ARVINDUS

Duitse Preken

1 Johannes, Hoofdstuk 4, Vers 9

1 JOHANNES, HOOFDSTUK 4, VERS 9

In hoc apparuit caritas dei in nobis, quoniam filium suum unigenitum misit deus in mundum ut vivamus per eum. [1 Joh., H. 4, v. 9]

Sint Johannes spreekt: “Daarin is ons Gods liefde geopenbaard, dat Hij Zijn Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij door Hem en met Hem leven” [1 Joh., H. 4, v. 9], en zo is onze menselijke natuur onmetelijk verhoogd daardoor, dat de Hoogste gekomen is en de mensennatuur aan [Zich] genomen heeft.

Een meester zegt: wanneer ik daaraan denk dat onze natuur over de creaturen verhoogd geworden is en in de hemel boven de engelen zit en door hen aanbeden wordt, zo moet ik me uit de diepste hartsgrond verheugen, want Jezus Christus, mijn lieve Heer, heeft mij dat alles eigens gemaakt wat Hij in Zich bezit. Hij [de meester] zegt ook dat de Vader het in al datgene wat Hij Zijn Zoon Jezus Christus altijd in de menselijke natuur verleende eerder op mij voorzien [heeft] en mij meer geliefd heeft dan Hem en het mij eerder verleende dan Hem. Hoezo dan? Hij gaf het Hem om mijnentwille, want ik had de nood ertoe. Daarom, wat immer Hij Hem gaf, daarmee doelde Hij op mij en gaf me ’t recht zoals Hem; ik neem daar niets uit, noch vereniging noch heiligheid van de Godheid noch ergens iets. Alles wat Hij Hem altijd in de menselijke natuur gaf dat is me niet vreemder noch verder dan Hem, want God kan niet [enkel] weinig geven; ofwel moet Hij alles ofwel helemaal niets geven. Zijn gave is volledig eenvoudig en volkomen zonder deling en niet in de tijd, immer voort [enkel] in de eeuwigheid; en zij dat zo zeker als ik leef: wanneer we zo van Hem ontvangen willen, zo moeten we in de eeuwigheid zijn, verheven boven de tijd. In de eeuwigheid zijn alle dingen tegenwoordig. Dat wat boven me is dat is me zo nabij en zo tegenwoordig als dat wat hier bij me is; en daar zullen we van God ontvangen wat we van God hebben moeten. God erkent ook niets buiten het Zijne, maar Zijn oog is enkel op Hemzelf gericht. Wat Hij ziet dat ziet Hij allemaal in Zich. Daarom ziet God ons niet wanneer we in zonden zijn. Daarom: zo wijd we in Hem zijn, zo wijd erkent God ons, dat heet: zowijd we zonder zonde zijn. En al de werken die onze Heer altijd doet die heeft Hij mij zo eigens gegeven dat ze voor mij niets minder loonwaardig zijn dan mijn eigen werken die ik doe. Daar nu ons allen Zijn ganse adel gelijk eigen en gelijk nabij is, mij zoals hem, waarom ontvangen we dan niets gelijks? Ach, dat moet je verstaan! Wanneer iemand tot deze gift komen wil dat hij dit goed gelijkerwijze, en de algemene en alle mensen gelijk nabije menselijke natuur, ontvange, dan is het daarvoor nodig dat, zoals er in de menselijke natuur niets vreemds noch vers noch nabijs bestaat, je in het menselijke gezelschap gelijk staat, jezelf niet nader dan een ander. Je moet alle mensen gelijk als jezelf liefhebben en gelijk achten en houden; wat een ander geschiedt, zij ’t kwaad of goed, dat moet voor jou zo zijn alsof het jou geschiedde.

Nu is dit de tweede zin: “Hij zond Hem in de wereld”. Nu willen we [daaronder] de grote wereld verstaan in welke de engelen schouwen. Hoe moeten we zijn? We moeten met onze ganse liefde en met ons ganse verlangen daar zijn, zoals Sint Augustinus zegt: wat de mens liefheeft dat wordt hij in de liefde. Moeten we nu zeggen: wanneer de mens God liefheeft dat hij dan God wordt? Dat klinkt zoals wanneer het ongeloof zij. In de liefde die een mens schenkt bestaan er geen twee maar [enkel] één en vereniging, en in de liefde ben ik meer God dan dat ik in mezelf ben. De profeet spreekt: “Ik heb gezegd, ik ben van de goden en kinderen de allerhoogste” [Ps., H. 82, v. 6]. Dat klinkt verwonderlijk, dat de mens in zulke wijze God te worden vermag in de liefde; niettemin is het waar in de eeuwige waarheid. Onze Heer Jezus Christus bewijst het.

“Hij zond Hem in de wereld”. ‘Mundum’ bezegt in één beduiding ‘rein’. Merkt op! God heeft geen eigenlijkere stad dan een rein hart en een reine ziel; daar baart de Vader Zijn Zoon, zoals Hij Hem in de eeuwigheid baart, niet meer en niet minder. Wat is een rein hart? Dat is rein, wat van alle creaturen afgezonderd en gescheiden is, want alle creaturen bevlekken wijl ze een niets zijn; want het niets is gebrek en bevlekt de ziel. Alle creaturen zijn een rein niets; noch de engel noch de creaturen zijn een iets. Ze hebben … en bevlekken, want ze zijn uit niets gemaakt; ze zijn en waren niets. Wat alle creaturen tegenstaand is en onlust verschaft dat is het niets. Legde ik een gloeiende kool in mijn hand, zo deed me dat pijn. Dat komt alleen van ‘niet’, en waren we vrij van ‘niet’, zo waren we niet onrein.

En nu: “We leven in Hem” met Hem. Er bestaat niets wat men zo zeer begeert dan het leven. Wat is mijn leven? Wat van binnenuit zichzelf bewogen wordt. Leven we dan ook met Hem, zo moeten we ook van binnenuit in Hem meewerken, zo dat we niet van buitenuit werken; we moeten veeleer daaruit bewogen worden waaruit we leven, dat heet: door Hem. We kunnen en moeten [echter nu] uit ons eigene van binnenuit werken. Willen we aldus dan in Hem of door Hem leven, zo moet Hij ons eigen zijn en moeten we uit ons eigene werken; zoals God alle dingen uit Zijn eigene en door Zichzelf werkt, zo moeten [ook] wij uit het eigene werken dat er in ons is. Hij is gans en helemaal ons eigen, en alle dingen zijn ons eigen in Hem. Alles wat alle engelen en alle heiligen en onze Vrouw hebben, dat is me in Hem eigen en is me niet vreemder noch verder dan dat wat ik zelf heb. Alle dingen zijn me gelijk eigen in Hem; en wanneer we tot dit eigene komen willen, dat alle dingen ons eigen zijn, zo moeten we Hem gelijkerwijze in alle dingen nemen, in het een niet meer dan in het ander, want Hij is in alle dingen gelijk.

Men vindt lui, hen smaakt God wel op één wijze, niet echter in de andere, en zij willen God doorgaans [enkel] op één wijze van het zich verzinken bezitten en in de andere niet. Ik laat het goed zijn, maar het is volledig verkeerd. Wie God in rechte wijze nemen wil die moet Hem in alle dingen gelijkerwijze nemen, in de benauwdheid zoals in welbevinden, in wenen zoals in vreugde; overal moet Hij je gelijk zijn. Geloof je dat, wijl je, zonder het door doodzonde verschuldigd te hebben, noch aandacht noch ernst hebt, je daarom zelfs, wijl je geen aandacht en geen ernst hebt, [ook] God niet hebt, en is je dat dan leed, zo is dit evenzo nu [jouw] aandacht en [jouw] ernst. Daarom moet je je niet op ergens een wijze toeleggen, want God is op geen wijze noch dit noch dat. Daarom doen zij die God in zulke wijze nemen Hem onrecht. Zij nemen de wijze, niet echter God. Daarom onthoudt dit woord: dat je rein enkel God in het oog hebt en zoekt. Welke wijzen dan toevallen, met die zijt gans tevreden. Want je uitzien moet rein enkel op God gericht zijn en op anders niets. Wat Hij dan gaarne of ongaarne heeft, dat is dan recht, en weet dat het anders volledig verkeerd is. Zij schuiven God onder een bank die zo vele wijzen hebben willen. Zij ’t nu wenen of zuchten en veel van dergelijke: dat alles is niet God. Valt het toe, nu zo neem het heen en zijt tevreden; voegt [stellt] het zich niet in, zo zijt wedermaal tevreden en neemt dat wat God je op dat tijdstip geven wil, en blijf altijd in deemoedige vernietiging en zelfvernedering, en het moet je altijd dunken dat je onwaardig zijt voor ergens iets goeds dat God je aandoen kon wanneer Hij wilde. Zo is dan het woord uitgelegd dat Sint Johannes schrijft: “Daarin is ons Gods liefde geopenbaard”; waren we zo, zo werd dit goede in ons geopenbaard. Dat het [voor] ons verborgen is, daaraan draagt niets anders de schuld dan wij. Wij zijn de oorzaak van al onze hindernissen. Hoed je voor jezelf, zo heb je wel gehoedt. En is het zo dat wij ’t niet nemen willen, zo heeft Hij ons [toch] daartoe verkozen; nemen wij ’t niet, zo zal het ons berouwen moeten, en het zal ons zeer verwezen worden. Dat we niet daartoe geraken waar dit goed ontvangen wordt dat ligt niet aan Hem maar aan ons.