ARVINDUS

Contemplationam

Een Antwoord op de 'de Kip of het Ei' vraag

EEN ANTWOORD OP DE 'DE KIP OF HET EI' VRAAG

Introductie

De ‘De kip of het ei’ vraag vraagt wat er eerst kwam of was, de kip of het ei. Het is een metaforische vraag die toegepast wordt wanneer de causale relaties van twee gegevens in een schijnbaar oneindige opeenvolging bevraagd worden. In deze contemplatie zullen we dieper ingaan op de expressie van de metafoor zelf, zonder zijn mogelijke toepassingen te beschouwen. Het moet dus in het oog gehouden worden dat onze bevindingen en conclusies validiteit kunnen missen voor datgene waarop deze metafoor toegepast kan worden.

De ‘de kip of het ei’ vraag kan nu geformuleerd worden op twee manieren. De eerste formulering vraagt; (1) ‘wat kwam eerst, de kip of het ei?’, en de tweede formulering vraagt; (2) ‘wat was eerst, de kip of het ei?’. Het onderscheid tussen deze twee formuleringen is zeer belangrijk zoals we zullen zien. Dit belang kan naar voren worden gebracht door enkele van de, voor deze contemplatie belangrijke, presupposities die deze formuleringen bevatten te expliceren. Van daaruit kan het contempleren naar een antwoord voortgezet worden. In deze voortzetting echter zal niets beslist worden over de validiteit van de vraag zoals deze geformuleerd wordt met zijn bevatte presupposities. De vraag wordt benaderd alsof het een valide vraag is, en in belang van de contemplatie worden ook de presupposities geaccepteerd. Met dit opgemerkt kan een start gemaakt worden met het naar voren brengen van de desbetreffende presupposities.

Formulering (1)

Laten we starten met de presupposities van formulering (1). De eerste presuppositie hier is een impliciete, wat betekent dat deze niet gededuceerd kan worden van de formulering zelf (welk het geval is met expliciete presupposities), maar dat hij afgeleid moet worden van de context waarin de formulering wordt gebruikt. En deze eerstgenoemde impliciete presuppositie zegt dat; (3) ‘’ei’ refereert aan kippeneieren’. Dit lijkt voor de hand liggend maar moet niettemin geëxpliceerd worden. De ‘de kip of het ei’ vraag gaat niet over kippen en eendeneieren, krokodilleneieren, miereneieren of chocolade Paaseieren, maar over kippen en kippeneieren. Deze presuppositie zal geëxpliceerd worden in de rest van deze contemplatie door ‘kippenei’ in plaats van ‘ei’ te gebruiken. Een andere impliciete presuppositie zegt; (4) ‘normaliter komen kippen voort uit kippeneieren, en kippeneieren van kippen’. Deze presuppositie is empirisch acceptabel. Want normaliter zullen empirische observaties leiden tot de conclusie dat kippen voortkomen uit kippeneieren en kippeneieren uit kippen. Echter aangezien empirische observaties alleen kunnen indiceren zal er altijd een logische mogelijkheid zijn voor abnormale observaties. Daarom moet de term ‘normaliter’ toegepast worden in plaats van het logisch solide ‘noodzakelijk’. Een andere presuppositie, een waarop de term ‘noodzakelijk’ toegepast kan worden, is een expliciete en dus een die gededuceerd kan worden van de formulering. Deze presuppositie zegt; (5) ‘zowel kippen als kippeneieren komen ergens uit voort’. Deze expliciete presuppositie wordt binnengehaald met het woord ‘kwam’. Want alles dat kwam, kwam voort van elders of uit iets anders. Dit zonder uitzondering en daarom; ‘noodzakelijk’. En ten laatste is een andere expliciete presuppositie belangrijk om te noemen. Deze presuppositie zegt; (6) ‘onder kippen en kippeneieren is er een eerste’. Deze presuppositie wordt natuurlijk binnengebracht met het woord ‘eerst’. Wanneer gevraagd wordt ‘wat kwam eerst, […]?’ wordt geïmpliceerd dat er een eerste is. Maar deze presuppositie (6) lijkt te conflicteren met presuppositie (5). Want als kippen en kippeneieren noodzakelijk ergens uit voortkomen is het dan niet onmogelijk dat er onder deze een eerste is? (Want als de kip voortkwam uit een kippenei, en het kippenei uit een kip, dan kan geen beide de eerste zijn). Het antwoord op die redelijke vraag is dat er één manier is waarop dit niet onmogelijk is, namelijk wanneer een derde gegeven in het spel wordt gebracht. Dit gegeven moet dan noch een kip noch een kippenei zijn, en moet tegelijkertijd de bron van de eerste kip of het kippenei zijn. Dan kunnen de kip en het kippenei verondersteld worden noodzakelijk ergens uit voort te komen en onder elkaar nog steeds de eerste zijn. Voorbeelden van zulk een denken kan gevonden worden in Abrahamistische en Dwarinistische benaderingen van de vraag.

Abrahamieten zoals Joden, Christenen en Moslims hoeven slechts Genesis te citeren om tot hun conclusies te komen. Want God schiep iedere gevleugelde vogel, en hij schiep duidelijk niet ieder geschaald vogelei.1 Dus Abrahamieten zullen hun oplossing vinden in God die de kip alvorens het ei schept, want zij accepteren de autoriteit van Genesis. Deze oplossing is hier echter niet acceptabel omdat enkel geschriften nooit geaccepteerd kunnen worden als absolute autoriteit in contemplatief denken.

Als hedendaags alternatief voor Genesis wordt gewoonlijk Darwinisme naar voren gebracht. In Darwinisme zal de kip als een soort geacht worden zichzelf te verliezen in een eerdere soort, welke we voor het gemak hier ‘pre-kip’ zullen noemen. Darwinisten nu kunnen zulk een soort poneren als de bron van kippen en kippeneieren, echter daarmee kan niet gededuceerd worden of de kip of het kippenei eerst kwam. Het kan niet bepaald worden of de pre-kip een kippenei legde of dat uit het pre-kippenei een kip kwam. En dus kan hier ook de Darwinistische manier niet omarmd worden. Want deze leidt niet naar een heldere en klinkende conclusie.

En dit schetst in principe het probleem van acceptatie van een derde gegeven en aldus het probleem van het volgen van formulering (1). Een derde gegeven moet geaccepteerd worden om deze formulering ervan te weerhouden contradictoir in zichzelf te zijn, maar tegelijkertijd kan de acceptatie van zulk een derde gegeven op zichzelf niet leiden tot conclusies over of de kip of het kippenei eerst kwam.

Formulering (2)

Het verhaal van formulering (2) (‘wat was eerst, de kip of het ei?’) is anders. Deze formulering deelt de presupposities (3), (4) en (6) met formulering (1). Echter omdat het woord ‘was’ wordt gebruikt in plaats van ‘kwam’ kan het presuppositie (5) niet bevatten. Dit woord ‘was’ laat de mogelijkheid open voor kippen om voort te komen uit kippeneieren, en kippeneieren uit kippen, en dit wordt zelfs verondersteld normaal te zijn volgens presuppositie (4), echter het stelt een ergens uit voortkomen niet als een noodzakelijkheid omdat presuppositie (5) niet bevat wordt. Op deze manier bedreigen geen conflict en contradictie met presuppositie (6) de formulering, en dus is er geen nood om een derde gegeven te poneren. Met formulering (2) kan de oplossing gezocht worden binnen de twee gegevens van de kip en het kippenei. Laten we vanaf hier verder gaan met onze contemplatie.

De vraag voorstellend volgens formulering (2) komen we normaliter tot het volgende beeld. Een kippenei komt voort uit een kip, welk op haar beurt voort komt uit een kippenei, welk opnieuw voort komt uit een kip, en zo verder tot de eerste is bereikt. Het kan niet gesteld worden binnen de vraag die gevraagd wordt dat de opeenvolging van oorzaken eindeloos doorgaat zonder een eerste te bereiken, want dat wordt verboden door de expliciete presuppositie (6) die het bestaan van een eerste poneert. Daarom gaat de opeenvolging van oorzaken door tot een eerste is bereikt. Deze eerste echter kan niet zelf veroorzaakt zijn door een ander, want dan zou het niet een eerste zijn en zou de opeenvolging eenvoudigweg doorgaan. En zoals boven getoond kunnen we ook geen derde gegeven poneren als een oorzaak van deze eerste, want dat leidt niet tot conclusies als geen externe autoriteit wordt geaccepteerd (welk niet de manier is van contemplatief denken). Dus deze eerste is ofwel een kip ofwel een kippenei, maar dan een die niet veroorzaakt is door een ander. Het is de oorzaakloze oorzaak van de hele keten van kippen en kippeneieren. Als ongeschapen moet deze eerste buiten de tijd staan. Want alles in de tijd is geschapen, bestaat voor een tijd, en houdt dan op te bestaan. Dus iets wat niet geschapen is kan niet in de tijd staan maar moet buiten de tijd zijn. En buiten de tijd staand moet de eerste ongeschapene niet alleen niet veroorzaakt en ongeschapen zijn, maar ook oneindig. De eerste moet eeuwig zijn, of het nu een kip of een kippenei is. En hier naderen we een antwoord op de vraag. Want een kippenei veroorzaakt een kip door zelf op te houden te bestaan. Voor een kip om geboren te worden moet de schaal van het kippenei breken, en het kippenei zal op houden te bestaan. En een kippenei dat ophoudt te bestaan zodat het kan scheppen kan nooit een eeuwige eerste oorzaak zijn, want dat zou gewoon een contradictie zijn. Echter een kip kan kippeneieren leggen per dozijn, zogezegd, zonder op te houden te bestaan. Na een kippenei gelegd te hebben bestaat een kip niet minder dan voorheen. Dus om samen te vatten; een kippenei kan nooit een eeuwige eerste oorzaak van een kip zijn terwijl een kip wel een eeuwige eerste oorzaak van een kippenei kan zijn. En aldus kunnen wij onze conclusie opmaken. Op de vraag ‘wat was eerst, de kip of het kippenei’ luidt het antwoord; ‘de kip’.

Noten
  1. The American Standard Old Testament, (software), Version 1.0, Ages Software, Albany, 1996, Genesis, Ch. 1, v. 21. “And God created the great sea-monsters, and every living creature that moveth, wherewith the waters swarmed, after their kind, and every winged bird after its kind: and God saw that it was good.”
Bibliografie
  • The American Standard Old Testament, (software), Version 1.0, Ages Software, Albany, 1996.