ARVINDUS

Contemplationam

Een Korte Schets van de Historievan Westerse Spiritualistische en Materialistische Oriëntaties

EEN KORTE SCHETS VAN DE HISTORIE VAN WESTERSE SPIRITUALISTISCHE EN MATERIALISTISCHE ORIËNTATIES

Introductie

Zoals de titel alreeds stelt zal in deze contemplatie een korte schets gegeven worden van de historie van Westerse spiritualistische en materialistische oriëntaties. Dit is geen klein onderwerp. Het Westen kent een historie van geëxpliceerd denken dat meer dan vijfentwintighonderd jaren omvat. In deze tijd zijn vele grote denkers naar voren gestapt om ofwel bij te dragen aan het algemene denken van de massa in hun tijd ofwel om eenvoudig dit algemene denken te expliceren, en misschien om beide te doen. Het zou interessant zijn om alle details met hun relaties met het algemene massadenken uit te werken en deze op een tijdschaal van de historie te plaatsen. Maar het resultaat zou op zijn minst een zeer dik volume zijn. Dit in beschouwing genomen zal het duidelijk zijn dat in een korte contemplatie zoals deze enkel een kleine en zeer algemene schets gegeven kan worden. Details kunnen misschien later uitgewerkt worden in andere contemplaties maar dit heeft geen hoge prioriteit. Het moet hier ook benadrukt worden dat in deze contemplatie we voornamelijk begaan zijn met de stromen van Westers denken die door mensen als geheel hebben gestroomd en dat we minder begaan zijn met individuele filosofische polemieken die wellicht niet veel invloed gehad hebben of welke wellicht niet zeer representatief zijn geweest voor de algemene oriëntaties van hun of andere tijden. Tegelijkertijd echter, of de goed bekende individuen van Westerse oriëntaties de richtinggevers zijn geweest of eenvoudig de representanten van de mainstream oriëntaties van het Westen, worden de explicaties van deze oriëntaties gewoonlijk gevonden in de nalatenschappen van deze individuen. Dus hoewel we voornamelijk begaan zijn met de dominante mainstream oriëntaties in deze contemplatie verkrijgen we vaak theoretische toegang tot deze via individuele explicaties.

Met dit alles gezegd moet ook naar voren worden gebracht dat voor de desbetreffende schets uitgewerkt kan worden eerst een paar werkdefinities en verduidelijkingen van termen gegeven moeten worden. Dit zal gedaan worden in de komende drie paragrafen. Wanneer dit gedaan is zal de weg vrij zijn om de bedoelde schets van de historie van Westerse spiritualistische en materialistische oriëntaties te geven.

Spiritualisme en Materialisme

Spiritualisme en materialisme zijn twee concepten die als vanzelf naar voren komen in de beschouwing op spiritualistische en materialistische oriëntaties. In deze contemplatie zullen deze concepten gebruikt worden in lijn met hun filosofisch gebruik. In filosofie duiden deze termen twee polaire meningen of theoriesets aan. Materialisme (genomen in zijn meest radicale betekenis) stelt dat niets bestaat dan materie en haar bewegingen en modificaties,1, 2, 3, 4, 5 terwijl spiritualisme beweert dat geest in plaats van materie de ultieme substantie is.6, 7

Deze polaire tegenstelling is in lijn met de polariteit van geest en materie zelf en het contempleren van spiritualisme en materialisme doet de vraag rijzen naar de aard van deze twee. De moeilijkheid nu is dat zowel materialisme als spiritualisme in diverse meningen en theorieën voorkomen en dat afhankelijk van de theorie ook de opvattingen van materie en geest kunnen variëren. Een oplossing zou gevonden kunnen worden in het komen tot onze eigen conclusies betreffende deze twee concepten. Echter hiervoor is een aparte contemplatie nodig en er is geen ruimte hier om materie en geest uitgebreid te contempleren. Om de nood van de huidige contemplatie echter te ledigen is het mogelijk om zonder argumenten twee algemene en zeer omvattende werkdefinities te poneren. Hun omvattendheid zou ze valide moeten maken voor alle materialistische of spiritualistische theorieën en hun algemeenheid zou ze accepteerbaar moeten maken voor de meeste lezers. Materie, zullen we poneren, is kwantiteit. En geest, zullen we poneren, is kwaliteit. Aldus, volgens deze geponeerde werkdefinities, zijn materialisten van mening dat alleen kwantiteit werkelijk is en dat kwaliteit is afgeleid van kwantiteit (bijvoorbeeld klassiek atomisme, welk dacht dat kwaliteit was afgeleid van verschil in kwantiteit van materiële atomen en hun rankschikking in ruimte en tijd).8 En spiritualisten op hun beurt kwaliteit benadrukken als de primaire realiteit, liggend aan de basis van alle kwantiteit (bijvoorbeeld de Christenen die geloven dat de materiële wereld werd geschapen door een spirituele god).9 Dus materialisten stellen dat kwaliteit enkel komt van kwantiteit en spiritualisten stellen dat kwantiteit enkel komt van kwaliteit. Het moet hier opgemerkt worden dat deze meningen spiritualistisch en materialistisch zijn in hun meest gepolariseerde en radicale vorm. Gewoonlijk zal een zekere nuance gevonden worden in de diverse theorieën.

Het Westen

De term ‘het Westen’ wordt als synoniem gebruikt voor termen zoals ‘de Westerse wereld’ en ‘de occident’.10 Etymologisch refereren deze termen aan het gebied waar de zon onder gaat. ‘Occident’ komt van het Latijn ‘occidens’, welk precies hetzelfde aanduidt.11 En ‘Westen’ komt uiteindelijk van het proto-Indo-Europese ‘wes’,12 welk ook betekenissen draagt duidend op het ondergaan van de zon. Nu werden in de oude wereld van Azië en Europa (Mediteraans Afrika ingesloten) de Europese landen geografisch geplaatst in de richting waar de zon onder gaat. Aldus kwamen de desbetreffende termen in gebruik om te refereren aan de landen van Europa. Met de wijdverbreide vestiging van Europese mensen met hun cultuur in de nieuwe wereld gedurende koloniale tijden kwamen de desbetreffende termen ook te refereren aan de gekoloniseerde landen van deze nieuwe wereld. Aldus worden ‘het Westen’, ‘de Westerse wereld’ en ‘de occident’ gebruik om te refereren aan (West) Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Australië en Nieuw Zeeland, soms ook met Israel (en voorheen Zuid-Afrika) ingesloten. Natuurlijk is de impact van Westers denken en de Westerse cultuur niet beperkt gebleven tot de voorgenoemde landen van de nieuwe wereld. Kolonisatie van Afrika en Aziatische landen zoals India hebben het Westerse denken zeker ook naar Zuidelijke en Oosterse plaatsen verspreid, of dit denken nu dominant is geworden of niet. En in hedendaagse tijden heeft de invloed van de V.S. als een Westerse grootmacht natuurlijk ook een wereldwijde impact. Het zijn al deze, de wortels, de stam, de takken en de twijgen, waaraan gerefereerd wordt in deze contemplatie met ‘het Westen’. Met zijn wortels in het Mediteraanse gebied, zijn stam in (West) Europa en zijn takken in de Amerika’s, Australië en Nieuw Zeeland, heeft het Westerse denken zijn twijgen globaal verspreid.

Historie (en Prehistorie)

De term ‘historie’ kan etymologisch herleid worden tot het proto-Indo-Europese ‘wid’, eenvoudigweg ‘kennis’ betekenend.13 Zonder diep in te gaan op de etymologische evolutie van ‘historie’ kan het gezegd worden dat het van zijn wortelbetekenis gegroeid is via Grieks en Latijns gebruik in hedendaagse Nederlandse (en Engelse in het geval van ‘history’) betekenissen die betrekking hebben op kennis via vastgelegde beschrijvingen van in tijd en plaats gerelateerde gebeurtenissen.14 Gebeurtenissen die situaties niet beïnvloedden in andere plaatsen of andere tijden worden gewoonlijk niet meegenomen in hedendaagse historische verslagen. Dat in hedendaagse dagen de term ‘historie’ gebruikt wordt om te refereren aan gebeurtenissen die vastgelegd zijn toont het onderscheid dat gemaakt wordt tussen historie en prehistorie. Want ‘prehistorie’ (met ‘pre’ ‘voor’ betekenend) wordt alleen gebruikt om te refereren aan gebeurtenissen waarvan geen verslagen bekend zijn.15 Historie en prehistorie op deze manier beschouwend kan het terecht in ons opkomen dat prehistorie en historie kunnen variëren per locatie. Terwijl in Griekenland bijvoorbeeld gebeurtenissen alreeds vastgelegd werden, het in de historie plaatsend, waren de stammen die in Duitsland leefden in die tijd nog steeds prehistorisch. Dit gegeven heeft belang voor deze contemplatie. Want als een strikte schets van de historie van Westerse spiritualistische en materialistische oriëntaties gegeven wordt dan zijn we geneigd om de prehistorische oriëntaties van Noordwest Europa weg te laten. Dit terwijl deze ook van belang zijn geweest voor de ontwikkeling van het Westerse denken. Dus het voorgenoemde in overweging nemend zal in de huidige schets ook een deel van de prehistorie in beschouwing genomen worden, zelfs onder de term van ‘historie’.

Nu worden historische verslagen gewoonlijk gegeven in een chronologische volgorde. En in deze volgorde kan dan onderscheid gemaakt worden tussen zekere belangrijkere tijdsperiodes. Hoe het onderscheid gemaakt wordt zal vaak afhangen van het type van discipline waaronder het desbetreffende onderzoek verricht wordt. Voorbeelden van algemeen geaccepteerde belangrijkere tijdsperiodes zijn ‘de klassieke periode’, ‘de antieke periode’, ‘de middeleeuwse periode’, ‘de moderne periode’ en ‘de hedendaagse periode’. In deze contemplatie echter zullen we minder strikt zijn in het volgen van een chronologische volgorde. Deze volgorde zal in gedachte gehouden worden en zal waar mogelijk gevolgd worden, maar de belangrijkste focus zal gelegd worden op de diversiteit van Westerse oriëntaties. Aldus zal een andere divisie gebruikt worden. In deze contemplatie zullen we onderscheiden tussen de paganistische, de Christelijke en de wetenschappelijke periode.

Paganistische Periode

De grondterm ‘pagan’ in ‘paganisme’ komt van het Latijnse ‘pāgānus’, welk gebruikt werd om te refereren aan de inwoners van het platteland of aan burgers als tegengesteld aan soldaten.16 In Christelijke tijden kwam het te refereren aan niet-christenen of heidenen, aangezien de uitvoerders van de voorchristelijke religies beschouwd werden burgers te zijn in vergelijking met de ‘soldaten’ van Christus.17 Aldus kan de paganistische periode ook benoemd worden als ‘de voorchristelijke periode’. Inderdaad is deze periode lang en gevarieerd. Hij start diep in de prehistorie van het Westen met de eerste oriëntaties van zijn eerste inwoners en eindigt met de opkomst van het Christendom. En zoals de verspreiding van het Christendom doorheen het Westen geleidelijk is geweest zo is ook het verdwijnen van Westers paganisme geleidelijk geweest.

Animisme
Bovengenoemde paganistische periode kan verdeeld worden in twee hoofdoriëntaties, namelijk de polytheïstische oriëntaties en de voorafgaande animistische oriëntaties. Behalve ‘animisme’ worden ook termen als ‘spiritisme’, ‘natuurreligie’ en ‘primitieve religie’ gebruikt om te refereren aan deze desbetreffende vroege oriëntaties.

De term ‘primitieve religie’ wordt gebruikt omdat het desbetreffende begrip van realiteit vooral gevonden wordt bij zogenoemde ‘primitieve’ mensen en culturen. De term ‘prehistorische religie’ kan ook toegepast worden omdat deze primitieve religies gevonden werden bij die klassieke stammen die nog geen echte vormen van schrift gebruikten om belangrijke gebeurtenissen vast te leggen.

Dit beschouwend zal het duidelijk zijn dat we geen toegang verkrijgen tot deze oriëntaties van het prehistorische Westerse denken via de geschreven verslagen van individuen. Onze enige manier van theoretische toegang lijkt te zijn via interpretaties van archeologische vondsten en via de studie van de oriëntaties van hedendaagse nog steeds bestaande stammen en primitieven.18 En één van de best bekende vormen van hedendaags animisme, en aldus één van de beste deuren om toegang te verkrijgen tot de oriëntaties van animistische culturen, betreft hedendaags sjamanisme. Centraal in sjamanisme staat het geloof van een geestenwereld, een wereld van geesten, die de omringende natuur bestuurt.19 Tribale mensen zien zichzelf geplaatst in heel eenvoudige en natuurlijke omgevingen en proberen deze te beïnvloeden. Daarom wordt ook een term als ‘natuurreligie’ gebruikt om aan deze oriëntaties te refereren.

Vaak worden in zulke stammen religieuze specialisten gevonden, zoals de sjamaan in sjamanisme. Deze religieuze specialist is in staat om met de geestenwereld te interacteren. In bepaalde rituelen bijvoorbeeld worden sjamanen in een trance gebracht waarin hun geest hun lichaam verlaat om te reizen naar de geestenwereld, en soms wordt het lichaam van de sjamaan ook bezeten door geesten in zulk een trance.20 Het type geesten dat gecontacteerd kan worden is veelvoudig. Er zijn dierengeesten, grotere geesten die doen denken aan de latere polytheïstische goden en geesten van overleden voorvaderen.21 Aldus kan begrepen worden waarom aan zulke oriëntaties ook gerefereerd wordt met een term als ‘spiritisme’ (in lijn met het Engelse woord ‘spirit’ voor ‘geest’). (Soms wordt ook ‘spiritualisme’ gebruikt om aan hetzelfde te refereren. Echter in zulke gevallen wordt deze term niet gebruikt in zijn filosofische betekenis, wat de manier is waarop we deze gebruiken in onze huidige contemplatie.)

Zoals gezegd worden deze geesten beschouwd als de bestuurders van de omringende natuur. Zij zijn, zogezegd, de zielen die de natuur inwonen. Het is vanwege deze gedachte dat de term ‘animisme’ vaak wordt toegepast. Het Nederlandse ‘animisme’ kan (net als het Engelse ‘animism’) herleid worden via het Latijnse ‘anima’ en ‘animus’ (betekenend ‘ziel’ of ‘denken’),22 en het Griekse ‘anemos’ (betekenend ‘wind’),23 tot het Sanskriet ‘āna’ (betekenend ‘adem’).24 Deze wortelbetekenis van ‘adem’ heeft ook betrekking op het Engelse woord ‘spirit’,25 en dus kan gezegd worden dat animisten zichzelf oriënteren op geesten (‘spirits’ in het Engels) die hun omringende natuur inspireren.

Het zijn deze oriëntaties die gevonden kunnen worden in het Westen van de tribale tijden. Want zoals vermeld is animisme origineel nauw verbonden met het tribale leven. De oriëntaties zijn hier een combinatie van materialistische en spiritualistische oriëntaties. Er is geen ontkenning van de materiële wereld waarin deze tribale mensen gewoonlijk leven. Echter die materiële wereld wordt beschouwd als bestuurd te worden door een geestenwereld. Want om hun materiële omgeving te beïnvloeden proberen tribale mensen zich te verbinden met de geesten die geacht worden deze omgeving te animeren. En dit zijn zeer spiritualistische oriëntaties. Aldus kan gezegd worden dat de oriëntaties van de animistische periode zowel materialistisch als spiritualistisch zijn met misschien een nadruk op het laatste.

Polytheïsme
De beweging van animistische oriëntaties naar polytheïstische is hoogstwaarschijnlijk niet gekarakteriseerd geweest door een revolutionaire omwenteling, maar eerder door een gestage ontwikkeling. Aldus kunnen we animisme en polytheïsme elkaar zien overlappen in zekere oriëntaties. Deze ontwikkeling kan verklaard worden (maar moet niet noodzakelijk verklaard worden) door de gestage agriculturele cultivering van de omringende natuur en de groei van de tribale nederzettingen tot dorpen en steden. De gedachte die zulk een verklaring kan volgen is dat de veranderende omgeving noodzakelijk andere oriëntaties met zich meebrengt. Zichzelf vindend als minder dicht bij de natuur levend worden de oriëntaties van mensen minder naturalistisch. Ook de ontwikkeling van agricultuur kan een factor van betekenis zijn geweest. Want agricultuur is op een bepaalde manier de cultivatie van de natuur, en in agricultuur verkrijgen mensen een grip op de natuur. Zulk een grip maakt de natuur minder onvoorspelbaar en dus wordt de nood om uit te wisselen met de geesten van de natuur om de wegen van de natuur te beïnvloeden minder.

Echter de nood aan interventie van grotere machten blijft waar het nog steeds oncontroleerbare elementen betreft. Zulke elementen kunnen de vruchtbaarheid van de aarde zijn, vulkaanuitbarstingen, weersomstandigheden zoals stormen, invloeden van hemellichamen zoals de zon en de maan en andere veronderstelde astrologische invloeden. Dit zien we weerspiegeld in polytheïstische oriëntaties over de hele wereld.26 Daar worden relaties gelegd met zekere goden die geacht worden te heersen over de voorgenoemde elementen. Aldus werd de term ‘polytheïsme’ gegeven aan zulke oriëntaties. Het woord ‘polytheïsme’ komt van het Griekse ‘polytheos’. En met ‘poly’ ‘veel’ betekenend en ‘theos’ ‘god’ betekenend refereert ‘polytheïsme’ aan het geloof in of aanbidding van vele goden.27 Waar het het Westen betreft zijn de best bekende polytheïstische oriëntaties waarschijnlijk die van de Grieken, de Romeinen en de Germanen.

Hoewel alle drie genoemde polytheïstische oriëntaties van het Westen in zichzelf uniek zijn kunnen vergelijkbare karakteristieken herkend worden. Wat ze bijvoorbeeld gemeen hebben is hun nauwe verwantschap met de primitievere religies. Het is moeilijk exact te zeggen waar animisme eindigt en waar polytheïsme begint. Want ook in polytheïstisch oriëntaties kunnen hiërarchieën gevonden worden van goden en geesten. Grieks polytheïsme bijvoorbeeld heeft behalve zijn goden als Zeus en Hera ook reuzen, nimfen, saters en andere mystieke wezens die doen denken aan de geesten van natuurreligies.28 En juist waar de polytheïstische oriëntaties nog moeilijk te onderscheiden zijn van animistische oriëntaties wordt getoond dat de goden van het desbetreffende pantheon nog steeds erg abstract en minder antropomorfisch zijn dan in meer ontwikkelde polytheïstische oriëntaties. Voorbeeldig is hier Italiaans-Romaans polytheïsme welk enkel na cultureel beïnvloed te zijn door Griekenland (wiens culturele ontwikkeling de Romeinse voorafging) antropomorfische concepties van zijn goden ontwikkelde.29 Hier is het waar een duidelijker onderscheid met animisme mogelijk wordt. Waar animisme zijn nadruk legt op meer abstracte natuurgeesten daar legt ontwikkeld polytheïsme zijn nadruk op mensachtig verbeelde goden.30 Mensachtig, maar niet menselijk. Want de goden overtreffen mensen enorm in kracht en grootsheid, met hun voornaamste onderscheid van onsterfelijkheid.31 Deze goden bewonen verder niet de directe omringende omgeving van mensen, zoals de natuurgeesten van primitieve mensen, maar leven in meer hemelse werelden (zoals Asgaard, om een voorbeeld te geven uit Germaans polytheïsme)32 vanwaar ze heersen over de menselijke wereld.

Het contact met de goden in de hemel wordt dan gewoonlijk bemiddeld met rituelen en offeranden door speciale priesters en priesteressen33 die hun levens toegewijd hebben aan dienst aan de goden.34 Welke van de vele goden aangeroepen wordt via de rituelen hangt af van wat er gevraagd wordt. Want iedere god heeft zijn speciale domein waarover hij regeert. In Italiaans-Romeins polytheïsme bijvoorbeeld heerst Mars over oorlog,35 Saturnus over agricultuur,36 Uranus over de lucht,37 Venus over de lente, vruchtbaarheid en seksualiteit,38 en Vulcanus over vuur en vakmanschap.39 Over het algemeen, en in ieder geval in Grieks, Italiaans-Romeins en Germaans polytheïsme, wordt er ook één god aanbeden als staande aan de top van de polytheïstische hiërarchie. In klassiek Griekenland was dit Zeus,40 bij de Romeinen was dit Jupiter,41 en in Germaans polytheïsme werd Odin of Wodan gezien als hoofd van de goden.42 Dit lijkt als een beweging naar monotheïsme en het moet duidelijk gesteld worden dat polytheïsme inderdaad niet noodzakelijk monotheïstische oriëntaties uitsluit.43

Wat betekent deze beweging van animisme naar polytheïsme dan in termen van materialistische en spiritualistische oriëntaties? We zagen dat in animisme de oriëntaties zowel materialistisch als spiritualistisch waren met een nadruk op de laatste. Animisten zien hun omringende materiële wereld als bezield met verschillende soorten geesten via welke zij proberen die materiële wereld te beïnvloeden. Dit verandert in polytheïsme enigszins. De goden zijn afgescheiden van hun materiële leefomgeving, weggehaald van menselijke omgevingen en geplaatst in spirituele hemelen. Aldus vindt in de ontwikkeling van animisme naar polytheïsme een schisma plaats tussen het materiële en het spirituele. Natuurlijke fenomenen worden niet langer doordrenkt met geesten en goden, hoewel beide worden behouden. En de relatie die deze nu wordt gegeven is dat de ene de oorzaak is van de ander. Natuurlijke fenomenen zijn niet langer expressies van geesten of goden maar ze zijn het resultaat geworden van goddelijke handelingen. Na het schisma worden de goden gezien als de hemelse oorzaak van aardse fenomenen. Dit betekent dat het materiële wordt gezien als secondair in relatie tot het primaire spirituele. Dus polytheïsme in zijn meer ontwikkelde vormen is hoog spiritualistisch in zijn oriëntaties.

En aldus wordt de paganistische periode gekarakteriseerd door een ontwikkeling van wat gebalanceerde oriëntaties naar spiritualistische oriëntaties.

Christelijke Periode

Zoals gesteld werd eindigt de paganistische periode in het Westen met de opkomst en verspreiding van het Christendom. Deze verspreiding heeft een meer gestage koers gevolgd met hier en daar wat revolutionaire pieken. Dit betekent dat de paganistische periode alreeds was vervangen door Christelijke oriëntaties op sommige plaatsen in het Westen terwijl tegelijkertijd op andere plaatsen paganistische oriëntaties nog steeds dominant waren. De Romeinse keizer Constantijn de Grote (c. 285-337 A.D.)44 bijvoorbeeld was al tot het Christendom bekeerd rond het jaar 312 A.D. Deze bekering van Rome’s machtigste individu plaveide de weg voor een relatief gemakkelijke verspreiding van het Christendom in Rome,45 Romeins polytheïsme tot zijn einde brengend, terwijl in Scandinavië de Germaanse polytheïstische oriëntaties nog dominant in gebruik zouden blijven tot na het zogenoemde ‘Vikingtijdperk’,46 een tijdperk dat gewoonlijk geplaatst wordt tussen c. 750 and c. 1100.47 Veel factoren zijn betrokken geweest in het succes van de verspreiding van het Christendom doorheen het Westen, waarvan de bekering van Constantijn er slechts één is. Al deze factoren kunnen vanzelfsprekend niet behandeld worden in deze contemplatie. Het onderwerp van het Christendom is zo immens dat alleen enkele van de grootste lijnen van zijn karakteristieken hier geschetst kunnen worden. Deze lijnen in chronologische volgorde te schetsen zal ook wat inzicht geven in de factoren die zijn verspreiding hebben mogelijk gemaakt.

Plato
Het is niet voor niets dat de filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) het Christendom ‘Platonisme voor het volk’ noemde.48 Want Plato’s leven en de explicatie van zijn denken zijn zeer belangrijk geweest voor het Christendom, zoals we zullen zien, zelfs ofschoon deze plaatsvonden lang voor de geboorte van Jezus van Nazareth. Plato leefte tussen 427 en 347 B.C. in het klassieke Griekenland49 en wordt vaak beschouwd de eerste echte filosoof te zijn in de Westerse filosofische traditie.50 Inderdaad kan zijn voorganger Socrates (469-399 B.C.)51 in één adem genoemd worden met Plato, want het is voornamelijk via de verslagen van Socrates’ gesprekken dat Plato in zijn oeuvre zijn denken uitwerkt.52 Echter aangezien het niet duidelijk is of Plato’s geschriften met gesprekken van Socrates ware beschrijvingen van echte gebeurtenissen zijn of dat hij slechts Socrates’ naam gebruikte om zijn eigen denken te introduceren wordt Plato’s naam vaak voorrang gegeven in de desbetreffende leringen. Noties dat Plato’s werken niet volledig beperkt zijn tot verslagen van conversaties van Socrates, en dat zijn filosofische interesses ruimer lijken te zijn geweest dan die van Socrates spelen ook een rol in het geven van voorrang aan Plato als de eerste echte filosoof.53 

Dat Plato nu leefde in de genoemde tijd en plaats betekent dat hij zichzelf terugvond in een Grieks polytheïstische omgeving waar goden zoals Zeus en Apolo vereerd werden. Deze verering van de Griekse goden gedurende zijn tijd wordt vele malen weerspiegeld in zijn werken.54 Niettemin oriënteerde Plato zichzelf anders. Want zonder waarlijk de polytheïstische oriëntaties van zijn Griekse medemensen te verwerpen gebruikte hij vaak hun geloof om zichzelf naar minder paganistische en meer filosofische gedachten te manouvreren.55

Wat zijn dan deze gedachten van Plato? Aangezien het niet mogelijk is een expositie te geven van het geheel van Plato’s denken en filosofie zullen we hier focussen op die gedachten die van belang zijn geweest voor het Christendom (welke overigens ook beschouwd worden als zijnde de meest belangrijke gedachten in zijn oeuvre). En hiervoor zullen we ons in het bijzonder keren naar Plato’s werk ‘Politeia’, bekend onder de Nederlandse naam van ‘De republiek’.

In dit werk, in boek 7, vinden we Plato’s beroemde allegorie van de grot,56 welke beschouwd kan worden exemplarisch te zijn voor Plato’s denken. In deze allegorie verbeeldt Plato een ondergrondse grotachtige verblijfplaats. Daarin zijn gevangenen geketend aan handen en nek op zulk een manier dat ze enkel de muur voor hen kunnen zien. Achter hen branden vuren die hun licht op de muur werpen. Tussen de gevangenen en de vuren passeren mensen die artefacten zoals beelden van mensen en dieren dragen. Deze werpen schaduwen op de muur, en ook de stemmen van de passerende mensen worden weergalmd tegen de muur. Niets kennend dan de schaduwen op de muur nemen de gevangenen deze schaduwen als de enige realiteit. Dan stelt Plato zich voor dat een gevangene bevrijd wordt van zijn ketenen. Wanneer hij zich om zou draaien en opwaarts zou gaan naar het licht van de dag zou hij eerst verblind worden door het licht en zou hij in eerste instantie niet geloven dat de nu geziene objecten en mensen echt zijn. Echter na wat aanpassing aan het licht zou hij de mensen en objecten leren zien als reëel en de schaduwen als enkel schaduwen. Terugkerend naar zijn oude medegevangenen echter zouden de gebonden gevangenen hem niet geloven. Ze zouden denken dat zijn zicht geruïneerd was, want de ogen van de bevrijde gevangene zouden het moeilijk hebben om de schaduwen opnieuw te zien wanneer terugkerend naar de donkere grot na een verblijf in het zonlicht.

Plato legt na deze allegorie uit dat de grotachtige verblijfplaats als de zichtbare wereld is. De schaduwen zijn de zichtbare dingen en het vuur is de kracht van de zon. De reis omhoog van de grot naar het oppervlak vergelijkt Plato met de reis van de ziel naar het rijk van kenbare vormen. En de zon uiteindelijk is de vorm of het idee van het goede, want het goede is het hoogste en laatste te kennen.

In deze uitleg zien we dat Plato onderscheidt tussen een aards rijk en een kenbaar rijk van vormen waarvan de vorm van het goede de hoogste is. Uit de uitleg wordt duidelijk dat van deze twee rijken Plato voorrang geeft aan het rijk van vormen. De aard van de schaduwen op de muur wordt bepaald door de ware objecten. Zo ook worden de waarneembare dingen bepaald door de kenbare vormen. Plato’s gedachte is dat dingen gekenmerkt worden met hun specifieke kwaliteiten omdat ze participeren in een hogere wereld van vormen, welk een wereld is van pure kwaliteiten.57 Een bepaald waarneembaar ding is mooi bijvoorbeeld omdat het participeert in de abstracte vorm van schoonheid. Iets is mooi omdat het participeert in schoonheid,58 zoals iets groot is omdat het participeert in grootheid of iets klein is omdat het participeert in kleinheid.

Deze Platonistische filosofische gedachten kunnen aardig lijken te verschillen van de polytheïstische gedachten die Plato omgaven echter in analogie zijn ze heel vergelijkbaar. Want net zoals polytheïstisch Griekenland van die tijd aan de aardse dingen dacht als beheerst wordend door een veelvoud aan goden, met Zeus als de hoogste, zo dacht Plato van waarneembare dingen dat ze bepaald werden door een veelvoud van kenbare vormen, met de vorm van het goede als de hoogste. Dus op een bepaalde manier stripte Plato de polytheïstische oriëntaties van zijn tijd van hun goden, de primaire structuren en oriëntaties behoudend. Dit wegstrippen van goden, de structuren waarop ze geplaatst waren intact houdend, zou uiteindelijk ruimte geven voor het Christendom om deze naakte structuren opnieuw in te kleden met zijn eigen Christelijke figuren. Deze figuren zou het Christendom vinden in het Judaïsme en in de leringen van Jezus van Nazareth. Dit Christelijke inkleden van de door Plato ontblote structuren zou echter niet snel nadat Plato zijn leven leefde plaatsvinden, want meer dan drie eeuwen moesten voorbij gaan alvorens Jezus van Nazareth zelf geboorte zou vinden.

Jezus van Nazareth
Het leven en de leringen van Jezus van Nazareth, die door Christenen ‘Jezus Christus’ wordt genoemd, zijn vanzelfsprekend de belangrijkste van alle factoren geweest voor de verspreiding van het Christendom. Jezus werd waarschijnlijk geboren rond het jaar 059 en vond zijn einde een beetje nadat hij gestart was met onderwijzen rond de leeftijd van dertig.60 Waar het het verkrijgen van toegang tot zijn leven en leringen betreft is de situatie wat vergelijkbaar met die van Socrates. Want ook Jezus heeft zijn leringen niet neergeschreven, ons afhankelijk latend van de verslagen van hen die hem omringden. Deze verslagen zijn door een proces van eeuwen geselecteerd en verzameld in wat nu bekend is als ‘Het nieuwe testament’.61 In dit werk vinden we verslagen van Jezus’ leven en van zijn leringen. Deze leringen moeten dan contextueel begrepen worden. Jezus leefde en onderwees voornamelijk onder Joden.62 Dus Jezus’ leringen moet ook begrepen worden als ingebed zijnde in Judaïstische leringen. Deze gedachte lijkt zinnig want het Christendom heeft ook de Judaïstische leringen geaccepteerd onder de naam van ‘Het oude testament’.63

Wat zijn dan de belangrijkste Judaïstische gedachten die hebben bijgedragen aan het Christendom? Wat in het oog valt in de context van de huidige contemplatie is dat het Judaïsme (en overeenkomstig ook het Christendom) een hiërarchie van wezens onderhoudt. Ten eerste zijn er gewone mensen. Dezen zijn degenen niet afstammend van Abraham die daarom niet gebonden zijn door het verbond van Abraham en Yhwh.64 (In de Hebreeuwse teksten van Het oude testament wordt God vaak aangeduid met de vier Hebreeuwse letters ‘yhwh’ of ‘jhvh’. Het is van deze letters dat de namen ‘Yahweh’ en ‘Jehovah’ ontsprongen, want het is niet exact duidelijk hoe de vier letters uitgesproken moeten worden in één adem.65 In deze contemplatie zal de naam van de Abrahamistische god geschreven worden zonder klinkers als ‘Yhwh’). Vervolgens, in contrast met de gewone mensen, zijn er de mensen die afstammen van Abraham en dus een verbond hebben met Yhwh. Het menselijke rijk wordt gecompleteerd met de profeten die bemiddelend zijn tussen Yhwh en de mensen.66 (In Het oude testament is Mozes de belangrijkste profeet, het verbond tussen Yhwh en Abrahamieten ratificerend door hen Yhwh’s geboden te mediëren).67 Een derde klasse van wezens dan zijn Yhwh’s engelen. Dezen, net als de profeten, zijn de rol gegeven van te mediëren tussen Yhwh en zijn volk. Echter waar de profeten als mensen op aarde verblijven daar verblijven de engelen in de hemel. En uiteindelijk aan de top van de hiërarchische ladder wordt Yhwh gevonden (mooi weergegeven door Jacobs droom), de ene en enige god van de Abrahamieten.68

Het zijn deze ideeën die, als de context van Jezus’ leven en leringen, geplaatst worden op Plato’s god-ontblote structuur. (Neem er notie van dat het onder de Grieks sprekende Joden buiten Palestina was dat het vroegste Christendom zich verspreidde).69 Yhwh neemt hier de plaats in van het hoogste idee of vorm van het goede. De minder belangrijke kenbare vormen worden gerepresenteerd door de engelen. De zieners van de vorm van het goede, waaraan Plato denkt als ware filosofen (gemetaforiseerd door de ontsnapte gevangene in de grot-allegorie) zijn in het Christendom de profeten. En de gewone, onuitverkoren mensen vervangen via het Christendom hen die door Plato gemetaforiseerd worden als gebonden gevangenen. De uitverkorenen kunnen dan bedacht worden als gevangenen die luisteren naar de woorden van de bevrijde gevangene en ze navolgen. We zien dit alles weerspiegeld in de gedachten van een aantal vroege Christelijke denkers. Als voorbeeld kan Augustinus van Hippo (354-430), een van de meest belangrijke Christelijke denkers, genoemd worden. Want zijn theologie is duidelijk gevormd door de filosofie van de neo-Platonist Plotinus (204/205-270).70

Zoals boven geschetst kon de door Plato god-ontblote structuur van Grieks polytheïsme zeer goed opnieuw bekleed worden met de Joodse religie. Dit zou echter minder waarschijnlijk gebeurd zijn als deze religie niet werd binnengebracht door de leringen van en over Jezus van Nazareth. Dus wat waren deze leringen waarmee Jezus de Judaïstische leringen verrijkte en welke het mogelijk maakte voor zelfs niet-Joden om die laatste te accepteren? Belangrijke leringen van Jezus zijn inderdaad de twee belangrijkste geboden om God lief te hebben en je buurman lief te hebben.71 Echter deze zijn niet het meest belangrijk. De absoluut meest belangrijke lering was dat Jezus de zoon van God was.72 Dit was belangrijk omdat hij niet naar de aarde was gekomen als een god maar als een mens. De zoon van God liep op aarde als een zoon van de mens.73 (‘De zoon van de mens’ is ook een Joodse uitdrukking, de verlosser in de hoedanigheid van een mens uitdrukkend).74 Dat Jezus Christus, als deel van de Heilige Triniteit met de Vader en de Heilige Geest op aarde liep als een mens is belangrijk om twee redenen.

In het licht van deze contemplatie is deze gedachte belangrijk omdat het van belang is voor Christelijke oriëntaties. Vanuit het omarmde Joodse denken is het duidelijk dat de Christelijke oriëntaties in het Westen voornamelijk spiritualistisch zijn geweest. De materiële aarde is geschapen door de spirituele God. Net als in polytheïstische oriëntaties is er in het Christelijke denken een duidelijk onderscheid tussen de aarde en de hemel. Contact met de hemel wordt in het Christendom dan gemedieerd door engelen, profeten, en in latere instantie ook door religieuze specialisten zoals pauzen en priesters. Dat Jezus Christus nu als zoon van God geboren werd als een sterfelijk mens is van grote betekenis, want als zodanig overbrugt hij de kloof tussen de hemel en de aarde. Inderdaad kent het Griekse polytheïsme ook zijn directe interactie tussen mensen en goden. Herakles (of ‘Hercules’) bijvoorbeeld was een halfgod, geboren uit de vereniging van de god Zeus met de stervelinge Alkmene.75 Echter figuren als Herakles in Grieks polytheïstische oriëntaties speelden niet zulk een centrale rol als Jezus in het Christendom waar het contact tussen aarde en hemel betreft. Want in Christelijke oriëntaties kan geen mens de hoogste god bereiken dan door Jezus Christus.76 Een gedachte die nieuw is in vergelijking met Grieks polytheïsme. Tegelijkertijd echter, hoe belangrijk deze gedachte dan ook mag zijn, faalt Jezus om een echt permanente overbrugging te zijn. Want hij ging ook naar de hemel,77 Christenen aldus naar de hemel laten kerend zelfs voor de brug tussen aarde en hemel. Jezus kwam om te overbruggen maar de brug werd opnieuw in de hemel ingetrokken. Dit liet Christenen achter met meer spiritualistische in plaats van meer gebalanceerde oriëntaties.

De andere reden waarom het van belang is dat Jezus op de aarde liep als deel van de Heilige Triniteit is omdat deze gedachte zelf uiteindelijk en ook ironisch de ondergang van de Christelijke oriëntaties in West-Europa zou helpen. Deze ondergang zou echter niet gebeuren voor een veelvoud van eeuwen, want het Christendom is sinds het ingang in het Westen heeft gevonden in zijn algemeenheid buitengewoon dominant geweest. Een aantal verschuivingen echter zou het robuuste gebouw van het Christendom doen scheuren, het ineen doen vallen sinds de 17e eeuw, en veel ervan geruïneerd laten in hedendaagse dagen. Hoe het voorgenoemde denken over Jezus belangrijk is voor deze omkeringen moet duidelijk worden in de komende paragraaf.

Wetenschappelijke Periode

Zoals geëxpliceerd werd aan het einde van de vorige paragraaf zijn er een aantal gebeurtenissen geweest die uiteindelijk een verschuiving weg van Christelijk oriëntaties hebben veroorzaakt. Deze verschuiving zou zijn naar wetenschappelijke oriëntaties, een verschuiving die waarschijnlijk de belangrijkste is geweest in de historie van Westerse spiritualistische en materialistische oriëntaties. De explicatie van deze verschuiving zal opnieuw uitgewerkt worden via de belangrijkste exponenten van de desbetreffende oriëntatie.

Aristoteles
Aristoteles thematiseren met betrekking tot de verschuiving van Christelijke naar wetenschappelijke oriëntaties kan nogal opmerkelijk lijken aangezien Aristoteles meer dan driehonderd jaar voor zelfs Jezus van Nazareth geboorte vond leefde. Want hij leefde tussen 384 en 322 B.C.78 Echter wanneer in beschouwing wordt genomen dat Aristoteles Plato’s leringen over de vormen verwierp79 die zo belangrijk waren voor het Christendom dan kan het dagen dat Aristoteles’ leringen belangrijk waren voor het ondermijnen van Christelijk denken.

Aristoteles kwam de academie van Plato binnen op de leeftijd van achtien en bleef daar tot Plato’s dood.80 Enige tijd later onderwees Aristoteles Alexander de Grote (356-323 B.C.) toen die laatste dertien jaar was81 en later zette hij zijn eigen school op, bekend als ‘het Lyceum’.82 En met deze school bracht Aristoteles zijn eigen filosofische leringen naar voren, onafhankelijk van en zelfs tegengesteld aan die van Plato. Plato’s en Aristoteles’ leringen zijn in zekere zin tegengesteld aan elkaar waar het het verkrijgen van ware kennis betreft. Volgens Plato was het via het kenbare bevatten van de abstracte vormen of ideeën die bestaan in een niet-materiële wereld van vormen dat waarheid gekend werd. Aristoteles echter ging weg van die gedachte en legde zijn nadruk op zintuiglijke waarneming van de omgevende materiële wereld voor het verkrijgen van ware kennis.83 Hierbij veegde Aristoteles niet de gedachte van vormen volledig weg maar hij leerde dat vormen niet bestonden los van particuliere materiële dingen.84 Het was volgens Aristoteles voornamelijk via zintuiglijke waarneming dat kennis van abstracte vormen werd verkregen.85 Met deze gedachte legde Aristoteles, toen alreeds, de fundering waarop de wetenschap in post-Christelijke tijden kon bouwen. Niet voor niets schreef Aristoteles een aantal volumes over het onderwerp van natuurlijke wetenschap (zoals natuurkunde, meteorologie en biologie), voornamelijk gebaseerd op empirische studie.86

Thomas van Aquino (1224/6–1274)87 was de meest beroemde Christelijke filosoof die Aristoteles’ denken toepaste in zijn theologie. Deze gedachte was volledig beschikbaar gekomen in Latijn enkel sinds de start van de dertiende eeuw, eerst via Arabische vertalingen (Arabische filosofen hadden Aristotelische Griekse teksten eerder vertaald) waarna directe Latijnse vertalingen van origineel Griekse teksten volgde.88 Ingebed zijnde in een sterke en krachtige Christelijke context verwierp van Aquino natuurlijk niet God en de hemel. Echter, net als Aristoteles, legde hij een nadruk op zintuiglijke waarneming waar het kennis betreft.89 Aldus ontwaakte na vele eeuwen van Platonisme Aristotelisch empirisme van zijn lange sluimer. Het zaad dat Aristoteles vele eeuwen terug gelegd had wortelde nu in de oriëntaties van de Westerse wereld via denkers als van Aquino. De algemeen dominante Platonistische oriëntaties op een metafysische wereld vonden nu tegenstand in Aristotelisch empirisme welk ook belang gaf (en primair) aan de materiële wereld van zintuiglijke waarneming.

René Descartes
De Franse filosoof René Descartes leefde tussen 1596 en 165090 en wordt gewoonlijk beschouwd als van groot belang voor de ontwikkeling van het Westerse denken.91 Het is gewoonlijk met zijn denken dat de moderne filosofie van de verlichting in Europa zijn begin wordt gegeven.92 Centraal in zijn denken en in de ommekeer van Christelijke naar wetenschappelijke oriëntaties is de waarschijnlijk beroemdste filosofische expressie “ik denk, dus ik ben”, die verschijnt in het werk ‘Discourse de la méthode’ (of in Nederlands: ‘Verhandeling over de Methode’).93 In dit werk is Descartes erop uit om alles te betwijfelen tot hij op een onbetwijfelbaar bewijst stuit.94 En dit bewijs vindt hij uiteindelijk in zichzelf. Hij kan twijfelen, maar hij kan niet twijfelen dat hij twijfelt. Hij twijfelt, hij denkt, en daarom is hij. Zichzelf dus als denkend menselijk subject vindend als eerst bewijs is van groot belang, want daarvoor was de Christelijke God het eerste bewijs geweest. Sinds de tijden van Descartes wordt de eerste waarheid niet langer gevonden in God maar in het menselijk subject. Een gedachte waarvoor Christenen alreeds ontvankelijk waren gemaakt door de theologische doctrines over Jezus, die in zekere zin beschouwd werd God geboren als mens te zijn. Het is deze Cartesiaanse ommekeer naar het menselijk subject dat Nietzsche de dood van God deed proclameren.95, 96

Dit denkende menselijk subject als eerste bewijs beschouwde Descartes nu een spirituele entiteit, een ziel, te zijn.97 Dat hij aldus dacht betekende echter absoluut niet dat Descartes de realiteit van de materiële wereld volledig verwierp. Want Descartes beschouwde het bestaan van twee afgescheiden substanties reëel te zijn. Het fysieke lichaam (res extensa) was net zo reëel als het denken (res cogitans),98 ongeacht zijn beschouwingen van die laatste als zijnde het eerste bewijs. Dit eerste bewijs en de splitsing tussen het spirituele en het materiële werd zelfs in het bijzonder gebruikt door Descartes voor de ondersteuning van zijn theorie van natuurkunde, welk natuurlijke fenomenen volledig reduceerde tot mechanica van lengte, diepte en breedte.99 Door natuurlijke fenomenen op deze manier uit te leggen kon Descartes geen gebruik maken van Aristotelisch empirisme welk spirituele vormen vermengd hield met materiële objecten. Het spirituele moest gescheiden worden van het materiële. Dus hoewel voornamelijk herinnerd vanwege een meer of minder metafysische filosofische uitdrukking waren Descartes’ oriëntaties dominant fysiek en wetenschappelijk.

Dit Cartesiaans dualisme werd beschouwd als problematisch in de moderne tijden die volgden.100 Want hoe kon een spirituele ziel interacteren met een materieel lichaam als beide zo verschillend zijn van elkaar?101 Veel van de moderne filosofie was begaan met het oplossen van dit probleem, en de massa van filosofische polemieken over dit onderwerp in die dagen is enorm. De eenvoudigste manier nu om het probleem op te lossen leek om eenvoudig één van de twee polen weg te strepen. En dit is precies wat uiteindelijk gebeurde. Echter dit werd niet zozeer tot stand gebracht door filosofie maar meer door de wetenschap. Wetenschappelijke uitvindingen hielden de meeste Westerlingen meer in ontzag dan gecompliceerde filosofische polemieken. Het waren de prestaties van de empirische wetenschap die mensen meer en meer naar hun zintuiglijke waarneming deed keren. Niet God’s wonderen maar menselijke uitvindingen werden nu ontvangen als indrukwekkend. Dit was een ontwikkeling die inzette gedurende moderne tijden maar het zou in volle volwassenheid groeien in hedendaagse dagen.

Dus van Aquino’s omarming van Aristotelisch empirisme weekte mensen los van pure spiritualistische oriëntaties. Descartes verwierp God als eerste bewijs en plaatste zijn eerste bewijs in het menselijk subject. Dit spirituele subject scheidde hij af van materie zodat hij zich volledig kon richten op empirische wetenschap zonder geesten (of Aristotelische vormen) als verstrengeld met materiële objecten te beschouwen. Het resulterende probleem van de Cartesiaanse dualiteit werd daarna opgelost door de wetenschap door de spirituele pool weg te strepen en deze te reduceren tot werkingen van materie (bijvoorbeeld door denkprocessen wetenschappelijk te reduceren tot werkingen van een fysiek brein). En aldus vinden we onszelf terug in een Westerse wereld die zeer dominant georiënteerd is op materialistische concepties.

Samenvatting

We gingen er in deze contemplatie op uit om een kleine schets van de historie van Westerse spiritualistische en materialistische oriëntaties te tekenen. Na enkele verhelderingen gegeven te hebben over spiritualisme, materialisme, het Westen, historie en prehistorie werd een onderscheid gemaakt tussen de paganistische, de Christelijke en de wetenschappelijke periodes.

In de paganistische periode begonnen we met het schetsen van animisme, een prehistorische oriëntatie waarin materialisme en spiritualisme min of meer gebalanceerd zijn, met een lichte nadruk op die laatste. Deze oriëntaties zijn in zekere zin gebalanceerd door de materiële natuur te zien als een expressie van spirituele wezens. In polytheïstische tijden vond een schisma plaats tussen de materiële omgeving en de geesten. Die laatste werden geplaatst als goden in hemelen, los van de aardse menselijke leefomgeving. Omdat de nadruk werd gelegd op de goden als de menselijke materiële wereld beheersend werden deze polytheïstische oriëntaties beschouwd als zijnde hoog spiritualistisch.

De Christelijke periode werd geschetst als zijnde beïnvloed door Plato, Judaïsme en Jezus van Nazareth. Plato had de Westerse polytheïstisch structuur ontbloot van zijn goden. Dit bracht het Christendom ertoe in staat om de ontblote structuur opnieuw in te kleden met Joodse figuren die werden binnengebracht door zijn profeet Jezus. Dat Jezus naar zijn hemelse vader ging in plaats van op aarde te blijven betekende dat hij faalde om een constante brug tussen materie en geest te zijn. Want nu moesten Christenen zich nog steeds naar de hemel keren voor verlossing. Dit maakte de Christelijke periode hoog spiritualistisch.

Als belangrijkste invloeden op de wetenschappelijke periode werden Aristoteles en René Descartes genoemd. Aristoteles trotseerde de Platonistische structuur alreeds in pre-Christelijke tijden, maar zijn nadruk op zintuiglijke waarneming werd veel later binnengebracht door Thomas van Aquino gedurende de Christelijke periode. Jezus, door te worden weergegeven als God in een menselijke vorm, had Christenen alreeds ontvankelijk gemaakt om hun aandacht te richten naar het menselijk subject. Iets wat uiteindelijk radicaal zou gebeuren sinds Descartes’ explicatie van het menselijk subject als eerste bewijs. Het probleem van de resulterende Cartesiaanse dualiteit werd opgelost door de empirische wetenschap door de spirituele pool weg te strepen, ons aldus achterlatend in hedendaagse dagen met hoog materialistische oriëntaties.

Noten
  1. Oxford English Dictionary, Second Edition on CD-ROM (v. 4.0), Oxford University Press, 2009, under ‘materialism’.
  2. Keith Campbell, ‘Materialism’, in: Donald M. Borchert (editor), Encyclopedia of Philosophy, Volume 6, Thomson Gale, Detroit / et alibi, 2006, p.5.
  3. Nicholas Bunnin and Jiyuan Yu, The Blackwell Dictionary of Western Philosophy, Blackwell Publishing, Malden / Oxford / Calrton, 2004, p. 414.
  4. Ted Honderich (editor), The Oxford Companion to Philosophy, Oxford University Press, New York, 1995, p. 530.
  5. George J. Stack, ‘Materialism’, in: Edward Craig (general editor), Routledge Encyclopedia of Philosophy, (CD-ROM), Version 1.0, Routledge, 1998.
  6. The Blackwell Dictionary of Western Philosophy, p. 655.
  7. Oxford English Dictionary, under ‘spiritualism’, 2. a.
  8. The Blackwell Dictionary of Western Philosophy, p. 58, 59.
  9. The American Standard Old Testament, (software), Version 1.0, Ages Software, Albany, 1996, Genesis, Ch. 1, v. 1. “In the beginning God created the heavens and the earth.”
  10. Oxford English Dictionary, under ‘occident’, 2.
  11. Oxford Latin Dictionary, Oxford University Press, London, 1968, p. 1232.
  12. John Ayto, Word Origins, The Hidden Histories of English Words from A to Z, A & C Black, London, 2005, p. 545.
  13. Ibidem, p. 271.
  14. Oxford English Dictionary, under ‘history’.
  15. Ibidem.
  16. Oxford Latin Dictionary, p. 1282.
  17. Word Origins, p. 363.
  18. Robert S. Ellwood and Gregory D. Alles (editors), The Encyclopedia of World Religions, Facts On File, New York, 2007, p. 350.
  19. Margaret Stutley, Shamanism, An Introduction, Routledge, London / New York, 2003, p. 2.
  20. Ibidem, p. 28 ff.
  21. Ibidem, p. 49 ff.
  22. Oxford Latin Dictionary, p. 134.
  23. Henry George Liddell and Robert Scott, A Greek-English Lexicon, Oxford University Press, Oxford / New York, 1996, p. 132.
  24. Monier Williams, A Sanskrit-English Dictionary, Etymologically and Philologically Arranged, With Special Reference to Greek, Latin, Gothic, German, Anglo-Saxon, and Other Cognate Indo-European Languages, The Clarendon Press, Oxford, undated, p. 121.
  25. Word Origins, p. 472.
  26. Encyclopædia Britannica Ultimate Reference Suite, (CD-ROM), Encyclopædia Britannica, Chicago, 2010, under ‘Polytheism’, under ‘Forms of polytheistic powers, gods, and demons’, under ‘Natural forces and objects’.
  27. Oxford English Dictionary, under ‘polytheism’.
  28. Robin Hard, The Routledge Handbook of Greek Mythology, Routledge, London / New York, 2004, p. 204.
  29. Mark P. O. Morford and Robert J. Lenardon, Classical Mythology, Longman, New York / London, 1985, p. 465.
  30. G. H. Bianchi (editor), The Mythology of Greece and Rome, With Special Reference to Its Use in Art, Chapman and Hall, London, undated, p. 13 ff.
  31. Classical Mythology, p. 82, 83.
  32. Michael Jordan, Dictionary of Gods and Goddesses, Facts On File, New York, 2004, p. 6, under ‘Aesir’.
  33. Visitor, in: Plato, ‘Statesman’, C. J. Rowe (translator), in: Complete Works, John M. Cooper and D. S. Hutchinson (editors), Hackett Publishing Company, Indianapolis / Cambridge, 1997, p. 334, sec. 290c, d. “And then too the class of priests, in its turn, has –as custom tells us– expert knowledge about the giving through sacrifices of gifts from us to the gods which are pleasing to them, and about asking from them through prayers for the acquisition of good things for us.”
  34. Classical Mythology, p. 99.
  35. Manfred Lurker, The Routledge Dictionary of Gods and Goddesses, Devils and Demons, Routledge, London / New York, 2005, p. 120.
  36. Ibidem, p. 167.
  37. Ibidem, p. 191.
  38. Dictionary of Gods and Goddesses, p. 339.
  39. The Routledge Dictionary of Gods and Goddesses, Devils and Demons, p. 200.
  40. Encyclopædia Britannica Ultimate Reference Suite, under ‘Zeus (Greek God)’.
  41. Ibidem, under ‘Jupiter (Roman God)’.
  42. UXL Encyclopedia of World Mythology, Volumes 1-5, (e-book), Gale, Cengage Learning, Detroit / et alibi, 2009, p. 769.
  43. Classical Mythology, p. 86.
  44. Matthew Bunson, Encyclopedia of the Roman Empire, Facts On File, New York, 2002, p. 142.
  45. W. H. C. Frend, ‘Persecutions: genesis and legacy’, in: Margaret M. Mitchell and Frances M. Young (editors), The Cambridge History of Christianity, Volume 1, Origins to Constantine, Cambridge University Press, Cambridge / New York / et alibi, 2006, p. 503.
  46. Lesley Abrams, ‘Germanic Christianities’, in: Thomas F. X. Noble and Julia M. H. Smith (editors), The Cambridge History Of Christianity, Volume 3, Early Medieval Christianities c. 600–c. 1100, Cambridge University Press, Cambridge / New York / et alibi, 2008, p. 110.
  47. Katherine Holman, Historical Dictionary of the Vikings, The Scarecrow Press, Lanham / Oxford, 2003, p. 3.
  48. Friedrich Nietzsche, ‘Jenseits von Gut und Böse, Vorspiel einer Philosophie der Zukunft’, in: Digitale Bibliothek, Band 2, Philosophie, von Platon bis Nietzsche, (CD-ROM), Directmedia, Berlin, 1998, Vorrede, translated. “[…] – for Christianity is Platonism for the „people“ – […].“
  49. Robert W. Hall, Geraint Parry (general editor), Political Thinkers, Volume IX, Plato, Routledge, London / New York, 2005, p. 1, 2.
  50. Richard Kraut, ‘Introduction to the Study of Plato’, in: Richard Kraut (editor), The Cambridge Companion to Plato, Cambridge University Press, Cambridge / New York / et alibi, 1999, p. 1.
  51. Thomas C. Brickhouse and Nicholas D. Smith, Routledge Philosophy Guidebook to, Plato and the Trial of Socrates, Routledge, New York / London, 2004, p. 1.
  52. ‘Introduction to the Study of Plato’, p. 3.
  53. Ibidem.
  54. Michael L. Morgan, ‘Plato and Greek Religion’, in: Richard Kraut (editor), The Cambridge Companion to Plato, Cambridge University Press, Cambridge / New York / et alibi, 1999, p. 227.
  55. Ibidem, p. 244.
  56. Plato, ‘Republic’, G. M. A. Grube (translator) and C. D. C. Reeve (reviser), in: Complete Works, John M. Cooper and D. S. Hutchinson (editors), Hackett Publishing Company, Indianapolis / Cambridge, 1997, p. 1132 ff., sec. 514 ff.
  57. Nicholas P. White, ‘Plato’s Metaphysical Epistemology’, in: Richard Kraut (editor), The Cambridge Companion to Plato, Cambridge University Press, Cambridge / New York / et alibi, 1999, p. 295.
  58. Socrates, quoted by Phaedo, in: Plato, ‘Phaedo’, G. M. A. Grube (translator), in: Complete Works, John M. Cooper and D. S. Hutchinson (editors), Hackett Publishing Company, Indianapolis / Cambridge, 1997, p. 86, sec. 100e. “This is the safe answer for me or anyone else to give, namely, that it is through Beauty that beautiful things are made beautiful.”
  59. Craig A. Evans, ‘Context, family and formation’, in: Markus Bockmuehl (editor), The Cambridge Companion to Jesus, Cambridge University Press, Cambridge / New York / Melbourne, 2003, p. 13, 14.
  60. The American Standard New Testament, (software), Version 1.0, Ages Software, Albany, 1996, Luke, Ch. 3, v. 23. “And Jesus himself, when he began to teach, was about thirty years of age, […].”
  61. Mark Humphries, Early Christianity, Routledge, London / New York, 2006, p. 67.
  62. Peter J. Tomson, ‘Jesus and his Judaism’, in: Markus Bockmuehl (editor), The Cambridge Companion to Jesus, Cambridge University Press, Cambridge / New York / Melbourne, 2003, p. 25.
  63. Michael Coogan, The Old Testament, A Very Short Introduction, Oxford University Press, Oxford / et alibi, 2008, p. 4 ff.
  64. The American Standard Old Testament, (software), Version 1.0, Ages Software, Albany, 1996, Genesis, Ch. 17, v. 7-14.
  65. The Old Testament, A Very Short Introduction, p. 14.
  66. Ibidem, p. 74.
  67. The American Standard Old Testament, Exodus, Ch. 20.
  68. Ibidem, Genesis, Ch. 28, v. 12-13. “And he [Jacob] dreamed. And behold, a ladder set up on the earth, and the top of it reached to heaven. And behold, the angels of God ascending and descending on it. And, behold, Jehovah stood above it, and said, I am Jehovah, the God of Abraham thy father, and the God of Isaac.”
  69. Margaret M. Mitchell and Frances M. Young (editors), The Cambridge History of Christianity, Volume 1, Origins to Constantine, Cambridge University Press, Cambridge / New York / et alibi, 2006, p. xiv.
  70. Karl Jaspers, Plato and Augustine, Hannah Arendt (editor) Ralph Manheim (translator), Harcourt, Brace & World, Inc., New York, 1962, p. 69. “Augustine took over the philosophy of Plotinus. With a few changes, he thought, it would be Christian.”
  71. The American Standard New Testament, Mark, Ch. 12, v. 28-30. “And one of the scribes came, and heard them questioning together, and knowing that he had answered them well, asked him, What commandment is the first of all? Jesus answered, The first is, Hear, O Israel; The Lord our God, the Lord is one: and thou shalt love the Lord thy God with all thy heart, and with all thy soul, and with all thy mind, and with all thy strength. The second is this, Thou shalt love thy neighbor as thyself. There is none other commandment greater than these.”
  72. Ibidem, Mathew, Ch. 14, v. 33. “And they that were in the boat worshipped him, saying, Of a truth thou art the Son of God.”
  73. Ibidem, Mark, Ch. 14, v. 61, 62. “Again the high priest asked him, and saith unto him, Art thou the Christ, the Son of the Blessed? And Jesus said, I am: and ye shall see the Son of man sitting at the right hand of Power, and coming with the clouds of heaven.”
  74. ‘Jesus and his Judaism’, p. 29.
  75. David Sacks, Encyclopedia of the Ancient Greek World, Facts on File, New York, 2005, p. 152.
  76. The American Standard New Testament, John, Ch. 14, v. 6. “Jesus saith unto him [Thomas], I am the way, and the truth, and the life: no one cometh unto the Father, but by me.”
  77. Ibidem, Acts, Ch. 1, v. 11. “And while they were looking stedfastly into heaven as he went, behold, two men stood by them in white apparel; who also said, Ye men of Galilee, why stand ye looking into heaven? this Jesus, who was received up from you into heaven shall so come in like manner as ye beheld him going into heaven.”
  78. Stephen Menn, ‘Aristotle’, in: Donald M. Borchard (editor), Encyclopedia of Philosophy, Volume 1, Thomson Gale, Detroit / et alibi, 2006, p. 263.
  79. Aristotle, ‘Metaphysica’, in: The Works of Aristotle, Volume VIII, W. D. Ross (editor), Oxford University Press, London / et alibi, 1928, Book Z, Ch. 10, sec. 1036b, 20. “And so to reduce all things thus to Forms and to eliminate the matter is useless labour; for some things surely are a particular form in a particular matter, or particular things in a particular state.”
  80. Sir David Ross, Aristotle, Routledge, London / New York, 1995, p. 1.
  81. Ibidem, p. 3, 4.
  82. T. H. Irwin, ‘Aristotle’, in: Edward Craig (general editor), Routledge Encyclopedia of Philosophy, (CD-ROM), Version 1.0, Routledge, 1998, under ‘1 life’.
  83. Jonathan Barnes, ‘Life and Work’, in: Jonathan Barnes (editor), The Cambridge Companion to Aristotle, Cambridge University Press, Cambridge / New York / Oakleigh, 1999, p. 16.
  84. Aristotle, p. 165, 166.
  85. Aristotle, ‘De Anima’, J. A. Smith (translator), in: The Works of Aristotle, Volume III, W. D. Ross (editor), Oxford University Press, London / et alibi, 1931, Book III, Ch. 8, sec. 432a, 1. “Since according to common agreement there is nothing outside and separate in existence from sensible spatial magnitudes, the objects of thought are in the sensible forms, viz. both the abstract objects and all the states and affections of sensible things.”
  86. ‘Life and Work’, p. 25.
  87. Eleonore Stump, Aquinas, Routledge, London / New York, 2003.
  88. ‘Aristotle’, p. 279.
  89. Vernon J. Bourke, ‘Thomas Aquinas, St.’, in: Donald M. Borchard (editor), Encyclopedia of Philosophy, Volume 9, Thomson Gale, Detroit / et alibi, 2006, p. 426.
  90. Edwin Curley, ‘Descartes, René’, in: Donald M. Borchard (editor), Encyclopedia of Philosophy, Volume 2, Thomson Gale, Detroit / et alibi, 2006, p. 720.
  91. Barry Stroud, ‘Our Dept to Descartes’, in: Janet Broughton and John Carriero, A Companion to Descartes, Blackwell Publishing, Malden / Oxford / Carlton, 2008, p. 513.
  92. Roger Scruton, A Short History of Modern Philosophy, From Descartes to Wittgenstein, Routledge, London / New York, 2002, p. 27.
  93. René Descartes, ‘Discourse on the Method of Rightly Conducting the Reason, and Seeking Truth in the Sciences’, in: Discourse on the Method and the Meditations, John Veitch (translator), Cosimo, New York, 2008, Part Four, p. 30. “But immediately upon this I observed that, whilst I thus wished to think that all was false, it was absolutely necessary that I, who thus thought, should be somewhat, and as I observed that this truth, I think, hence I am, was so certain and of such evidence, that no ground of doubt, however extravagant, could be alleged by the skeptics capable of shaking it, I concluded that I might, without scruple, accept it as the first principle of the philosophy of which I was in search.”
  94. René Descartes in: Ibidem, Part Two, p. 21. “The first was never to accept anything for true which I did not clearly know to be such; that is to say, carefully to avoid precipitancy and prejudice, and to comprise nothing more in my judgment than what was presented to my mind so clearly and distinctly as to exclude all ground of doubt.”
  95. Friedrich Nietzsche, ‘Die fröhliche Wissenschaft’, in: Digitale Bibliothek, Band 2, Philosophie, von Platon bis Nietzsche, (CD-ROM), Directmedia, Berlin, 1998, Drittes Buch, §125 Der tolle Mensch, translated. “God is dead! God stays dead! And we have killed him!”
  96. Friedrich Nietzsche, ‘Also sprach Zarathustra’, in: Digitale Bibliothek, Band 2, Philosophie, von Platon bis Nietzsche, (CD-ROM), Directmedia, Berlin, 1998, Die Reden Zarathustras, Von der schenkenden Tugend, §3, translated. “»Dead are all gods: now we want, that the overman lives« […].”
  97. John Cottingham, ‘Cartesian dualism: theology, metaphysics, and science’, in: John Cottingham (editor), The Cambridge Companion to Descartes, Cambridge University Press, Cambridge / New York / et alibi, 2005, p. 236.
  98. John Cottingham, ‘The Mind-Body Relation’, in: Stephan Gaukroger (editor), The Blackwell Guide to Descartes’ Meditations, Blackwell Publishing, Malden / Oxford / Carlton, 2006, p. 186.
  99. Tom Sorell, Descartes, A Very Short Introduction, Oxford University Press, Oxford / et alibi, 2000, p. 1, 3.
  100. Anthony Kenny, The Rise of Modern Philosophy, Oxford University Press, Oxford / et alibi, 2006, p. xiii.
  101. René Descartes, ‘Discourse on the Method of Rightly Conducting the Reason, and Seeking Truth in the Sciences’, Part Four, p. 31. “[…]; I thence concluded that I was a substance whose whole essence or nature consists only in thinking, and which, that it may exist, has need of no place, nor is dependent on any material thing; so that “I,” that is to say, the mind by which I am what I am, is wholly distinct from the body, and is even more easily known than the latter, and is such, that although the latter were not, it would still continue to be all that it is.”
Bibliografie
  • Lesley Abrams, ‘Germanic Christianities’, in: Thomas F. X. Noble and Julia M. H. Smith (editors), The Cambridge History Of Christianity, Volume 3, Early Medieval Christianities c. 600–c. 1100, Cambridge University Press, Cambridge / New York / et alibi, 2008.
  • Aristotle, ‘De Anima’, J. A. Smith (translator), in: The Works of Aristotle, Volume III, W. D. Ross (editor), Oxford University Press, London / New York / et alibi, 1931.
  • Aristotle, ‘Metaphysica’, in: The Works of Aristotle, Volume VIII, W. D. Ross (editor), Oxford University Press, London / New York / et alibi, 1928.
  • John Ayto, Word Origins, The Hidden Histories of English Words from A to Z, A & C Black, London, 2005.
  • Jonathan Barnes, ‘Life and Work’, in: Jonathan Barnes (editor), The Cambridge Companion to Aristotle, Cambridge University Press, Cambridge / New York / Oakleigh, 1999.
  • G. H. Bianchi (editor), The Mythology of Greece and Rome, With Special Reference to Its Use in Art, Chapman and Hall, London, undated.
  • Vernon J. Bourke, ‘Thomas Aquinas, St.’, in: Donald M. Borchard (editor), Encyclopedia of Philosophy, Volume 9, Thomson Gale, Detroit / et alibi, 2006.
  • Thomas C. Brickhouse and Nicholas D. Smith, Routledge Philosophy Guidebook to, Plato and the Trial of Socrates, Routledge, New York / London, 2004.
  • Nicholas Bunnin and Jiyuan Yu, The Blackwell Dictionary of Western Philosophy, Blackwell Publishing, Malden / Oxford / Calrton, 2004.
  • Matthew Bunson, Encyclopedia of the Roman Empire, Facts On File, New York, 2002.
  • Keith Campbell, ‘Materialism’, in: Donald M. Borchert (editor), Encyclopedia of Philosophy, Volume 6, Thomson Gale, Detroit / et alibi, 2006.
  • Michael Coogan, The Old Testament, A Very Short Introduction, Oxford University Press, London / New York / et alibi, 2008.
  • John Cottingham, ‘Cartesian dualism: theology, metaphysics, and science’, in: John Cottingham (editor), The Cambridge Companion to Descartes, Cambridge University Press, Cambridge / New York / et alibi, 2005.
  • John Cottingham, ‘The Mind-Body Relation’, in: Stephan Gaukroger (editor), The Blackwell Guide to Descartes’ Meditations, Blackwell Publishing, Malden / Oxford / Carlton, 2006.
  • Edwin Curley, ‘Descartes, René’, in: Donald M. Borchard (editor), Encyclopedia of Philosophy, Volume 2, Thomson Gale, Detroit / et alibi, 2006.
  • René Descartes, ‘Discourse on the Method of Rightly Conducting the Reason, and Seeking Truth in the Sciences’, in: Discourse on the Method and the Meditations, John Veitch (translator), Cosimo, New York, 2008.
  • Robert S. Ellwood and Gregory D. Alles (editors), The Encyclopedia of World Religions, Facts On File, New York, 2007.
  • Craig A. Evans, ‘Context, family and formation’, in: Markus Bockmuehl (editor), The Cambridge Companion to Jesus, Cambridge University Press, Cambridge / New York / Melbourne, 2003.
  • W. H. C. Frend, ‘Persecutions: genesis and legacy’, in: Margaret M. Mitchell and Frances M. Young (editors), The Cambridge History of Christianity, Volume 1, Origins to Constantine, Cambridge University Press, Cambridge / New York / et alibi, 2006.
  • Robert W. Hall, Geraint Parry (general editor), Political Thinkers, Volume IX, Plato, Routledge, London / New York, 2005.
  • Robin Hard, The Routledge Handbook of Greek Mythology, Routledge, London / New York, 2004.
  • Katherine Holman, Historical Dictionary of the Vikings, The Scarecrow Press, Lanham / Oxford, 2003.
  • Ted Honderich (editor), The Oxford Companion to Philosophy, Oxford University Press, New York, 1995.
  • Mark Humphries, Early Christianity, Routledge, London / New York, 2006.
  • Karl Jaspers, Plato and Augustine, Hannah Arendt (editor) Ralph Manheim (translator), Harcourt, Brace & World, Inc., New York, 1962.
  • T. H. Irwin, ‘Aristotle’, in: Edward Craig (general editor), Routledge Encyclopedia of Philosophy, (CD-ROM), Version 1.0, Routledge, 1998.
  • Michael Jordan, Dictionary of Gods and Goddesses, Facts On File, New York, 2004.
  • Anthony Kenny, The Rise of Modern Philosophy, Oxford University Press, Oxford / New York / et alibi, 2006.
  • Richard Kraut, ‘Introduction to the Study of Plato’, in: Richard Kraut (editor), The Cambridge Companion to Plato, Cambridge University Press, Cambridge, 1999.
  • Henry George Liddell and Robert Scott, A Greek-English Lexicon, Oxford University Press, Oxford / New York, 1996.
  • Stephen Menn, ‘Aristotle’, in: Donald M. Borchard (editor), Encyclopedia of Philosophy, Volume 1, Thomson Gale, Detroit / et alibi, 2006.
  • Margaret M. Mitchell and Frances M. Young (editors), The Cambridge History of Christianity, Volume 1, Origins to Constantine, Cambridge University Press, Cambridge / New York / et alibi, 2006.
  • Mark P. O. Morford and Robert J. Lenardon, Classical Mythology, Longman, New York / London, 1985.
  • Michael L. Morgan, ‘Plato and Greek Religion’, in: Richard Kraut (editor), The Cambridge Companion to Plato, Cambridge University Press, Cambridge / New York / et alibi, 1999.
  • Friedrich Nietzsche, ‘Also sprach Zarathustra’, in: Digitale Bibliothek, Band 2, Philosophie, von Platon bis Nietzsche, (CD-ROM), Directmedia, Berlin, 1998.
  • Friedrich Nietzsche, ‘Die fröhliche Wissenschaft’, in: Digitale Bibliothek, Band 2, Philosophie, von Platon bis Nietzsche, (CD-ROM), Directmedia, Berlin, 1998.
  • Friedrich Nietzsche, ‘Jenseits von Gut und Böse, Vorspiel einer Philosophie der Zukunft’, in: Digitale Bibliothek, Band 2, Philosophie, von Platon bis Nietzsche, (CD-ROM), Directmedia, Berlin, 1998.
  • Plato, ‘Phaedo’, G. M. A. Grube (translator), in: Complete Works, John M. Cooper and D. S. Hutchinson (editors), Hackett Publishing Company, Indianapolis / Cambridge, 1997.
  • Plato, ‘Republic’, G. M. A. Grube (translator) and C. D. C. Reeve (reviser), in: Complete Works, John M. Cooper and D. S. Hutchinson (editors), Hackett Publishing Company, Indianapolis / Cambridge, 1997.
  • Plato, ‘Statesman’, C. J. Rowe (translator), in: Complete Works, John M. Cooper and D. S. Hutchinson (editors), Hackett Publishing Company, Indianapolis / Cambridge, 1997.
  • Sir David Ross, Aristotle, Routledge, London / New York, 1995.
  • David Sacks, Encyclopedia of the Ancient Greek World, Facts on File, New York, 2005.
  • Roger Scruton, A Short History of Modern Philosophy, From Descartes to Wittgenstein, Routledge, London / New York, 2002.
  • Tom Sorell, Descartes, A Very Short Introduction, Oxford University Press, Oxford / New York / et alibi, 2000.
  • George J. Stack, ‘Materialism’, in: Edward Craig (general editor), Routledge Encyclopedia of Philosophy, (CD-ROM), Version 1.0, Routledge, 1998.
  • Barry Stroud, ‘Our Dept to Descartes’, in: Janet Broughton and John Carriero, A Companion to Descartes, Blackwell Publishing, Malden / Oxford / Carlton, 2008.
  • Eleonore Stump, Aquinas, Routledge, London / New York, 2003.
  • Margaret Stutley, Shamanism, An Introduction, Routledge, London / New York, 2003.
  • Peter J. Tomson, ‘Jesus and his Judaism’, in: Markus Bockmuehl (editor), The Cambridge Companion to Jesus, Cambridge University Press, Cambridge / New York / Melbourne, 2003.
  • Nicholas P. White, ‘Plato’s Metaphysical Epistemology’, in: Richard Kraut (editor), The Cambridge Companion to Plato, Cambridge University Press, Cambridge / New York / et alibi, 1999.
  • Monier Williams, A Sanskrit-English Dictionary, Etymologically and Philologically Arranged, With Special Reference to Greek, Latin, Gothic, German, Anglo-Saxon, and Other Cognate Indo-European Languages, The Clarendon Press, Oxford, undated.
  • The American Standard New Testament, (software), Version 1.0, Ages Software, Albany, 1996.
  • The American Standard Old Testament, (software), Version 1.0, Ages Software, Albany, 1996.
  • Encyclopædia Britannica Ultimate Reference Suite, (CD-ROM), Encyclopædia Britannica, Chicago, 2010.
  • Oxford English Dictionary, Second Edition on CD-ROM (v. 4.0), Oxford University Press, 2009.
  • Oxford Latin Dictionary, Oxford University Press, London, 1968.
  • UXL Encyclopedia of World Mythology, Volumes 1-5, (e-book), Gale, Cengage Learning, Detroit / et alibi, 2009.