ARVINDUS

Contemplationam

Impulsiviteit en Spontaniteit

IMPULSIVITEIT EN SPONTANITEIT

Het belangrijkste doel van deze contemplatie zal zijn om te onderscheiden tussen de concepten van impulsiviteit en spontaniteit. Reden om deze contemplatie te ondernemen is dat deze twee gewoonlijk, maar niet terecht, beschouwd worden als één.

Impulsiviteit

Het Oxford English Dictionary beschouwt ‘impulsiviteit’ (als het Engelse ‘Impulsiveness’) als “de kwaliteit van impulsief zijnde in gevoel of actie.”1 Hiermee wordt impulsiviteit vanaf het begin van deze contemplatie referentie gegeven aan levende wezens, en aan mensen in het bijzonder. Want het zijn mensen par excellence die voelen en handelen. En hierin, zo begrijpen we, kunnen ze impulsief zijn. Nu kunnen in de Nederlandse taal (in lijn met het Engels) het zelfstandig naamwoord ‘impulsiviteit’ en het bijvoeglijke naamwoord ‘impulsief’ teruggebracht worden tot het zelfstandig naamwoord ‘impuls’. Dit laatste woord heeft de originele structuur van zijn wortel behouden, welk het Latijnse ‘impellō’ betreft. Want zoals het Nederlandse ‘impuls’ ontleed kan worden in ‘im’ en ‘puls’ kan het Latijnse ‘impellō’ ontleed worden in ‘im’ en ‘pellō’. Met ‘im’ geen verandering ondergaand en met puls’ geworteld zijnde in ‘pellō’ passen de secties en de gehelen één op één. Dit Latijnse (en Nederlandse) voorvoegsel ‘im’ nu heeft vergelijkbare functies als de voorvoegsels ‘em’, ‘en’ en ‘in’. Eén van deze functies is het aanduiden van een initiatie. Een impuls is een geïnitieerde puls. Eerst was er geen puls, maar zijn initiatie maakte dat een puls verrees. ‘Pellō’ op zijn beurt draagt betekenissen die betrekking hebben op een in beweging zetten of actie.2 Dus een impuls kan dan begrepen worden als een initiatie van beweging. Deze betekenis volgend in het van ‘impuls’ afgeleide ‘impulsief’ kan die laatste begrepen worden als ‘initiërend in beweging’.

Impulsiviteit is de kwaliteit van initiërend zijnde in beweging. Op de vraag wat geïnitieerd wordt in beweging gaf het woordenboek alreeds een antwoord in zijn definitie van ‘impulsiviteit’. Want de geïnitieerde beweging betreft die van “gevoel of actie”. Deze definitie zou meer precies zijn geweest wanneer hij had genoemd ‘gevoel en actie’. Want voor het bestaan van impulsiviteit zijn zowel gevoel als actie nodig. Iemand met roerige gevoelens die echter niet leiden tot acties zal niet snel getypeerd worden als een impulsief persoon. En iedereen acteert. Echter acteren op zichzelf maakt een persoon niet impulsief. Dus om ‘gevoel en actie’ in plaats van ‘gevoel of actie’ deel uit te laten maken van de definitie van ‘impulsiviteit’ is preciezer. Geheel accuraat is ‘gevoel en actie’ echter ook niet. Iemand kan roerige gevoelens hebben, wervelend en kolkend, maar als deze persoon deze gevoelens negeert en actie neemt vanuit rationele overwegingen kan van hem niet gezegd worden impulsief te zijn, zelfs hoewel zowel gevoelens en acties aanwezig zijn in een dergelijk geval. Het is alleen wanneer acties direct ontspringen aan gevoelens dat iemand beschouwd kan worden als impulsief. Zulk een persoon is, zoals het woordenboek noemt in zijn definitie van ‘impulsief’, “vervoerd door emotie”.3 ‘Impulsiviteit’ dan kan eenvoudig gedefinieerd worden als ‘acteren uit emotie’.

Spontaniteit

Impulsiviteit is acteren uit emotie. Veel te vaak wordt zulk een impulsiviteit geglorifieerd in de hedendaagse Westerse cultuur. De ademruimte die wordt ervaren wanneer (door de Christelijke cultuur) onderdrukte emoties bevrijd en losgelaten worden is heel begrijpelijk. Het is echter niet erg glorifieerbaar. Vooral niet wanneer, en dit is vaak het geval, zulk een impulsiviteit geglorifieerd wordt onder de naam van ‘spontaniteit’. Veel mensen zijn trots op zichzelf dat ze spontaan zijn, terwijl ze eigenlijk impulsief zijn. Wat dan is het verschil tussen impulsiviteit en spontaniteit? Om dit verschil aan te wijzen moeten we spontaniteit nauwer bekijken.

Het Nederlandse ‘spontaniteit’ kan (in lijn met het Engelse ‘spontaneity’) gelezen worden als ‘spontaan-iteit’, waarin ‘spontaan’ de functie heeft van een bijvoeglijk naamwoord. Dit Nederlandse woord kan herleid worden tot het Latijnse ablatief ‘spons’, primair betekenend ‘wil’, ‘vrijwillig’, ‘expres’, ‘doelbewust’ en ‘uit zichzelf’.6 Zoals nu roerige maar van actie onderdrukte emoties niet leiden tot impulsiviteit leiden van actie weerhouden willen niet tot spontaniteit. Ook in spontaniteit moeten er acties zijn. Aldus, zoals impulsiviteit gedefinieerd werd als ‘acteren uit emotie’, kan spontaniteit gedefinieerd worden als ‘acteren uit wil’.

Wil

Het Nederlandse woord ‘wil’ gaat terug naar de Indo-Europese basis ‘wel’ of ‘wol’.7 In de Duitse taal vond deze wortel zijn weg naar het hedendaagse ‘wollen’, vertaalbaar als ‘willen’, ‘wahlen’, vertaalbaar als ‘kiezen’ en ‘wohl’, vertaalbaar als ‘welzijn’. In de Nederlandse taal weerklinkt de voorgenoemde Indo-Europese basis ook nog steeds in ‘welzijn’ (in lijn met het Engelse ‘wellness’),8 maar ook in ‘weelde’ (in lijn met het Engelse ‘wealth’).9 Dus keuze, welzijn en weelde zijn allemaal gerelateerd aan wil. Deze relaties nauwer bekijken kan een helderdere blik op wil geven.

Als primaire betekenis van ‘weelde’, zoals het tegenwoordig gebruikt wordt, kan gegeven worden ‘overvloed aan bezittingen’ of ‘overvloed aan wereldlijke goederen’.10 En de relatie die wil heeft met weelde is dat de eerste een kracht kan zijn voor het bereiken van de laatste. Wil is de kracht achter de dynamiek die de destructie van actualiteit teweeg brengt voor de realisatie van mogelijkheid.11 De focus op de desbetreffende mogelijkheid zal natuurlijk afhankelijk zijn van het bewustzijn van degene die wil. En voor velen is de mogelijkheid van het bezitten van wereldlijke goederen de primaire focus van aandacht. Hun wil drijft hen naar weelde.

Nu wordt het vaak gezegd dat achter iedere wil een diepere wil ligt. De meer oppervlakkige wil wordt dan beschouwd als een vervorming van die diepere wil. En dit lijkt inderdaad het geval met het willen van weelde. Want hoe aantrekkelijk is het bezit van wereldlijke goederen als het niet komt met welzijn? Het kan gezegd worden dat in het willen van weelde de wil vervormd wordt in een begeren. De wil is vervormd aanwezig in het extern gerichte begeren van wereldlijke goederen. In het willen van welzijn echter is de aandacht teruggetrokken van de goederen van de buitenwereld, en gefocust op zichzelf en op de eigen staat van zijn.12 Hier is het gewaarzijn aanwezig dat het wensen van welzijn beter is dan het begeren van externe goederen.

Waar de wil zeer vervormd aanwezig is in het begeren van externe weelde daar is deze minder vervormd aanwezig in de wens voor welzijn. ‘Minder vervormd’ maar niet ‘onvervormd’. Want wensen is niet hetzelfde als puur willen. Waar begeerte naar weelde gefocust is op de externe wereld, en waar de wens voor welzijn gefocust is op zichzelf, daar zijn deze twee focussen samengenomen in de wil van keuze. Keuze draagt in zichzelf zowel een gerichtheid naar het eigen zelf als een gerichtheid naar de wereld, beide balancerend.13 Pure wil is de zelfbewuste keuze voor wereldlijke realisatie.14 Waar één van deze twee ontbreekt kan wil alleen vervormd aanwezig zijn, en niet puur. In de begeerte naar weelde is wil vervormd vanwege een gebrek aan innerlijk gewaarzijn. En in de wens voor welzijn is wil vervormd door gebrek aan uiterlijk gewaarzijn. In de wil van keuze echter is de wil puur vanwege een alomvattend innerlijk-uiterlijk gewaarzijn.

Instinctie en Rationaliteit

Spontaniteit werd gedefinieerd als ‘acteren uit wil’. En met wil gedefinieerd als ‘de zelfbewuste keuze voor wereldlijke realisatie’ kan spontaniteit ook gedefinieerd worden als ‘acteren uit de zelfbewuste keuze voor wereldlijke realisatie’. Dit is nogal verschillend van impulsiviteit, welk gedefinieerd werd als ‘acteren uit emotie’. Waar spontaniteit behoort tot willen, daar behoort impulsiviteit tot wensen. Want de focus van aandacht op zichzelf die aanwezig is in wensen vinden we gereflecteerd in de emotionele zelfgecentreerdheid van impulsiviteit. Een emotioneel persoon ziet niets dan zichzelf in de golvende en soms stormachtige gevoelens die hem overstelpen. Als een derde categorie van acteren (behorend tot begeren) dan kan ook instinctie hier genoemd worden, welk gedefinieerd kan worden als ‘acteren uit instinct’.15 Want instinctieve wezens acteren eenvoudig uit een focus op hun omgevende wereld, zeer weinig zelfbewustzijn hebbend. Dit leidt dan tot het drievoud van instinctie, impulsiviteit en spontaniteit.

Er is echter ook een vierde. En deze vierde komt naar voren uit het onderscheid dat gemaakt kan worden tussen keuze willen en keuze processeren. Dit processeren van keuze vindt plaats op het niveau van de ratio.16 In dit rationaal proces van kiezen kan het gezegd worden dat noch uiterlijk gewaarzijn noch innerlijk gewaarzijn aanwezig zijn in dezelfde vaste manier waarin uiterlijk gewaarzijn aanwezig is in instinctie en innerlijk gewaarzijn in impulsiviteit. In rationaliteit pulseert het gewaarzijn tussen deze twee. Het rationale denken wisselt snel op en neer tussen zelfgewaarzijn en wereldgewaarzijn, waarvan zijn keuze het resultaat zal zijn. Het is gewoonlijk tegen deze rationaliteit dat impulsieve mensen trots zijn op zichzelf omdat ze impulsief zijn, dit abusievelijk ‘spontaniteit’ noemend.

Wil en Keuze

Boven brachten we de rationaliteit van proces van keuze naar voren. Dit fenomeen van rationeel wegen van wereldlijke en persoonlijke data zal een wel bekend fenomeen zijn voor de meeste mensen. Maar hoe moeten we de pure wil voor keuze begrijpen die aanwezig is in spontaniteit? Misschien kan deze pure wil voor keuze beter begrepen worden in contrast met vervormde wil in zijn algemeenheid. Want een vervormde wil is begaan met wat voor keuze gemaakt zal worden, terwijl pure wil begaan is met dat een keuze gemaakt zal worden. Een vervormde wil is gericht op zekere particulariteiten. Een begeerte is begaan met specifieke objecten van de wereld, terwijl een wens begaan is met specifieke gevoelens. En ook in het processeren van keuze jongleert de aandacht met particuliere data, met een particuliere uitkomst van dat proces gezet als doel. Pure wil voor keuze echter is niet begaan met zulke particulariteiten. Die is begaan met keuze zelf, ongeacht de specifieke uitkomst van die keuze. In pure wil is wil, zogezegd, zijn eigen doel. We zien zulk een gedachte ook gereflecteerd in bijvoorbeeld Aristoteles’ concept van praxis in zijn Ethica Nicomachea,17 of in de Hindoefilosofie van actie in de Bhagavad Gītā.18 Deze filosofieën contemplerend kan het begrip van ware spontaniteit zeker rijpen.

Conclusie

Het primaire doel van deze contemplatie was te onderscheiden tussen impulsiviteit en spontaniteit. Dit omdat deze twee vaak door elkaar gehaald worden, gewoonlijk door impulsieve mensen. Tijdens dit proces van onderscheiden borrelde twee andere concepten aan het oppervlak, namelijk de concepten van instinctie en van rationaliteit. Instinctie werd beschouwd als acteren uit begeerte naar weelde, plaats vindend uit wereldgewaarzijn. Impulsiviteit werd beschouwd als acteren uit wens voor welzijn, plaats vindend uit zelfgewaarzijn. Rationaliteit werd beschouwd als acteren uit het processeren van keuze, plaats vindend uit het slingeren tussen wereld- en zelfgewaarzijn. En spontaniteit werd beschouwd als acteren uit wil voor keuze, plaats vindend uit een alomvattend wereld- en zelfgewaarzijn.

Het zal duidelijk zijn dat zulk een alomvattend wereld- en zelfgewaarzijn niet gemakkelijk is om te bereiken. Het vraagt van ons om voorbij onze rationaliteit te gaan, en dit voorbij betreft niet emotie. Dus voor we trots op onszelf zijn ten aanzien van rationele mensen vanwege ons spontaan zijn zou het goed zijn om bovenstaande contemplatie in overweging te nemen. We kunnen heel goed gewoon emotioneel impulsief zijn. 

Noten
  1. Oxford English Dictionary, Second Edition on CD-ROM (v. 4.0), Oxford University Press, 2009.
  2. Oxford Latin Dictionary, Oxford University Press, London, 1968, p. 1320, 1321.
  3. Oxford English Dictionary, under ‘impulsive, a. (n.)’, 3.
  4. Oxford Latin Dictionary, p. 1809.
  5. Ibidem.
  6. John Ayto, Word Origins, The Hidden Histories of English Words from A to Z, A & C Black, London, 2005, p. 547.
  7. Word Origins, p. 544.
  8. Ibidem.
  9. Oxford English Dictionary, under ‘wealth’, 3a.
  10. Alice A. Bailey, ‘A Treatise on White Magic’, in: Twenty-Four Books of Esoteric Philosophy, (CD-ROM), Lucis Trust, London / New York, 2001. “This life principle in man manifests in a triple manner: 1. As the directional will, purpose, basic incentive. This is the dynamic energy which sets his being functioning, brings him into existence, fixes the term of his life, carries him through the years, long or short, and abstracts itself at the close of his life cycle. This is the spirit in man, manifesting as the will to live, to be, to act, to pursue, to evolve. In its lowest aspect this works through the mental body or nature, and in connection with the dense physical makes itself felt through the brain.”
  11. Oxford English Dictionary.
  12. Georg Wilhelm Friedrich Hegel, ‘Enzyklopädie der philosophischen Wissenschaften im Grundrisse, Dritter Teil’, in: Digitale Bibliothek, Band 2, Philosophie, von Platon bis Nietzsche, (CD-ROM), Directmedia, Berlin, 1998, Zweite Abteilung der Philosophie des Geistes, Der objektive Geist, § 483, translated. “The free will has immediately in first instance the distinction in it, that freedom is its inner determination and goal and (that) it relates itself to an outer pre-found objectivity, […].”
  13. See also: ‘Reduction (and Pseudo-Reduction)’, Index: 201004221, under ‘Pseudo-Reduction’.
  14. Oxford English Dictionary, under ‘instinction’, 2.
  15. See also: ‘Reduction (and Pseudo-Reduction)’, under ‘The Human Scale’.
  16. Aristotle, ‘Ethica Nicomachea’, in: The Works of Aristotle, Volume IX, W. D. Ross (editor), Oxford University Press, London / et alibi, 1931, Book II, Ch. 4, sec. 1105a, 30. “The agent also must be in a certain condition when he does them ; […] he must choose the acts, and choose them for their own sakes, […].”
  17. Srimad Bhagavad Gita, translated by Swami Swarupananda, Advaita Ashrama, Kolkata, 2007, Ch. 4, sl. 18-20, or p.106-107. “He who sees inaction in action, and action in inaction is intelligent among men, he is a Yogi and a doer of all action. Whose undertakings are all devoid of plan and desire for results, and whose actions are burnt by the fire of knowledge, him, the sages call wise. Forsaking the clinging to fruits of action, ever satisfied, depending on nothing, though engaged in action, he does not do anything.”
Bibliografie
  • ‘Reduction (and Pseudo-Reduction)’, Index: 201004221.
  • Aristotle, ‘Ethica Nicomachea’, in: The Works of Aristotle, Volume IX, W. D. Ross (editor), Oxford University Press, London / et alibi, 1931.
  • John Ayto, Word Origins, The Hidden Histories of English Words from A to Z, A & C Black, London, 2005.
  • Alice A. Bailey, ‘A Treatise on White Magic’, in: Twenty-Four Books of Esoteric Philosophy, (CD-ROM), Lucis Trust, London / New York, 2001.
  • Georg Wilhelm Friedrich Hegel, ‘Enzyklopädie der philosophischen Wissenschaften im Grundrisse, Dritter Teil’, in: Digitale Bibliothek, Band 2, Philosophie, von Platon bis Nietzsche, (CD-ROM), Directmedia, Berlin, 1998.
  • Oxford English Dictionary, Second Edition on CD-ROM (v. 4.0), Oxford University Press, 2009.
  • Oxford Latin Dictionary, Oxford University Press, London, 1968.
  • Srimad Bhagavad Gita, translated by Swami Swarupananda, Advaita Ashrama, Kolkata, 2007.