ARVINDUS

Duitse Preken

Jacobus, Hoofdstuk 1, Vers 17

JACOBUS, HOOFDSTUK 1, VERS 17

Omne datum optimum et omne donum perfectum desursum est. Jacobi I. [Jac., H. 1, v. 17]

Sint Jacobus zegt in de epistel: “De allerbeste gave en volkomenheid komen van bovenaf van de Vader der lichten” [Jac., H. 1, v. 17].

Nu geeft acht! Jullie moeten dit weten: de mensen die zich [aan] God overlaten en met alle vlijt enkel Zijn wil zoeken, wat immer God een zulke mens geeft dat is het beste; zij dat zo zeker, zoals dat God leeft, dat het noodwendig het allerbeste zijn moet en dat het anders geen wijze geven kon die beter ware. Moge het ook zijn dat doch iets anders beter schijnt, zo ware het voor jou toch niet zo goed; want God wil eenmaal deze wijze en niet een andere, en deze wijze moet noodwendig voor jou de beste wijze zijn. Zij het [nu] ziekte of armoede of honger of dorst of wat immer er zij dat God aan jou oplegt of niet oplegt of wat God jou geeft of niet geeft, dat alles is voor jou het beste; zij ’t dat je geen van beide, noch aandacht noch innerlijkheid hebt en wat immer je hebt of niet hebt: stel je enkel recht daarop in dat je Gods ere in alle dingen in oog hebt, en wat immer Hij je dan aandoet, dat is het beste.

Nu kun je wellicht zeggen: hoe weet ik of het de wille Gods zij of niet? Weet: ware het Gods wil niet, zo ware het ook niet. Je hebt noch ziekte noch ergens iets, God wil het dan. En daar je dan weet dat het Gods wil is, zo moet je zoveel welgevallen en bevrediging daaraan hebben dat je geen [enkele] pijn als pijn acht; ja, kwam het zelfs tot het alleruiterste der pijn, ondervond je dan ergens iets van pijn of lijden, zo ware dat zelfs dan nog volledig verkeerd; want je moet het van God als het allerbeste nemen wijl het noodwendig jouw allerbeste zijn moet. Want Gods zijn hangt daarvan af dat Hij het beste wil. Daarom moet ook ik het willen, en niets moet me beter behagen. Wilde ik een mens met alle vlijt bevallen en wist ik dan voor zeker dat ik deze mens beter beviel in een grijs kleed dan in welk een ander, hoe goed het ook ware, zo bestaat er daarover geen twijfel dat mij dit kleed welgevalliger en liever ware dan welk een ander, ware ’t ook nog zo goed. Ware ’t dan dat ik een ieder bevallen wilde: waarvan ik dan wist dat de ene het gaarne had, aan woorden en aan werken, dat deed ik en niets anders. Welaan, nu beproef je zelf met het oog daarop hoe het met je liefde gesteld is! Gelief je God, zo kon je niets lustvoller zijn dan wat Hem het allerbeste beviel en dat Zijn wil overal aan ons volbracht werd. Hoe zwaar ook de pijn of het ongemak schijnen mag, heb je niet een evenzo groot welbehagen daarin, zo staat het niet recht daarmee.

Ik pleeg vaak een woordje te spreken, en het is ook waar: we roepen alle dagen en schreeuwen in het Paternoster: “Heer, Uw wil geschiede!” [Mat., H. 6, v. 10]. En wanneer dan Zijn wil geschiedt, zo willen we toornen, en Zijn wil bevredigt ons niet. Evenwel, wat immer Hij deed, dat moest ons het allerbeste bevallen. Die het zo als beste aannemen die blijven bij alle dingen in volkomen vrede. Nu dunkt het je af en toe en je zegt: “Ach, ware het anders gekomen, zo ware het beter”, of: “Ware het niet zo gekomen, zo ware het wellicht beter gekomen.” Zolang het je zo dunkt zul je nooit vrede gewinnen. Je moet het als het allerbeste aannemen. Dit is de eerste betekenis van deze schriftwoorden.

Er bestaat ook nog een andere betekenis, bedenkt die met vlijt! Hij [= Sint Jacobus] zegt: “Alle gaven”. Enkel wat het allerbeste en allerhoogste is, dat zijn eigenlijke gaven en in allereigenlijkste zin. God geeft niets zo graag dan grote gaven. Ik zei eens aan deze stad dat God zelfs liever grote zonden vergeeft dan kleine. En hoe groter ze zijn, des te liever en sneller vergeeft Hij ze. En gans zo staat het met de genade en gave en deugd: hoe groter ze zijn, des te liever geeft Hij ze; want Zijn natuur hangt daarvan af dat Hij grote dingen geve. En daarom, hoe waardevoller de dingen zijn des te meer bestaan er daarvan. De edelste creaturen zijn de engelen, en zij zijn rein geestelijk en hebben generlei lichamelijkheid aan zich, en van hen bestaan er het allermeeste, en van hen bestaan er meer dan de som van alle lichamelijke dingen. Grote dingen heten terecht eigenlijk ‘gaven’ en behoren Hem [= God] allereigenlijkst en allerinnigst toe.

Ik zei eens: wat in eigenlijke zin in woorden geuit worden kan, dat moet van binnenuit komen en zich door de innere vorm bewegen, niet daarentegen van buiten binnen komen, maar: van binnen moet het eruit komen. Het leeft echt eigenlijk in het innerste der ziel. Daar zijn je alle dingen tegenwoordig en [alle dingen zijn] in het innerlijk levend en zoekend en zijn [daar] in het beste en in het hoogste. Waarom merk je niets daarvan? Wijl je daar niet thuis bent. Hoe edeler iets is, des te algemener is het. De zinnen heb ik met de dieren gemeen en het leven [bovendien] met de bomen. Het zijn is me nog innerlijker, dat heb ik gemeen met alle creaturen. De hemel is omvattender dan alles wat onder haar is; daarom is ze ook edeler. Hoe edeler de dingen zijn, des te omvattender en algemener zijn ze. De liefde is edel wijl ze alomvattend is.

Het schijnt zwaar wat onze Heer geboden heeft: dat men de mede Christen liefhebben moet zoals zichzelf [Marc., H. 12, v. 31, Mat., H. 22, v. 39]. Grofzinnige lui zeggen gemeenlijk: het zij zo gemeend: men moet ze [= de mede Christenen] met het oog op het gelijke goede liefhebben ter wille waarvan men zichzelf liefheeft. Nee, dat is niet zo. Men moet hen evenzo zeer liefhebben als zichzelf, en dat is niet zwaar. Wil je het recht bedenken dan is liefde meer beloning dan een gebod. Het gebod schijnt zwaar, het loon echter is begerenswaardig. Wie God liefheeft zoals hij Hem liefhebben zou moeten [soll] en ook liefhebben moet [muß], of hij wil of niet, en zoals Hem alle creaturen liefhebben, die moet zijn medemensen liefhebben zoals zichzelf en zich zijn vreugde verheugen als zijn eigen vreugden en naar zijn ere zozeer verlangen als naar zijn eigen ere en de vreemden [zo liefhebben] als de verwanten. En op zulke wijze is de mens altijd in vreugde, in ere en in het voordeel, zo is hij recht zoals in het hemelrijk, en zo heeft hij vaak vreugden, zoals wanneer hij zich enkel zijn eigen God verheugde. En weet voorwaar: is je jouw eigen ere gelukkiger dan die van een ander, zo is dat onrecht.

Weet, wanneer immer je hoe dan ook het jouwe zoekt, zo vind je God nimmer wijl je niet God uitsluitend zoekt. Je zoekt iets met God en doet net zo zoals wanneer je van God een kaars maakte, opdat men iets daarmee zocht; en wanneer men de dingen vindt die men zoekt, zo werpt men de kaars weg. Gans zo doe je: wat immer je met God zoekt dat is niets, wat het ook zij, zij ’t nut of loon of innerlijkheid of wat het ook zij; je zoekt een niets, daarom vind je ook een niets. Dat je een niets vindt is enkel daardoor veroorzaakt dat je een niets zoekt. Alle creaturen zijn een rein niets. Ik zeg niet dat ze geringwaardig of überhaupt iets zijn: ze zijn een rein niets. Wat geen zijn heeft dat is niets. Alle creaturen [nu] hebben geen zijn, want hun zijn hangt af van de tegenwoordigheid Gods. Keerde zich God enkel een ogenblik van alle creaturen af, zo werden ze teniet [gedaan]. Ik heb af en toe gezegd, en het is ook waar: wie de ganse wereld tot God opnam, die had niet meer dan wanneer hij God alleen had. Alle creaturen hebben zonder God niet meer [zijn] dan een mug zonder God bezat, recht evenveel, niet minder en niet meer.

Welaan, nu hoort op een waar woord! Gaf ik een mens duizend gouden marken, opdat men daarvoor kerken en kloosters bouwde, dat ware een grote zaak. Dan nog had die[gene] veel meer gegeven die duizend Mark als niets achtte kon; die had wijds meer gedaan dan een ieder. Toen God alle creaturen geschapen had waren ze zo geringwaardig en zo eng [= nauw] dat Hij Zich in hen niet bewegen kon. De ziel doch maakte Hij Zich zo gelijk en zo evenbeeldig opdat Hij Zich de ziel geven kan; want wat Hij haar verder gave, dat acht ze als niets. God moet me Zichzelf zo eigens geven zoals Hij Zichzelf toebehoort, of echter mij wordt [überhaupt] niets ten deel en niets toegezegd. Wie Hem zo gans ontvangen zal die moet zichzelf gans opgeven en zich zijn zelf gans veruiterlijkt [entäußert] hebben; zulk ene ontvangt van God alles wat God heeft, gans gelijk evenzo eigens zoals Hij het zelf heeft en onze Vrouw en allen die welke in het hemelrijk zijn: dat behoort zulken evenzo gelijk en evenzo eigen toe. Die zo gelijkmatig zich veruiterlijkt en zichzelf opgegeven hebben, die worden ook gelijks ontvangen en niet minder.

En nu het derde in onze schrifttekst: “van de Vader der lichten”. Bij het woord ‘vader’ denkt men aan zoonschap, en het woord ‘vader’ bezegt een louter baren en is gelijkbeduidend met: een leven van alle dingen. De Vader baart zijn Zoon in het eeuwige erkennen, en gans zo baart de Vader Zijn Zoon in de ziel zoals in Zijn Eigen natuur, en Hij baart Hem de ziel eigens, en Zijn zijn hangt daarvan af dat Hij in de ziel Zijn Zoon baart, zij het Hem lief of leed. Ik werd eens gevraagd wat de Vader in de hemel doet. Daar zei ik: hij baart Zijn Zoon, en dit doen is hem zo lustvol en bevalt hem zo wel dat Hij nooit iets anders doet dan Zijn Zoon baren, en Zij Beiden bloeien de Heilige Geest op. Waar de Vader Zijn Zoon in mij baart daar ben ik dezelfde Zoon en niet een andere; we zijn weliswaar verscheiden in menszijn, daar echter ben ik dezelfde Zoon en niet een andere. “Waar we Zoon zijn, daar zijn we rechte erfgenamen” [Rom., H. 8, v. 17]. Wie de waarheid recht erkent die weet wel dat het woord ‘vader’ een louter baren en een zoon-hebben in zich draagt. Daarom zijn we hierin Zoon en zijn dezelfde Zoon.

Nu merkt het woord nog op: “Ze komen van bovenaf”. Ik heb je nu voorkort gezegd: wie van bovenaf ontvangen wil die moet noodwendig onder zijn in echte deemoed. En weet in waarheid: wie niet volledig onder is die wordt ook niets ten deel, en hij ontvangt ook niets, hoe gering het ook immer enkel zijn moge. Heb je het hoe dan ook op jezelf of op ergens iets of wanneer dan ook voorzien, zo ben je niet onder en ontvang je ook niets; ben je echter volledig onder, zo ontvang je ook volledig en volkomen. Gods natuur is het wat Hij geeft, en Zijn zijn hangt daarvan af dat Hij ons geve wanneer we onder zijn. Zijn we ’t niet en ontvangen we niets, zo doen we Hem geweld aan en doden Hem. Kunnen we ’t niet aan Hemzelf doen, zo doen we ’t doch aan ons en zowijd het ons betreft. Opdat je het Hem alles te eigenen bebidt [gebest], zie toe, dat je je in echte deemoed onder God vernedert en God in jouw hart en in jouw erkennen verheft. “God, onze Heer, zond Zijn Zoon in de wereld” [Gal., H. 4, v. 4]. Ik sprak eens ook hier: God zond Zijn Zoon in het volle der tijd: – tot de ziel, wanneer ze over alle tijd heen geschreden is. Wanneer de ziel de tijd en de ruimte ledig is, zo zendt de Vader Zijn Zoon in de ziel. Nu, dit beduidt het woord: “De allerbeste gave en volkomenheid komen van bovenaf van de Vader der lichten.”

Dat we bereid worden de beste gaven te ontvangen, daartoe helpe ons de Vader der lichten. Amen.