ARVINDUS

Duitse Preken

Lucas, Hoofdstuk 10, Vers 38

MATTHEÜS, HOOFDSTUK 21, VERS 12

Intravit Jesus in quoddam castellum et mulier quaedam, Martha nomine, excepit illum in domum suam. Lucae II. [Luc., H. 10, v. 38]

Ik heb een woordje gesproken, allereerst in het Latijn, welk staat geschreven in het evangelie, en luidt in het Duits aldus: “Onze Heer Jezus Christus ging heen in een burchtstadje en werd ontvangen door een jonkvrouw [Jungfrau = maagd] die een gemalin [Weib] was.” [Luc., H. 10, v. 38]

Welaan, acht nu opmerkzaam op dit woord: noodwendig moet het zo zijn dat zij een ‘jonkvrouw’ was, [dat geldt voor] ieder mens door wie Jezus ontvangen werd. Jonkvrouw wil zoveel zeggen als een mens die van alle vreemde beelden ledig is, zo ledig zoals hij was toen hij nog niet was. Ziet, nu zou men kunnen vragen hoe een mens die geboren is en voort ontwikkeld tot in vernuftbekwaam leven, hoe die zo ledig zijn kan van alle beelden, zoals toen hij nog niet was, en daarbij weet hij toch veel, dat zijn allemaal beelden; hoe kan hij dan ledig zijn? Nu geeft acht op de onderwijzing, die wil ik je uiteenzetten. Was ik van zo een omvattend vernuft dat alle beelden, die de gezamenlijke mensen altijd [in zich] opnamen en [bovendien] die welke in God Zelf zijn, in mijn vernuft stonden, doch zo dat ik zo vrij van ik-binding aan deze was dat ik deze noch in doen noch in laten, met voor noch met na als mij eigen begrepen had, dat ik veeleer in dit tegenwoordige nu vrij en ledig stond voor de liefste wil van God en [vrij en ledig stond] deze te vervullen zonder onderbreking, waarlijk, zo was ik jonkvrouw zonder hindering door alle beelden, evenzo zeker zoals ik was toen ik nog niet was.

Ik zeg verder: dat de mens jonkvrouw is dat beneemt hem helemaal niets van al die werken die hij altijd deed; dat alles [echter] liet hem maagdelijk en vrij erbij staan zonder enige hindering aan de bovenste waarheid, zoals Jezus ledig en vrij is en maagdelijk in Zichzelf. Zoals de meesters zeggen dat enkel gelijke en gelijke grond voor de vereniging is, daarom moet die mens maagd zijn, jonkvrouw, die de maagdelijke Jezus ontvangen wil.

Nu geeft acht en ziet nauwkeurig toe! Wanneer nu de mens immer voort jonkvrouw was dan kwam geen vrucht van hem. Wil hij vruchtbaar worden dan is het noodwendig dat hij gemalin zij. ‘Gemalin’ is de edelste naam die men de ziel toeleggen kan en is veel edeler dan ‘jonkvrouw’. Dat de mens God in zich ontvangt dat is goed en in deze ontvankelijkheid is hij jonkvrouw. Dat echter God vruchtbaar in hem wordt dat is beter; want vruchtbaar worden voor de gave, dat alleen is dankbaarheid voor de gave, en daar is de geest gemalin in de weder barende dankbaarheid waar hij Jezus weder baart in Gods vaderlijke hart.

Vele goede gaven worden ontvangen in de jonkvrouwelijkheid, worden echter niet in vrouwelijke vruchtbaarheid met dankbare liefde weder in geboren in God. Deze gaven bederven en worden alle tot niets, zo dat de mens nimmer zaliger noch beter daarvan wordt. Daarbij is hem zijn jonkvrouwelijkheid tot geen nut, want hij is door zijn jonkvrouwelijkheid heen geen gemalin met volle vruchtbaarheid. Daarin ligt de schade. Daarom heb ik gezegd: “Jezus ging heen in een burchtstadje en werd ontvangen door een jonkvrouw die een gemalin was.” Dat moet noodwendig zo zijn, zoals ik je uiteengezet heb.

Echtelieden brengen in een jaar nauwelijks meer dan één vrucht voort. Echter een ander aard ‘echtelieden’ heb ik nu ditmaal in zin: al diegene die ikmatig [ichhaft] gebonden zijn aan gebed, aan vasten, aan waken en allerhande uiterlijke oefeningen en kastijdingen. Iedere ikgebondenheid aan welk werk dan ook die je de vrijheid beneemt in dit tegenwoordige nu God ten gebode te staan en Hem alleen te volgen in het licht waarmee Hij je aanwijzen zal tot doen en laten, vrij en nieuw in ieder nu, alsof je anders niets had, noch wilde noch kon: – iedere ikgebondenheid of ieder opzettelijk werk dat je deze altijd nieuwe vrijheid beneemt, dat noem ik nu een jaar; want je ziel brengt daarbij generlei vrucht voort zonder dat je dat werk verricht hebt dat je ikgebonden aangenomen hebt, en je hebt ook noch in God noch in je zelf vertrouwen, je hebt dan je werk volbracht dat je met ik-binding aangepakt hebt; anders heb je geen vrede. Daarom breng je ook geen vrucht voort, je hebt dan jouw [en niet Gods] werk gedaan. Dit stel ik als een jaar op, en de vrucht is nochtans klein wijl ze uit het werk voortgekomen is in ikgebondenheid en niet in vrijheid. Zulke mensen noem ik ‘echtelieden’ wijl ze in ik-binding gebonden zijn. Zulken brengen weinig vruchten voort en deze is bovendien ook nog klein, zoals ik gezegd heb.

Een jonkvrouw die een gemalin is, die vrij is en ongebonden zonder ik-binding, die is God en zichzelf altijd gelijk nader. Die brengt vele vruchten voort, en die zijn groot, niet minder en niet meer dan God Zelf is. Deze vrucht en deze geboorte brengt deze jonkvrouw, die een gemalin is, tot stand, en ze brengt alle dagen honderdmaal of duizendmaal vrucht voort, ja talloze malen, barend en vruchtbaar wordend uit de alleredelste grond; nog beter gezegd: voorwaar, uit dezelfde grond waar de Vader Zijn eeuwige woord baart, daaruit wordt ze vruchtbaar meebarend. Want Jezus, het licht en de wederschijn van het vaderlijke hart – zoals Sint Paulus zegt, dat Hij een ere en een wederschijn van het vaderlijke hart zij en met geweld het vaderlijke hart doorstraalt [Hebr., H. 1, v. 3] –, deze Jezus is met dat [het vaderlijke hart] verenigd en dat met Hem, en het [vaderlijke hart] licht en glanst met Hem als een enig één en als een zuiverklaar licht in het vaderlijke hart.

Ik heb ook al vaker gezegd dat er een kracht in de ziel is die noch tijd noch vlees beroert; ze vloeit uit de geest en blijft in de geest en is gans en geheel geestelijk. In deze kracht is God gans zo groenend en bloeiend in aller vreugden en in aller eren zoals Hij in Zichzelf is. Daar is zo een heerlijke vreugde en zo een onbegrijpelijke grote vreugde dat niemand uitputtend daarvan te konden vermag. Want de eeuwige Vader baart Zijn eeuwige Zoon in deze kracht zonder onderbreking zo dat deze kracht de Zoon van de Vader en zichzelf als dezelfde Zoon in de enige kracht van de Vader meebaart. Bezat een mens een geheel koninkrijk of al het goed der Aarde en gaf het zuiver om Gods wil weg en werd als de armste mens die waar dan ook op Aarde leefde, en gaf God hem dan zoveel te lijden zoals er ooit een mens leed en leed hij dit alles tot aan zijn dood, en liet God hem dan eenmaal enkel met één blik schouwen hoe Hij in deze kracht is: – zijn vreugde werd zo groot dat het met al dit lijden en met deze armoede immer nog te weinig geweest was. Ja, zelfs wanneer God hem daarna nimmer meer het hemelrijk gaf, hij had dan nog een veel te groot loon ontvangen voor alles wat hij beleed; want God is in deze kracht zoals in het eeuwige nu. Ware de geest altijd met God in deze kracht verenigd, de mens kon niet verouderen; want het nu waarin God de eerste mensen schiep, en het nu waarin de laatste mens vergaan wordt, en het nu waarin ik spreek, die zijn gelijk in God en zijn niets dan één nu. Nu ziet, deze mens woont in één licht met God; daarom is in Hem noch lijden noch tijdsorde, maar een gelijkblijvende eeuwigheid. Deze mens is in waarheid al het verwonderen afgenomen en alle dingen staan wezenlijk in hem. Daarom ontvangt hij niets nieuws van toekomstige dingen noch van ergens een ‘toeval’, want hij woont in één nu, altijd nieuw, zonder oponthoud. Zulke goddelijke hoogheid is er in deze kracht.

Nog een kracht bestaat er, die is ook onlijfelijk; die vloeit uit de geest en blijft in de geest en is gans en geheel geestelijk. In deze kracht is God zonder onderbreking glimmend en brandend met al Zijn rijkdom, met al Zijn zoetheid en met al Zijn gelukzaligheid. Waarlijk, in deze kracht is zo een grote vreugde en zo een grote, onmetelijke gelukzaligheid dat het niemand uitputtend uit te spreken of te openbaren vermag. Ik zeg opnieuw: was er ergens een mens die hierin met het vernuft waarheidsgetrouw een ogenblik lang die gelukzaligheid en die vreugde schouwde, die daarin is, – alles wat hij kon lijden en wat God van hem geleden wilde hebben, dat was hem onbenullig, ja een niets: ik zeg nog meer: het was hem volledig een vreugde en een gemak.

Wil je echt weten of je lijden het jouwe zij of Gods, dat moet je hieraan herkennen: lijd je om je eigenwil, in welke wijze het immer zij, zo doet je dit lijden pijn en is je zwaar te verdragen. Lijd je echter om God en om Gods wil alleen, zo doet je dit lijden niet pijn en is je ook niet zwaar, want God draagt die last. In volle waarheid: was er een mens die om God en puur alleen om Gods wil lijden wilde, en viel op hem al het lijden bij elkaar dat de gezamelde mensen altijd beleden en die de ganse wereld tezamen draagt, dat deed hem niet pijn en was hem ook niet zwaar, want God droeg die last. Wanneer iemand mij een centenaar op mijn nek legde en deze dan een andere op mijn nek hield, zo laadde ik me er even zo lief honderd op als één, want het ware me niet zwaar en deed me ook geen pijn. Kort gezegd: wat immer de mens om God en om Gods wil alleen lijdt dat maakt God hem licht en zoet. Zo dan heb ik bij aanvang gezegd waarmee we onze preek begonnen: “Jezus ging heen in een burchtstadje en werd ontvangen door een jonkvrouw die een gemalin was.” Waarom? Het moet noodwendig zo zijn dat ze een jonkvrouw was en daarbij een gemalin. Nu heb ik je daarover gesproken dat Jezus ontvangen werd; ik heb je echter [nog] niet gezegd wat dat ‘burchtstadje’ zij, zoals ik [dan] nu daarover spreken wil.

Ik heb bij wijlen gezegd, er zij een kracht in de geest, die alleen zij vrij. Bij wijlen heb ik gezegd, er zij een hoede van de geest; bij wijlen heb ik gezegd, er zij een licht van de geest; bij wijlen heb ik gezegd, er zij een vonkje. Nu echter zeg ik: het is noch dit noch dat; trots dat is er een iets, dat is verhevener boven dit en dat zoals de hemel boven de Aarde. Daarom benoem ik het nu op een edele wijze, als ik het benoemde, en toch bespot het zowel zulke edelheid als de wijze en is daarboven verheven. Het is van alle namen vrij en alle vormen bloot, gans ledig en vrij, zoals God ledig en vrij is in Zichzelf. Het is zo volledig één en eenvoudig, zoals God één en eenvoudig is, zo dat men op generlei wijze daarin te loeren vermag. Iedere identieke [nämliche] kracht waarvan ik gesproken heb, waarin God bloeiend en groenend is met Zijn ganse godheid en de geest in God, in deze zelfde kracht baart de Vader Zijn eniggeboren Zoon zo waarachtig als in Zichzelf, want Hij leeft werkelijk in deze kracht en de geest baart met de Vader dezelfde eniggeboren Zoon en zichzelf als dezelfde Zoon en is dezelfde Zoon in dit licht en is de waarheid. Kon je met mijn hart erkennen dan verstond je wel wat ik zeg; want het is waar, en de waarheid zegt het zelf.

Ziet, nu merkt op! Zo één en eenvoudig is dit ‘burchtje’ in de ziel waarvan ik spreek en dat ik in zin heb, boven iedere wijze verheven, dat iedere edele kracht waarvan ik gesproken heb niet waardig is dat die ooit ten ene male [ook maar] een ogenblik in dit burchtje binnengeraakt, en ook die andere kracht waarvan ik sprak, waarin God glimt en brandt met al Zijn rijkdom en met al Zijn gelukzaligheid, die waagt ook nimmer meer daar binnen te geraken; zo gans één en eenvoudig is dit burchtje en zo verheven boven alle wijzen en alle krachten is dit enige ene dat nooit een kracht of een wijze binnen te geraken vermag, noch God Zelf. In volle waarheid en zo waar God leeft: God Zelf zal nooit ook maar één ogenblik daar binnengeraken en is nog niet binnengeraakt, zowijd Hij in de wijze en ‘eigenschap’ van Zijn persoon existeert. Dit is licht in te zien, want dit enige ene is zonder wijze en zonder eigenheid. En daarom: wil God ooit daarin geraken dan moet het Hem al Zijn goddelijke namen kosten en Zijn persoonlijke eigenheid; dat moet Hij allemaal buiten laten, wil Hij ooit daarin loeren. Veeleer, zoals Hij eenvoudig één is, zonder alle wijzen en eigenheid, zo is Hij noch Vader noch Zoon noch Heilige Geest in deze zin en is doch een iets dat noch dit noch dat is.

Ziet, zoals Hij één en eenvoudig is, zo komt Hij in dit ene welk ik daar noemde een burchtje in de ziel en anders komt Hij op geen wijze daar binnen; maar enkel zo komt Hij daar binnen en is daarin. Met dat deel is de ziel God gelijk en anders niet. Wat ik je gezegd heb dat is waar; daarvoor, de waarheid te getuigen, zet ik je mijn ziel als pand.

Dat wij zo een ‘burchtje’ zijn in welke Jezus oprijst en ontvangen wordt en eeuwig in ons blijft in de wijze waarop ik ’t gezegd heb, daartoe help ons God. Amen.