanbod en verklaarde Aphrodite de mooiste godin te zijn.9 Waar in dit geval Aphrodite aldus iemand anders verlokt tot de verleidingen van passie daar geeft ze zelf in aan dezelfde verleidingen in andere gevallen. Exemplarisch hier is de mythe van Adonis. Mooie Adonis, zelf een kind geboren uit de oneerbare interventie door Aphrodite bij Myrrha en haar vader Theias, werd het onderwerp van een gevecht tussen Aphrodite en de godin van de onderwereld Persephone. Beiden begeerden Adonis en wilden hem voor hunzelf houden. Uiteindelijk besloot Zeus dat Adonis een derde van het jaar bij Persephone moest blijven, een derde van het jaar bij Aphrodite, en een derde van het jaar zelf kon beslissen waar te verblijven (natuurlijk de mooie Aphrodite kiezend).10 In de mythe wordt Adonis gedood door een wild zwijn, en sommige verhalen vertellen dat het zwijn een manifestatie was van Aphrodite’s echtgenoot Hephaestus, of misschien van haar geliefde Ares. Want Aphrodite had veel buitenechtelijke minnaars van wie ze vele kinderen baarde.

Eén kind dat geboren was uit de passionele liefde tussen Aphrodite en Ares is Eros.11 Andere en eerdere verhalen, zoals die van Hesiodus, beweren anders. Maar wat ook het geval of het verhaal is; Eros is altijd een nabije metgezel van Aphrodite.12 Dit is alreeds zo vanaf zijn vroegste noemen in Hesiodus’ Theogonia.13 In deze overlevering wordt Eros nog niet beschreven als zijnde geboren uit Aphrodite en Ares maar wordt hij genoemd als de derde god tot manifestatie komend (Chaos en Gaia de eerste twee zijnde). Hij wordt beschreven als de mooiste onder de onsterfelijke goden en als het denken overrompelend en de bedachtzame raadgever van alle goden en mensen.14 Homer verbeeldt Eros nog niet als een personifieerde god, maar het woord ‘eros’ wordt wel gebruikt om te refereren aan seksuele begeerte.15 Aldus is Eros, als nabije metgezel van Aphrodite, ook zeer nauw verwant aan de principes die Aphrodite personifieert. Vaak voert Eros Aphrodite’s plannen uit door zijn pijlen te schieten die lust opwekken in allen die door ze geraakt worden.

Nu moet het opgemerkt worden dat culturen, mythen en goden niet geïsoleerd zijn in tijd en plaats en dat ze constant beïnvloed en veranderd worden door die dimensies. De Griekse Aphrodite, bijvoorbeeld, wordt gezegd waarschijnlijk te zijn geëvolueerd uit de Assyrisiche / Babylonische godin Ishtar en de Semitische godin Astare.16 En zoals goden vaak wortels hebben, zo hebben ze vaak ook spruiten. Dit is ook het geval met Eros. De Eros zoals voor het eerst genoemd in Hesiodus’ Theogonia evolueert zelfs tijdens de Griekse periode. Maar hij spruit, zogezegd, ook uit in de Romeinse periode. Daar wordt hij bekend als Cupido of Amor.17 (Aphrodite breidt haar nalatenschap ook uit in de Romeinse cultuur en mythe en geraakt aanbid als de godin Venus).18

Nu wordt over Cupido een mythe verteld die, zoals we zullen zien, heel belangrijk is in de context van onze huidige contemplatie. Het betreft de mythe over Cupido en Psyche zoals hij wordt verteld in Lucius Apuleius’ werk ‘Metamorphoses’ (ook bekend als ‘De Gouden Ezel’).19 Psyche was de mooiste van drie koninklijke dochters. Zo mooi was ze dat mensen haar begonnen te aanbidden als Venus. Dit maakte Venus woedend, en ze beval haar zoon, Cupido, te zorgen dat Psyche verliefd zou worden op de meest afzichtelijke persoon. Bij het zien van Psyche werd Cupido echter zelf verliefd op haar. Hij vroeg Apollo de koning te bevelen Psyche achter te laten op een bergtop om gehuwd te worden aan een verschrikkelijke slang. De koning gehoorzaamde met tegenzin, en na Psyche achter gelaten te hebben bracht Zephyrus (de Westenwind) haar voorzichtig naar een prachtig paleis in een verborgen, groene vallei. Stemmen vertelde haar dat iedere wens vervuld zou worden. In het paleis bezocht Cupido Psyche, maar altijd in het donker tussen de avond- en ochtendschemer. Ze werd niet toegestaan haar bruidegom te zien. Nadat het verzoek van de (in de tussentijd zwangere) Psyche was ingewilligd dat haar zus haar kon bezoeken in het paleis werd de zus erg jaloers en overtuigde Psyche dat ze moest uitzoeken wie haar bezocht. Tenslotte; het zou net zo goed de verschrikkelijke slang kunnen zijn. Aldus op een nacht, toen haar bruidegom sliep, ontstak Psyche stil een lamp om te kijken wie haar bruidegom kon zijn. Toen ze zag dat het de mooie Cupido was wilde ze hem kussen, maar olie van de lamp drupte op zijn schouder. Cupido, boos door Psyche’s ongehoorzaamheid, verliet Psyche. Psyche ging toen op een zoektocht om haar verloren minnaar opnieuw te vinden en werd na een serie gebeurtenissen gebracht naar de verblijfplaats van Venus. Venus stuurde Psyche voor het vervullen van diverse taken. Psyche moest een hoop gemengde typen graan sorteren, een stuk gouden wol van gevaarlijke schapen verkrijgen en een pot krijgen met donker water van de rivier die de stroom van de onderwereld voedde. Ze slaagde maar moest ook in een doos wat van de schoonheid van Proserpina (in Grieks ‘Persephone’; de godin van de onderwereld) brengen. Ze ontving instructies van een toren over hoe te handelen en werd gewaarschuwd niet in de doos te kijken nadat die gevuld was door Proserpina. Echter Psyche kon, opnieuw, haar nieuwsgierigheid niet controleren en nam een blik. De doos bevatte niet Proserpina’s schoonheid maar de slaap van de donkere nacht van de onderwereld die Psyche overviel. Nu kwam Cupido haar redden en stopte de slaap terug in de doos zodat Psyche haar taak kon volbrengen. Daarna vroeg Cupido Jupiter (in het Grieks ‘Zeus’) zijn huwelijk met Psyche te ratificeren, wat hij deed.20

Wat dan kunnen deze goden en mythen ons vertellen over seks, romantiek en liefde als verschillende typen van aantrekking? Een blik nemend op de beschrijvingen van Aphrodite en de mythe bestuderend waarin ze voorkomt is het niet moeilijk om te zien hoe ze gezien kan worden als de personificatie van seksuele aantrekking, van de aantrekking tussen fysieke lichamen. Ze is zelf van een ongeëvenaarde fysieke schoonheid, en waar ze ook verschijnt bloeien lust en passie op. Verder is ze een ontrouwe echtgenote en engageert ze in talloze seksuele relaties. De personificatie is duidelijk.

Minder duidelijk, maar misschien daarom bijzonder interessant, is de rol die Eros speelt in onze lijn van contemplatie. Want meer dan Aphrodite is Eros een evoluerende god. Hij start in een zeer nauwe relatie met Aphrodite, bijna dezelfde principes personifiërend als die laatste. Van enige betekenis kan het zijn dat Eros vaak de uitvoerder is van Aphrodite’s plannen. Dit zou Aphrodite een meer potentiele en Eros een meer kinetische modus van aantrekking tussen fysieke lichamen geven. Echter waar Aphrodite in het algemeen hetzelfde blijft in haar personificatie daar evolueert Eros tot Cupido of Amor. Aldus evoluerend verliest Eros, nu Cupido, wat van zijn nauwe affiniteit met Aphrodite, nu Venus. Dit kan geconcludeerd worden uit de boven samengevatte mythe van Cupido en Psyche. Cupido, op zijn missie verliefd wordend op Psyche, staat niet meer op één lijn met Venus’ plannen. Cupido’s begeerte om Psyche te huwen maakt dat hij zijn eigen plannen trekt, zelfs tegen die van Venus in. Van grote betekenis is hier het eventuele huwelijk van Cupido met Psyche. Eros evolueert van zijnde Aphrodite’s nabije metgezel naar de identiteit van Cupido, zijnde Psyche’s metgezel. Psyche’s naam nu is niet arbitrair. ‘Psyche’ heeft in aloud Griekenland en Rome niet dezelfde connotatie als die hij in huidige tijden heeft. In die oude Europese culturen wordt hij meestal gebruikt om te refereren aan de menselijke ziel.21 Dus wanneer lichaam en ziel beschouwend als twee polen strekt Eros-Amor-Cupido zichzelf uit van de ene pool naar de andere. Hij is de bemiddelende faculteit. De these nu dat de persoonlijkheid de bemiddelende faculteit is tussen het fysieke lichaam en de ziel kan hier niet gecontempleerd worden maar kan alreeds op zichzelf plausibel klinken. Dus deze these hier nemend als een plausibele vooronderstelling kunnen we zien hoe Eros-Amor-Cupido als een god van aantrekking het bemiddelende type van aantrekking personifieert; de aantrekking tussen persoonlijkheden; romantiek. Interessant is dat zulk een bemiddeling van Eros-Amor-Cupido ook geëxpliceerd is door Socrates in Plato’s Symposium wanneer hij Diotima citeert. Daar wordt Eros beschreven als staande tussen god en sterveling.22 ‘God’ kan hier genomen worden als refererend aan de aantrekking tussen zielen en ‘sterveling’ aan de aantrekking tussen fysieke lichamen. En Eros(-Amor-Cupido), als bemiddelend tussen die twee, personifieert aldus de aantrekking tussen persoonlijkheden.

Hoe zit dat dan met het derde type van aantrekking, de aantrekking tussen zielen; liefde? Gezien bovenstaande lijn van contemplatie kan het gemakkelijk in gedachte komen dat het Psyche is die beschouwd kan worden als personificatie van dit type van aantrekking. Echter dit is niet het geval, eenvoudig omdat Psyche geen godin van aantrekking is. Ze verschijnt in de beschreven mythe maar wordt geen godin aanbeden als de personificatie van liefde. We meldden eerder dat in deze contemplatie we het woord ‘ziel’ voornamelijk gebruiken om een menselijke transcendentie van lichaam en persoonlijkheid te indiceren en dat we het woord ‘liefde’ aldus indiceren als de aantrekking die kan bestaan voorbij lichamen en persoonlijkheden. Met Psyche nu falend om dit type van aantrekking te personifiëren kunnen we vragen: ‘Wordt er in lijn met de bovenstaande contemplatie een god of godin gevonden die aanbeden wordt als de personificatie van liefde?’ In feite is die er. En het geval is dat hij beschouwd kan worden als de meest beroemde van allemaal. Hij verschijnt te midden van het Grieks-Romeins pantheon van goden en godinnen maar heeft zelf Abrahamistische wortels. De vooraanstaande god van liefde van onze referentie betreft natuurlijk Jezus Christus. Het verhaal van Jezus is primair tot ons gekomen via Het nieuwe Testament, welk in principe een compilatie lijkt te zijn van narratieven en letters van enige van Jezus’ nabije metgezellen. In de standaard Amerikaanse vertaling van dit werk komt het woord ‘liefde’ (in het Engels ‘love’), als zodanig of als bevat in andere daarvan ontleende woorden (zoals ‘geliefde’, of in het Engels ‘beloved’), niet minder dan 361 keer voor.23 Het verhelderen van het geheel van zijn leven zou onze contemplatie uit balans slaan. Echter wat geëxpliceerd kan worden is dat zijn geboorte, zijn leven en zijn dood allemaal gemarkeerd worden door de thema’s van liefde. Zijn geboorte is aldus gemarkeerd omdat God, uit liefde voor de mensheid, zijn enige zoon (Jezus Christus) aan de wereld gaf om aan mensen de gelegenheid te schenken van eeuwig leven.24 Dus de primaire reden voor het bestaan van Christus als Jezus is liefde. Een liefde die getoond wordt door mensen de gelegenheid op eeuwig leven te geven. Echter opdat deze grootse gift geschonken kan worden aan mensen moet Jezus sterven. De zonden van de mensheid op hem nemend25 zuiverde hij deze door de kruisiging te ondergaan die leidde tot zijn dood.26 Dus de reden van Jezus’ geboorte is zijn dood, en de primaire reden van beide is God’s liefde voor de mensheid. Tegen deze meest primaire achtergrond lijken de gebeurtenissen in Jezus’ leven enkel secundair. Echter zijn leven is nog steeds zeker noemenswaardig want dat kan beschouwd worden als een getuigenis van liefde. Een liefde waarvan hij ook getuigt in zijn leer. Zijn primaire boodschap aan de mensheid is om God lief te hebben en elkanders buren lief te hebben.27 Om nu terug te komen op ons onderwerp van contemplatie is het duidelijk dat de liefde waarvan Jezus spreekt en welk hij personifieert niet gerelateerd is aan aantrekking tussen lichamen of aan een aantrekking tussen persoonlijkheden. Het betreft een aantrekking die kan bestaan voorbij lichamen en persoonlijkheden, het betreft liefde.

Historie

Voor de verheldering en verdere explicatie van het verschil tussen seks, romantiek en liefde als verschillende typen van aantrekking hebben we vier god(inn)en van aantrekking behandeld; Aphrodite, Eros, Amor-Cupido en Jezus Christus. Aphrodite werd geschetst als een godin van seks en Jezus Christus als een god van liefde. Eros-Amor-Cupido werd geschetst als een bemiddelende en evoluerende god. Hij strekt zichzelf uit van Aphrodite tot Psyche en werd beschreven als een god van romantiek. Met het beschouwen van de evolutie van Eros naar Amor-Cupido hebben we alreeds een stukje van de geschiedenis in beschouwing genomen. Wanneer we nu onze contemplatie uitbreiden langs zulke historische lijnen zullen we een bevestiging ontdekken van wat tot op heden is gecontempleerd betreffende seks, liefde en de bemiddelende romantiek. Aphrodite, zelf zeer aloude wortels hebbend, zoals eerder vermeld, wordt alreeds aanbeden vanaf de vroegste Griekse tijden.28 Daarmee is ze onder de boven genoemde god(inn)en de oudste die aanbeden wordt. Want Eros, ook een oude Griekse god, wordt niet wijds aanbeden in de oudere dagen van de Griekse beschaving.29 Alleen in de Hellenistische periode (gewoonlijk genomen als de periode tussen 323 B.C. en 31 of 30 B.C.)30 wordt Eros een algemeen aanbeden god. Daar evolueert hij van een knappe jonge man tot de gevleugelde putto die we zo goed kennen.31 Dit beeld wordt aangenomen door de Romeinse cultuur en mythologie. Daar, zoals we hebben gezien, wordt Eros Amor of Cupido. De Griekse periode kwam tot een definitief einde met de slag bij Actium in 31 B.C. In deze slag versloegen de Romeinen voor eens en voor altijd de Grieken waardoor de eerste in staat waren Egypte te veroveren en volledige controle over de Mediterranea te verkrijgen.32 Echter de Romeinen namen in hun religie en mythologie ook veel over van Griekenlands nalatenschap,33 en de late Eros als zijnde overgenomen als Amor of Cupido is slechts één van de ontelbare voorbeelden. Rond dezelfde tijd nu vond een andere belangrijke gebeurtenis plaats. Slechts een paar jaar na de slag bij Actium werd een nieuwe god met Abrahamistische wortels geboren: Jezus Christus. Geacht geboren te zijn in (of rond)34 het jaar 0 en ter dood gebracht iets meer dan 30 jaar later ontstond, ontwikkelde en verspreidde er een cult rondom hem. Uiteindelijk zou het Christendom, de naam die gebruikt wordt om te refereren aan deze cult, de plaats innemen van de Romeinse religie, zichzelf uiteindelijk zelfs tronend in de stad Rome. Dus rond dezelfde tijd waar de dood van de Griekse religie en de dominantie van de Romeinse religie bevestigd werd bij Actium daar werd het zaad van de dood van die laatste alreeds gezaaid in Bethlehem. Echter nog 300 jaren zou de Romeinse religie dominant blijven en zouden Christenen vervolgd worden. De ommekeer kwam in de 4e eeuw A.D. toen de Romeinse keizer Constantijn zich bekeerde tot het Christendom.35 Latere historische gebeurtenissen hoeven niet genoemd te worden in deze contemplatie.

In deze zeer korte schets van de historie kunnen we opmerken dat de eerder genoemde god(inn)en van aantrekking dezelfde plaats in de historie innemen als de plaatsen die ze innemen in hun personificatie van typen van aantrekking. Aphrodite als ons punt van referentie nemend zien we dat Eros ook in de historie start als haar nabije metgezel. Hij heeft nog geen plaats voor zichzelf verworven in het pantheon van aanbeden goden en godinnen. Na verloop van tijd echter scheidt hij zichzelf van Aphrodite, de status van een wijds aanbeden god verkrijgend. Maar voor dit kon gebeuren moest hij evolueren naar zijn identiteit van Amor-Cupido. Als Amor-Cupido heeft hij de Griekse periode achtergelaten en de Romeinse periode betreden. Dit is waar hij opbloeit. Echter zijn aanbidding verliest zich opnieuw in de opkomst van de aanbidding van Jezus Christus in de latere Romeinse periode. Uiteindelijk zou ook de Romeinse periode tot een einde komen, de weg vrijmakend voor een volledig Christelijke periode. Aldus strekt Eros-Amor-Cupido zich uit van de vroege Griekse periode waar hij verloren is in Aphrodite’s aanbidding tot aan de Christelijke periode waar hij verloren raakt in de aanbidding van Jezus. Dit volledig in lijn met de eerdere bevindingen waar dezelfde god(inn)en gecontempleerd werden in de context van hun personificatie van typen van aantrekking.

Etymologie

Opmerkelijk genoeg wordt alles van het bovenstaande opnieuw bevestigd wanneer een contemplatie langs etymologische lijnen plaatsvindt. De namen van de genoemde god(inn)en van aantrekking hebben nog steeds hun gebruik in hedendaagse Westerse talen. We zullen ons hier beperken tot de Nederlandse (en Engelse) taal. Aphrodite werd geëxpliceerd als de godin van seks en de aantrekking die kan bestaan tussen fysieke lichamen. Haar naam en de betekenis die deze meedraagt zijn behouden tot op de dag van vandaag in het woord ‘afrodisiacum’ (in het Engels ‘aphrodisiac’). ‘Afrodisiacisch’ (in het Engels ‘aphprodisiac’) als een adjectief betekent ‘venereaal’ (in het Engels ‘venereal’).36 ‘Venereaal’ wordt op zijn beurt de betekenis gegeven van betrekking hebbend op, geassocieerd met of verbonden aan seksuele begeerte of gemeenschap. Daarmee vinden we dus een etymologische bevestiging van het idee van Aphrodite als een personificatie van seks. De cirkel sluit wanneer we zien dat ‘venereaal’ geworteld is in de naam die aan Aphrodite wordt gegeven in Romeinse mythologie, namelijk ‘Venus’.37

Eros, de nabije metgezel van Aphrodite, kan gevonden worden in woorden als ‘erotisch’ en ‘erotiek’ (in het Engels ‘erotic’ en ‘eroticism’). Beide woorden refereren op de een of andere manier aan seksuele begeerte,38 aldus Eros’ nauwe verwantschap met Aphrodite bevestigend. Met Eros evoluerend tot Amor-Cupido vinden we ook een etymologische bevestiging van Amor-Cupido als een personificatie van romantiek, van de aantrekking die kan bestaan tussen persoonlijkheden. ‘Amoureus’ (in het Engels als zelfstandig naamwoord ‘amour’), onbetwijfelbaar geworteld in ‘Amor’, kan refereren aan liefde, affectie en vriendschap, maar meer dominant aan tedere gevoelens en liefde naar iemand van de andere sekse.39 Cupido wordt minder algemeen gevonden in Nederlandse (en Engelse) woorden, maar weerklinkt in het woord ‘cupiditeit’ welk refereert aan een vurige begeerte of buitensporig(e) verlangen of lust.40 Echter het refereert niet expliciet aan een seksue(e)le verlangen of begeerte. Als een etymologie van de Nederlandse (of Engelse) taal als leidend genomen zou worden dan zou Cupido waarschijnlijk geplaatst worden tussen Eros en Amor. Interessant is hier ook het feit dat Amor-Cupid ontstaat in de Romeinse cultuur en mythologie. De naam ‘Romeins’ (in het Engels ‘Roman’) die deze cultuur aanduidt die Amor-Cupid naar voren bracht is evident aanwezig in de term ‘romantiek’ (in het Engels ‘romance’).

Waar het Jezus Christus betreft zullen we in de huidige Nederlandse (en Engelse) taal niet veel referenties vinden waarvan gededuceerd kan worden dat hij liefde personifieert. Dit is waarschijnlijk zo omdat, ondanks de secularisatie, het Christendom nog steeds een heel actuele en levende religie is. Woorden waarin de naam ‘Christus’ voorkomen dragen in de meeste gevallen nog steeds een directe referentie aan de Christelijke religie en het Christelijke geloof. Waarschijnlijk, in toekomstige tijden, in tijden waar het Christendom alreeds voor een langere tijd verdwenen is, zullen we in het gebruik van woorden die de naam ‘Christus’ bevatten duidelijkere weerklanken van liefde vinden, zullen we duidelijkere weerklanken vinden van de aantrekking die kan bestaan tussen zielen, die kan bestaan voorbij fysieke lichamen en persoonlijkheden.

Noten
  1. Alice A. Bailey, 'Esoteric Psychology, Volume I, A Treatise on the Seven Rays, Volume I’, in: Twenty-Four Books of Esoteric Philosophy, (CD-ROM), Lucis Trust, London / New York, 2001. “Basically, love and sex are one and the same thing, for both express the meaning of the Law of Attraction.”
  2. Alice A. Bailey, ‘A Treatise on Cosmic Fire’, in: Twenty-Four Books of Esoteric Philosophy, (CD-ROM), Lucis Trust, London / New York, 2001. “It concerns the marriage of the atoms, and the romance of the elements.”
  3. 'Sex: Unity Cut into Duality', Index: 201001091.
  4. Plato, The Symposium, M.C. Howatson (translator and editor) and Frisbee C.C. Sheffield (editor), Cambridge University Press, Cambridge, 2008, p. 21, sec. 189a ff.
  5. D.N. Stavropoulos and A.S. Hornby, Oxford English-Greek Learners Dictionary, Oxford University Press, Oxford, 1998, p. 229.
  6. Hesiod, ‘Theogony’, in: Theogony, Works and Days, Testimonia, edited and translated by Glenn W. Most, Harvard University Press, Cambridge / London, 2006, p. 16-19, sec. approx. 167-207.
  7. David Sacks, Encyclopedia of the Ancient Greek World, Facts On File, Inc., New York, 2005, p. 34.
  8. Pausania, in:The Symposium, p. 11-12, sec. 180d-180e. “But since there are two Aphrodites there must be two Loves also. [‘Eros’, here and in many other translations, is inaccurately translated as ‘Love’, where it probably would have been more accurate to simply maintain his name.] And it cannot be denied that there are two goddesses. One, older obviously, is the daughter of Uranus and had no mother, and we call her ‘‘Heavenly Aphrodite’’; the younger is the child of Zeus and Dione and we call her ‘‘Common Aphrodite’’. It follows then that the Love who works with the latter Aphrodite should correctly be called ‘‘Common Love’’ and the other ‘‘Heavenly Love’’.”
  9. H. Rose, A Handbook of Greek Mythology, Routledge, London / New York, 2005, p. 87.
  10. Jenny March, Cassell’s Dictionary of Classical Mythology, Cassell & Co, 2001, p. 34.
  11. Barbara Breitenberger, Aphrodite and Eros, The Development of Erotic Mythology in Early Greek Poetry and Culture, Routledge, New York / London, 2007, p. 168.
  12. Mark P.O. Morford and Robert J. Lenardon, Classical Mythology, Longman, New York / London, 1985, p. 127.
  13. ‘Theogony’, p. 18-19, sec. 201.
  14. Ibidem, p. 12-13, sec. 116-123.
  15. Cassell’s Dictionary of Classical Mythology, p. 299.
  16. Aphrodite and Eros, Ch. 1.
  17. UXL Encyclopedia of World Mythology, Volumes 1-5, (e-book), Gale, Cengage Learning, Detroit / et alibi, 2009, p. 356.
  18. Ibidem, p. 86.
  19. Lucius Apuleius, Apuleius, The Golden Ass, Being the Metamorphoses of Lucius Apuleius, translated by W. Adlington, revised by S. Gaselee, William Heinemann / G.P. Putnam’s sons, London / New York, 1922.
  20. Classical Mythology, p. 136.
  21. Francis Edward Jackson Valpy, Words of the Greek Language, In Alphabetical Order, With the Omission Generally of Plants and Sometimes of the More Uncommon Animals, Longman, Green, Longman and Roberts, London, 1860, p. 189.
  22. Diotima, cited by Socrates, in: The Symposium, p. 39, sec. 202d. ‘‘He [Eros] is a great spirit, Socrates. [‘Spirit’ is translated from ‘daimon’.] All spirits are intermediate between god and mortal’’.
  23. The American Standard New Testament, (software), Version 1.0, Ages Software, Albany, 1996.
  24. Ibidem, John, Ch. 3, v. 16. “For God so loved the world, that he gave his only begotten Son, that whosoever believeth on him should not perish, but have eternal life.”
  25. Ibidem, 2 Corinthians, Ch. 5, v. 21, “Him who knew no sin he made to be sin on our behalf; that we might become the righteousness of God in him.”
  26. Ibidem, 1 Peter, Ch. 2., v. 24. “who his own self bare our sins in his body upon the tree, that we, having died unto sins, might live unto righteousness; by whose stripes ye were healed.”
  27. Ibidem, Mark, Ch. 12, v. 28-30. “And one of the scribes came, and heard them questioning together, and knowing that he had answered them well, asked him, What commandment is the first of all? Jesus answered, The first is, Hear, O Israel; The Lord our God, the Lord is one: and thou shalt love the Lord thy God with all thy heart, and with all thy soul, and with all thy mind, and with all thy strength. The second is this, Thou shalt love thy neighbor as thyself. There is none other commandment greater than these.”
  28. Zie noot 16.
  29. Aristophanes, in: The Symposium, p. 22, sec. 189c. “It is my belief that people have entirely failed to understand the power of Love [Eros. Zie ook voetnoot 8.], for if they had understood they would have erected the greatest temples and altars to him and would offer up the largest sacrifices. As it is, nothing of the sort is done for him, though he deserves it more than anyone else.”
  30. Thomas Harrison, ’The Hellenistic World’, in: Edward Bispham, Thomas Harrison and Brian A. Sparkes (editors), The Edinburgh Companion to Ancient Greece and Rome, Edinburgh University Press, Edinburgh, 2006, p. 98.
  31. Mike Dixon-Kennedy, Encyclopedia of Greco-Roman mythology, ABC-CLIO, Santa Barbara / Denver / Oxford, 1998, p. 126.
  32. Angelos Chaniotis, War in the Hellenistic World, A Social and Cultural History, Blackwell Publishing, Malden / Oxford / Carlton, 2005, p. 2.
  33. Classical Mythology, p. 466.
  34. Mark Humphries, Early Christianity, Routledge, London / New York, 2006, p. 4.
  35. Ibidem, p. 10.
  36. Oxford English Dictionary, Second Edition on CD-ROM (v. 4.0), Oxford University Press, 2009, under ‘aphrodisiac, a. and n.’.
  37. Ibidem, under ‘venereal, a. and n.’.
  38. Ibidem, under ‘erotic, a. and n.’ and ‘eroticism, n.’.
  39. Ibidem, under ‘amour1’.
  40. Ibidem, under ‘cupidity’.
Bibliografie
  • 'Sex: Unity Cut into Duality', Index: 201001091.
  • Lucius Apuleius, Apuleius, The Golden Ass, Being the Metamorphoses of Lucius Apuleius, translated by W. Adlington, revised by S. Gaselee, William Heinemann / G.P. Putnam’s sons, London / New York, 1922.
  • Alice A. Bailey, 'Esoteric Psychology, Volume I, A Treatise on the Seven Rays, Volume I’, in: Twenty-Four Books of Esoteric Philosophy, (CD-ROM), Lucis Trust, London / New York, 2001.
  • Alice A. Bailey, ‘A Treatise on Cosmic Fire’, in: Twenty-Four Books of Esoteric Philosophy, (CD-ROM), Lucis Trust, London / New York, 2001.
  • Barbara Breitenberger, Aphrodite and Eros, The Development of Erotic Mythology in Early Greek Poetry and Culture, Routledge, New York / London, 2007.
  • Angelos Chaniotis, War in the Hellenistic World, A Social and Cultural History, Blackwell Publishing, Malden / Oxford / Carlton, 2005.
  • Mike Dixon-Kennedy, Encyclopedia of Greco-Roman mythology, ABC-CLIO, Santa Barbara / Denver / Oxford, 1998.
  • Thomas Harrison, ’The Hellenistic World’, in: Edward Bispham, Thomas Harrison and Brian A. Sparkes (editors), The Edinburgh Companion to Ancient Greece and Rome, Edinburgh University Press, Edinburgh, 2006.
  • Hesiod, ‘Theogony’, in: Theogony, Works and Days, Testimonia, edited and translated by Glenn W. Most, Harvard University Press, Cambridge / London, 2006.
  • Mark Humphries, Early Christianity, Routledge, London / New York, 2006.
  • Jenny March, Cassell’s Dictionary of Classical Mythology, Cassell & Co, 2001.
  • Mark P.O. Morford and Robert J. Lenardon, Classical Mythology, Longman, New York / London, 1985.
  • Plato, The Symposium, M.C. Howatson (translator and editor) and Frisbee C.C. Sheffield (editor), Cambridge University Press, Cambridge, 2008.
  • H. Rose, A Handbook of Greek Mythology, Routledge, London / New York, 2005.
  • David Sacks, Encyclopedia of the Ancient Greek World, Facts On File, Inc., New York, 2005.
  • UXL Encyclopedia of World Mythology, Volumes 1-5, (e-book), Gale, Cengage Learning, Detroit / et alibi, 2009.
  • D.N. Stavropoulos and A.S. Hornby, Oxford English-Greek Learners Dictionary, Oxford University Press, Oxford, 1998.
  • The American Standard New Testament, (software), Version 1.0, Ages Software, Albany, 1996.
  • Francis Edward Jackson Valpy, The Etymology of Words of the Greek Language, In Alphabetical Order, With the Omission Generally of Plants and Sometimes of the More Uncommon Animals, Longman, Green, Longman and Roberts, London, 1860.
  • Oxford English Dictionary, Second Edition on CD-ROM (v. 4.0), Oxford University Press, 2009.