ARVINDUS

Duitse Preken

Handelingen, Hoofdstuk 12, Vers 11

HANDELINGEN, HOOFDSTUK 12, VERS 11

Nunc scio vere, quia misit dominus angelum suum. [Hand., H. 12, v. 11]

Toen Petrus door het geweld van de hoge bovenste God uit de banden van zijn gevangenschap werd bevrijd sprak hij: “Nu weet ik waarachtig dat God me Zijn engel gezonden [heeft] en me verlost heeft uit het geweld van Herodes en ook de handen van de vijand” [Hand., H. 12, v. 11, vgl. ook Ps., H. 17, v. 1].

Nu keren we dit woord om en zeggen: wijl God me Zijn engel gezonden heeft, daarom erken [weet] ik waarachtig. ‘Petrus’ wil zoveel zeggen als erkenning. Ik heb het ook eerder al gezegd: erkenning en vernuft verenigen de ziel met God. Vernuft dringt in het loutere zijn, erkenning loopt vooraan, zij loopt vooruit en brengt door opdat [daar] God’s eniggeboren Zoon geboren wordt. Onze Heer zegt bij Mattheüs dat niemand de Vader erkent dan alleen de Zoon [Mat. H. 11, v. 27]. De meesters zeggen; erkenning hangt af van gelijkheid. Enkele meesters zeggen; de ziel zij uit alle dingen gemaakt wijl ze het vermogen heeft alle dingen te erkennen. Het klinkt zot en is toch waar. De meesters zeggen: wat ik erkennen zal dat moet me volledig tegenwoordig zijn en mijn erkenning gelijken. De heiligen zeggen; in de Vader zij macht, in de Zoon gelijkheid en in de Heilige Geest vereniging. Wijl de Vader de Zoon volledig tegenwoordig en de Zoon Hem volledig gelijk is, daarom erkent niemand de Vader dan enkel de Zoon.

Nu spreekt Petrus: “Nu erken ik waarachtig.” Waarom erkent men hier waarachtig? Daarom, wijl het een goddelijk licht is dat niemand bedriegt. Anderzijds wijl men daar ontbloot en louter erkent, [en] door niets verhuld. Daarom spreekt Paulus: “God woont in een licht waartoe er generlei toegang bestaat” [1 Tim., H. 6, v. 16]. De meesters zeggen; de wijsheid die we hier leren die zal [ons] daar blijven. Paulus echter zegt; ze zal vergaan [1 Kor. 1, H. 13, v. 8]. Een meester zegt: reine erkenning, zelfs hier [nog] in dit leven, die bergt zo een grote lust in zichzelf dat alle geschapen dingen’s lust recht als een niets tegenover de lust zij die reine erkenning in zich draagt. En toch, hoe edel ze ook zij, zo is ze toch een ‘toeval’; en zo klein een woordje is vergeleken met de ganse wereld, zo klein is [voor] allen de wijsheid die we hier leren kunnen tegenover de naakte, loutere waarheid. Daarom zegt Paulus; ze zullen vergaan. Zelfs wanneer ze blijft, zo wordt ze recht een zottin, en zo alsof ze niets zij tegenover de naakte waarheid die men daar erkent. De derde grond waarom men daar waarachtig erkent ligt daarin: de dingen die men hier [aan] de verandering onderworpen ziet, die erkent men daar als onveranderlijk, en men neemt ze daar zoals ze gans ongedeeld en nabij elkander zijn; want wat hier ver is dat is daar nabij, want alle dingen zijn daar tegenwoordig. Wat aan de eerste en aan de jongste dag geschiedt dat is daar tegenwoordig.

“Nu weet ik waarachtig dat God me Zijn engel gezonden heeft.” Wanneer God Zijn engel naar de ziel zendt, zo wordt ze waarachtig erkennend. Niet voor niets heeft God Sint Pieter de sleutel aanbevolen, want ‘Petrus’ wil zoveel zeggen als erkenning [vgl. Mat., H. 16, v. 19]. Erkenning echter heeft de sleutel en ontsluit en dringt en breekt door en vindt God onverhuld en zegt daarna haar speelgenoot, de wil, wat ze in bezit genomen heeft, hoewel ze doch de wil [daartoe] alreeds gehad heeft; want wat ik wil, dat zoek ik. Erkenning gaat vooraf. Ze is een vorstin en zoekt heerschap in het hoogste en louterste en geeft het aan de ziel verder en de ziel verder aan de natuur en de natuur aan alle lichamelijke zinnen. De ziel is zo edel in haar hoogste en louterste dat de meesters geen naam voor haar vinden kunnen. Ze noemen haar ‘ziel’ zover ze het lijf wezen geeft. Nu zeggen de meesters; na de eerste uitbreuk van de Godheid, waar de Zoon uit de Vader uitbreekt, zij de engel allernaast naar God gebouwd. Weliswaar is het waar: de ziel is naar God gebouwd in haar bovenste deel; echter de engel is een nader beeld Gods. Alles wat er aan de engel is dat is naar God gebouwd. Daarom wordt de engel ter ziele gezonden, opdat ze haar terugbrengt tot hetzelfde beeld waarnaar zij gebouwd is; want erkenning vloeit uit de gelijkheid. Daar nu de ziel een vermogen heeft alle dingen te erkennen, daarom rust ze nimmer tot ze in het eerste beeld komt waar alle dingen één zijn, en daar komt ze tot rust, dat heet: in God. In God is geen creatuur edeler dan de andere.

De meesters zeggen: zijn en erkennen zijn gans één, want wat niet is dat erkent men ook niet; wat het allermeest zijn heeft dat erkent men ook het allermeest. Daar dan God een overvloeiend zijn heeft, daarom overstijgt Hij ook alle erkenning, zoals ik eergisteren in mijn laatste preek zei: dat de ziel in de eerste louterheid ingebeeld [eingebildet] wordt in de indruk der loutere wezenheid, waar ze God smaakt eer ze waarheid of kenbaarheid aanneemt, daar, waar alle noembaarheid afgelegd is; daar erkent ze het allerlouterst, daar neemt ze het zijn in volle mate. Daarom zegt Paulus: “God woont in een licht waartoe er generlei toegang bestaat” [1 Tim., H. 6, v. 16]. Hij is een inwonen in Zijn Eigen loutere wezenheid in welke er niets aanklevends bestaat. Wat ‘toe-val’ heeft dat moet weg. Er is een louter in-zich-zelf-staan waar er noch dit noch dat bestaat; want wat in God is, dat is God. Een heidense meester zegt: de krachten die onder God zweven die hebben een inhangen in God, en hoewel ze rein in zich bestaan, zo hebben ze toch een inhangen in Hem Die noch aanvang noch einde heeft; want aan God kan niets vreemds ontvallen. Hebt daarvoor een getuigenis in de hemel: deze kan geen vreemde indruk ontvangen op vreemde wijze.

Het geschiedt zo: wat immer tot God komt dat wordt veranderd; zo geringwaardig het ook zij, wanneer we het tot God brengen, zo ontvalt het zichzelf. Neemt daarvoor een vergelijking: heb ik wijsheid, zo ben ik die niet zelf. Ik kan wijsheid winnen, ik kan ze ook verliezen. Wat immer echter in God is, dat is God; dat kan Hem niet ontvallen. Het wordt in de goddelijke natuur verzet, want goddelijke natuur is zo krachtig dat wat immer daarin gegeven wordt ofwel volkomen daarin verzet wordt of geheel buiten blijft. Nu verneemt met verwondering! Daar God zo een geringwaardige dingen in Zich verandert, wat geloof je wel dat Hij met de ziel doet die Hij met het beeld van Zijn Zelf uitgetekend heeft?

Dat we daartoe komen mogen, daartoe helpe ons God. Amen.