ARVINDUS

Duitse Preken

Mattheüs, Hoofdstuk 21, Vers 12

MATTHEÜS, HOOFDSTUK 21, VERS 12

Intravit Jesus in templum et coepit eicere vendentes et ementes. Matthaei. [Mat., H. 21, v. 12]

We lezen in het heilige evangelie dat onze Heer de tempel inging en hen uitwierp die daar kochten en verkochten en tot de anderen die daar duiven en dergelijke dingen te veil hielden sprak: “Doe dit weg, breng dit hier weg!” [Joh., H. 2, v. 16]. Waarom wierp Jezus hen buiten die daar kochten en verkochten en gebood hen die daar duiven te veil hielden weg te ruimen? Hij bedoelde daarmee niets anders dan dat Hij de tempel leeg wilde hebben, recht, alsof Hij wilde zeggen: Ik heb het recht op deze tempel en wil alleen daarin zijn en het heerschap daarin hebben. Wat wil dat zeggen? Deze tempel, waarin God machtig heersen wil naar Zijn wil, dat is ‘s mensen ziel, die Hij zo goed aan Hemzelf gelijk gevormd en geschapen heeft, zoals we lezen dat onze Heer sprak: “Maken We de mensen naar Ons beeld en tot Onze gelijkenis!” [Gen., H. 1, v. 26] En dit heeft Hij ook gedaan. Zo gelijk Hemzelf heeft Hij ‘s mensen ziel gemaakt dat in het hemelrijk noch op Aarde onder alle heerlijke creaturen welke God zo wonderlijk geschapen heeft er geen enkele is die Hem zo gelijkt als enkel ‘s mensen ziel. Daarom wil God deze tempel leeg hebben, opdat dan ook niets verder daarin zij dan Hij alleen. Dat is daarom zo wijl Hem deze tempel zo welgevalt, daar Hem deze zo goed gelijkt, en het Hemzelf zo welbehaagt in deze tempel immer wanneer Hij alleen daarin is.

Welaan, geeft nu acht! Wie waren deze lui die daar kochten en verkochten, en wie zijn ze nog? Hoort me nu nauwkeurig aan! Ik wil nu zonder uitzondering enkel voor goede lui prediken. Nochtans wil ik dit maal erop wijzen wie die kooplui waren en [heden] nog zijn die zo kochten en verkochten en het nog doen, die onze Heer eruit sloeg en eruit dreef. En dit doet Hij immer nog al degenen die daar kopen en verkopen in deze tempel; van dezen wil Hij geen enkele daarin laten. Ziet, al dezen zijn kooplui die zich hoeden voor grote zonden en graag goede lui zijn en hun goede werken doen om God te eren, zoals vasten, waken, bidden en wat er aan dergelijke bestaat, allerhande goede werken, en dit doen ze doch daarom dat onze Heer hen iets daarvoor geeft of dat God daarvoor hen iets doet wat hen lief ware: dezen zijn allen kooplui. Dat is in grove zin te verstaan, want zij willen het ene om het andere geven en willen op zulke wijze onderhandelen met onze Heer. Bij zulke handel zijn ze bedrogen. Want alles wat ze bezitten en alles wat ze tot stand kunnen brengen, gaven ze dat alles om Gods wille weg, wat ze hebben, en sloofden ze zich om Gods wille helemaal uit, als ware hen God daarvoor helemaal en absoluut niets te geven of te doen schuldig, het zij dan dat Hij het vrijwillig voor niets wil doen. Want wat ze zijn dat zijn ze door God, en wat ze hebben dat hebben ze van God en niet van zichzelf. Daarom is God hen voor hun werk en voor hun geven helemaal niets schuldig, want het zij [zo], Hij wil het vrijwillig doen uit Zijn genade en niet om hun werken noch om hun willen geven; want ze geven niet van het hunne, ze werken ook niet uit zichzelf, zoals Christus Zelf zegt: “Zonder Mij kun je niets doen” [Joh. H. 15, v. 5]. Dit zijn zeer dwaze lui die zo onderhandelen willen met onze Heer; ze kennen van de waarheid weinig of niets. Daarom sloeg onze Heer hen uit de tempel en dreef hen eruit. Het kan niet met elkander bestaan; het licht en de duisternis. God is de waarheid en een licht in Zichzelf. Wanneer dan God in deze tempel komt, zo verdrijft Hij daaruit de onwetendheid, dat is; de duisternis, en openbaart Zichzelf met licht en met waarheid. Dan zijn de kooplui weg, wanneer de waarheid gekend wordt, en de waarheid begeert niet naar welke koophandel waar dan ook. God zoekt het Zijne niet; in al Zijn werken is Hij leeg en vrij en werkt Hij uit echte liefde. Volstrekt evenzo handelt ook die mens die met God verenigd is; deze staat ook leeg en vrij in al zijn werken en werkt alleen om God te eren en zoekt het zijne niet, en God bewerkt het in hem.

Ik zeg nog verdergaand: zolang de mens met al zijn werken ergens iets zoekt van alles wat God te geven vermag of geven wil, zo is hij deze kooplui gelijk. Wil je het koopmanschap volkomen ledig zijn, zo dat God je in deze tempel laat, zo moet je alles wat je in al je werken tot stand brengt doen puur om God lief te hebben en moet je daarvan zo ongebonden blijven zoals het niets ongebonden is dat noch hier noch daar is. Je moet absoluut niets daarvoor begeren. Wanneer je zo werkt dan zijn je werken geestelijk en goddelijk, en dan zijn de kooplui allemaal uit de tempel verdreven en God is alleen daarin; want deze mens heeft enkel God in zin. Ziet, in zulke wijze is deze tempel ledig van alle kooplui. Ziet, die mens die noch zichzelf noch ergens iets buiten enkel God en Gods ere in het oog heeft, die is waarachtig vrij en ledig van alle koopmanschap in al zijn werken en zoekt het zijne niet, zoals ook God ledig en vrij is in al Zijn werken en het Zijne niet zoekt.

Ik heb verder ook gezegd dat onze Heer tot de lui sprak die daar duiven te veil hielden: “Breng dit hier weg, doe dit weg!” Deze lui dreef Hij niet eruit, noch schelde hij zeer naar hen, maar hij sprak volkomen gemoedelijk: “Breng dit hier weg!”, alsof hij zeggen wilde: dit is [weliswaar] niet slecht, en toch brengt het hindernis voor de loutere waarheid. Deze lui dat zijn allemaal goede lui die hun werken zuiver enkel om Gods wille doen en van het hunne niets daarin zoeken en die [= welke werken] ze toch met binding aan het eigen ik, aan tijd en aan getal en aan voor en aan na doen. In deze werken zijn ze gehinderd tot [het bereiken van] de allerbeste waarheid: dat ze namelijk vrij en ledig moeten zijn, zoals onze Heer Jezus Christus vrij en ledig is en Zichzelf altijd zonder onderbreking en tijdloos opnieuw ontvangt van Zijn hemelse Vader en Zich in Zichzelf enkel zonder onderbreking opnieuw baart met dankvolle liefde in de vaderlijke Hoogheid in gelijke waardigheid. Geheel zo moet de mens daarvoor staan die voor de allerhoogste waarheid ontvankelijk worden en daarin leven wil, zonder voor en zonder na en zonder hindering, doorheen alle werken en al de beelden van welke hij zich telkens bewust wordt, ledig en vrij, in de goddelijke gave, deze nu nieuw ontvangend en ongehinderd in dit gelijke licht met dankvolle liefde in onze Heer Jezus Christus weder in barend. Zo zouden de duiven weg zijn, dat wil zeggen de hindering en de ik-binding door al die werken, die verder goed zijn, indien de mens het zijne niet zou zoeken. Daarom sprak onze Heer geheel gemoedelijk: “Doe dit weg, breng dit hier weg!”, alsof Hij wilde zeggen: het is weliswaar goed, echter het brengt hindering met zich mee.

Wanneer deze tempel zo vrij wordt van alle hindernissen, dat wil zeggen van ik-binding en onwetendheid, dan glanst deze zo schoon en licht zo zuiver en klaar over alles [heen] en door alles [heen] wat God geschapen heeft dat niemand anders Hem met gelijke glans benaderen kan dan de ongeschapen God. En in volle waarheid: deze tempel is werkelijk niemand gelijk dan de ongeschapen God alleen. Alles wat beneden de engel is dat gelijkt deze tempel überhaupt niet. De hoogste engelen zelf gelijken deze tempel der edele ziel tot aan zekere graad, maar toch niet volledig. Dat ze de ziel in zekere mate gelijken dat geldt voor de kennis en de liefde. Niettemin is hen een doel geplaatst; daaraan kunnen zij niet voorbij. De ziel echter kan goed daaraan voorbij. Stond een ziel – en wel [de ziel] van een mens welke nog in de tijdelijkheid leefde – op gelijke hoogte met de hoogste engel, dan kon deze mens immer nog in zijn vrije vermogen onmetelijk hoger boven de engel geraken ieder moment opnieuw, talloos, en dat wil zeggen zonder wijze en boven de wijze van de engel en alle geschapen verstand uit. God alleen is vrij en ongeschapen en daarom is Hij alleen zijn [‘s mensenziel] gelijkheid met de vrijheid, niet echter met het oog op de ongeschapenheid, want deze [de mensenziel] is geschapen. Wanneer de ziel in het onvermengde licht komt dan slaat hij in het niets daarvan zo ver weg van zijn geschapen iets in het niets dat hij uit eigen kracht geenszins terugkomen vermag in zijn geschapen iets. De ziel heeft het gewaagd teniet gedaan te worden en kan ook uit zichzelf niet [opnieuw] tot zichzelf geraken – zo ver is ze zich ontgaan, eer God Zich over haar ontfermd heeft. Dat moet noodwendig zo zijn. Want zoals ik eerder zei: “Jezus was de tempel binnengegaan en wierp uit die daar kochten en verkochten en sprak tot de anderen: “Doe dit weg!”” – Ja, ziet, nu nemen we het letterlijk: “Jezus ging naar binnen en hefte aan te spreken: “Doe dit weg!””, en ze deden het weg. Ziet, nu was daar niemand meer dan Jezus alleen en Hij begon in de tempel te spreken. Ziet, dit moet je voorwaar weten: wil iemand anders in de tempel, dat is in de ziel, spreken dan Jezus alleen, dan zwijgt Jezus als zij hij er niet in, en Hij is ook niet thuis daar in de ziel, want ze heeft vreemde gasten waarmee ze spreekt. Wil echter Jezus in de ziel spreken dan moet ze alleen zijn en moet zelf zwijgen, wanneer ze Jezus spreken horen wil. Alleen dan gaat Hij naar binnen en begint te spreken. Wat spreekt de Heer Jezus? Hij spreekt dat wat Hij is. Wat is Hij dan? Hij is een woord van de Vader. In deze identieke [nämlichen] woorden spreekt de Vader Zichzelf en de gehele goddelijke natuur en alles wat God is, zoals Hij het kent [uit]; en Hij erkent het, hoe het is. En daar Hij volkomen is in Zijn kennen en in Zijn vermogen, daarom is Hij ook volkomen in Zijn spreken. Wanneer Hij het woord spreekt, spreekt Hij Zichzelf en alle dingen in een ander persoon en geeft hem dezelfde natuur die Hij Zelf heeft, en spreekt alle met vernuft begaafde geestwezens in datzelfde woord als datzelfde woord [wezens-] gelijk [uit] naar het ‘beeld’ voor zover het innerblijvend is, – niet gelijk doch [spreekt Hij] hetzelfde woord in iedere wijze voor zover het uitlicht, voor zover ook alles op zich een afzonderlijk zijn heeft; zij [d.w.z. de uitlichtende ‘beelden’] hebben echter de mogelijkheid behouden een genadevolle gelijkheid met datzelfde woord te bereiken. En datzelfde woord, zoals het in zichzelf is, dat heeft de Vader volkomen gesproken, dat woord en alles wat in dat woord is.

Daar nu de Vader dit gesproken heeft, wat spreekt dan Jezus in de ziel? Zoals ik gezegd heb: de Vader spreekt het woord en spreekt in dat woord en verder niet; Jezus echter spreekt in de ziel. De wijze van Zijn spreken is zo dat Hij Zichzelf en alles wat de Vader in Hem gesproken heeft openbaart op die wijze waarvoor de geest ontvankelijk is. Hij openbaart de vaderlijke heerserskracht in de geest in gelijk onmeetbaar geweld. Wanneer de geest dit geweld in de Zoon en door de Zoon ontvangt dan wordt hij zelf geweldig in iedere voortgang, zo dat hij gelijk en geweldig wordt in alle deugden en in alle volkomen louterheid, dus dat noch liefde noch lijden noch alles wat God in de tijd geschapen heeft de mensen verstoren vermag, hij veeleer machtig daarin staan blijft zoals in een goddelijke kracht waar tegenover alle dingen klein en onvermogend zijn.

Ten anderen male openbaart Zich Jezus in de ziel met een onmetelijke wijsheid die Hij zelf is, in welke wijsheid Zich de Vader Zelf met Zijn gehele vaderlijke heerserskracht alsook ieder identiek woord erkent, welk immers ook de wijsheid zelf is en alles wat daarin is, zo, dat het één is. Wanneer deze wijsheid met de ziel verenigd wordt dan is haar alle twijfel en alle dwaling en alle duisternis gans en helemaal afgenomen en is ze verplaatst in een zuiver, klaar licht, welk God Zelf is, zoals de profeet spreekt: “Heer, in Uw licht zal men het licht erkennen” [Joh., H. 36, v. 10]. Daar wordt God met God erkent in de ziel; dan erkent ze met deze wijsheid zichzelf en alle dingen, en deze zelfde wijsheid erkent ze met Hemzelf, en met dezelfde wijsheid erkent ze de vaderlijke heersersmacht in [zijn] vruchtbare verwekkingskracht en het wezenlijke oer-zijn in eenvoudige eenheid zonder enig onderscheid.

Jezus openbaart Zich bovendien met een onmetelijke zoetheid in Zichzelf en uit Zichzelf en over Zichzelf en over alle dingen genadewijs met macht zonder middel terug in Zijn eerste oorsprong. Dan is de uitere mens aan zijn innere mens gehoorzaam tot aan zijn dood en is dan altijd in gestage vrede in dienst aan God.

Dat Jezus ook in ons komen en uitwerpen en wegruimen moge alle hindernissen, en ons één moge maken zoals Hij als één met de Vader en de Heilige Geest één God is, opdat we zo met Hem één worden en eeuwig leven, daartoe helpe ons God. Amen.