ARVINDUS

Duitse Preken

1 Johannes, Hoofdstuk 4, Vers 9, II

1 JOHANNES, HOOFDSTUK 4, VERS 9, II

In hoc apparuit caritas dei in nobis. [1 Joh., H. 4, v. 9]

“Daarin is ons Gods liefde getoond en in ons zichtbaar geworden, dat God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij leven met de Zoon en in de Zoon en door de Zoon” [1 Joh., H. 4, v. 9]; want allen die daar niet door de Zoon leven die zijn waarlijk niet recht daarin.

Wanneer nu ergens een rijke koning was die een schone dochter had: gaf hij die de zoon van een arme man, zo werden allen die tot dat geslacht behoorden daardoor verhoogd en geadeld. Nu zegt een meester: God is mens geworden, daardoor is verhoogd en geadeld het ganse mensengeslacht. Dat mogen we ons wel verheugen, dat Christus, onze Broeder, uit eigen kracht uitgevaren is boven alle koren der engelen en zit ter rechterhand des Vaders. Deze meester heeft recht gesproken; maar waarlijk, ik gaf niet veel daarom. Wat hielp het mij wanneer ik een broeder had die daar een rijke man was en ik was daarbij een arme man? Wat hielp het mij, had ik een broeder die daar een wijs man was en ik was daarbij een dwaas?

Ik zeg iets anders en indringenders: God is niet alleen mens geworden, veeleer: Hij heeft de menselijke natuur aangenomen.

De meesters zeggen gemeenlijk, alle mensen zijn in hun natuur gelijk edel. Ik echter zeg waarheidsmatig: al het goede dat alle heiligen bezeten hebben en Maria, Gods moeder, en Christus naar Zijn mensheid, dat is mij eigen in deze natuur. Nu kon je me vragen: daar ik in deze natuur alles heb wat Christus naar Zijn mensheid te bieden vermag, hoe komt het dan dat we Christus verhogen en als onze Heer en onze God vereren? Dat komt daarom, omdat Hij een bode van God tot ons geweest is en ons onze zaligheid toegedragen heeft. De zaligheid die Hij ons toedroeg, die was de onze. Daar waar de Vader in de innerste grond Zijn Zoon baart, daar zweeft deze [mensen]natuur mede in. Deze natuur is één en éénvoudig. Er mag hier wel iets uit loeren [herauslugen] en iets aanhangen, maar dat is dit ene niet.

Ik zeg iets wijders en zeg iets zwaarders: wie onmiddellijk in de naaktheid dezer natuur staan wil die moet alle persoonshechtingen ontgaan zijn, zo dat hij die mens die generzijds de zee is, die hij met de ogen niet gezien heeft, evenzowel goeds gunde als die mens die bij hem is en zijn vertrouwde vriend is. Zolang je jouw persoon meer goeds gunt dan die mens die je niet gezien hebt, zo staat het waarlijk onrecht met je, en je hebt nog nooit enkel een ogenblik lang in deze éénvoudige grond geloerd. Je mag echter wel in een afgetrokken beeld de waarheid zoals in een gelijkenis gezien hebben: het beste echter was het niet.

Ten andere moet je een rein hart zijn, want dat hart is alleen rein dat alle geschapenheid teniet gedaan heeft. Ten derde moet je vrij zijn van niet [Nicht]. Men stelt de vraag wat in de hel brandt? De meesters zeggen algemeen: dat doet de eigenwil. Ik echter zeg waarheidsmatig dat het niet in de hel brandt. Verneem dan nu een gelijkenis! Men neme een brandende kool en legt die op mijn hand. Wilde ik nu zeggen, die kool brandt mijn hand, zo deed ik haar volledig onrecht. Wil ik echter treffend zeggen wat mij brandt: het ‘niet’ doet ‘t, want de kool heeft iets in zich wat mijn hand niet heeft. Ziet, zelfs dit ‘niet’ brandt me. Had echter mijn hand al dat in zich wat de kool is en te leien vermag, zo had die gans en helemaal de vuurnatuur. Nam ene dan al het vuur dat ooit brandde en schudde het op mijn hand, zo kon het me niet pijnigen. In gelijke wijze zeg ik: daar God en al diegenen die in de aanschouwing Gods zijn in de echte zaligheid iets in zich hebben wat diegenen niet hebben die van God gescheiden zijn, zo pijnigt dit ‘niet’ de zielen die in de hel zijn, meer dan eigenwil of ergens een vuur. Ik zeg voorwaar: zoveel je van ‘niet’ aanhecht, zo wijd ben je onvolkomen. Daarom, wil je volkomen zijn, zo moet je vrij zijn van ‘niet’.

Daarom zegt het woordje dat ik je voorgelegd heb: “God heeft zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden”; dat kun je niet met het oog op de uitere wereld verstaan, zoals Hij met ons at en dronk: je moet het verstaan met betrekking tot de innere wereld. Zowaar de Vader in Zijn éénvoudige natuur Zijn Zoon natuurlijk baart, zowaar baart Hij Hem in de geest van het innerste, en dit is de innere wereld. Hier is Gods grond mijn grond en mijn grond Gods grond. Hier leef ik uit mijn eigene, zoals God uit Zijn eigene leeft. Wie in deze grond ooit enkel één ogenblik lang loerde, [voor] die mensen zijn duizend mark rood, geslagen goud [zoveel] als een valse heller. Uit deze innerste grond moet je al je werken werken zonder waarom. Ik zeg voorwaar: zolang je je werk werkt om het hemelrijk of om God of om je eeuwige zaligheid wille, [aldus] vanaf buiten, zo is het waarlijk niet recht met je gesteld. Men mag je weliswaar wel nemen, maar het beste is het doch niet. Want waarlijk, wanneer ene waant in innerlijkheid, aandacht, zoete verrukking en in bijzondere begenadiging Gods meer te bekomen dan bij haardvuur of in stal, zo doe je niets anders dan wanneer je God nam, Hem een mantel om het hoofd wond en Hem onder een bank schoof. Want wie God in een [bepaalde] wijze zoekt, die neemt de wijze en mist [verfehlt] God, Die in de wijze verborgen is. Wie echter God zonder wijze zoekt, die bevat Hem zoals Hij in Zichzelf is; en zulk een mens leeft met de Zoon, en Hij is het leven zelf. Wie het leven vroeg, duizend jaar lang: ‘Waarom leef je?’ – kon het antwoorden, het sprak niets anders dan: ‘Ik werk daarom, dat ik werk’.

Waar het creatuur eindigt, daar begint God te zijn. Nu begeert God niets meer van je dan dat je uit je zelf uitgaat, jouw creatuurlijke zijnswijze na, en God God in je zijn laat. Het geringste creatuurlijke beeld dat zich ooit in je inbeeldt dat is zo groot als God groot is. Waarom? Omdat het je aan een ganse God hindert. Zelfs daar waar dit beeld [in je] ingaat, daar moet God wijken en Zijn ganse godheid. Waar echter dit beeld uitgaat, daar gaat God in. God begeert zo zeer daarnaar, dat je jouw creatuurlijke zijnswijze na uit je zelf gaat, alsof Zijn ganse zaligheid daaraan lag. Nu dan, lieve mens, wat schaadt het je wanneer je God vergunt dat God God in je zij? Ga volledig uit je zelf om Gods wille, zo gaat God volledig uit Zichzelf om jouw wille. Wanneer deze beiden eruit gaan, zo is dat wat daar blijft een éénvoudig één. In dit ene baart de Vader Zijn Zoon in de innerste bron. Daar bloeit op de Heilige Geest, en daar ontspringt in God een wil, die behoort de ziel toe. Zolang de wil onberoerd staat van alle creaturen en van alle geschapenheid is de wil vrij. Christus spreekt: “Niemand komt tot de hemel, dan wie van de hemel gekomen is” [Joh., H. 3, v. 13]. Alle dingen zijn geschapen uit niets; daarom is hun ware oorsprong het niets, en zowijd zich deze edele wil de creaturen toe neigt verliest hij met de creaturen in hem niets.

Nu stelt men de vraag of deze edele wil zo ver vervliegt dat hij nooit weder terugkomen kan? De meesters zeggen gemeenlijk, hij komt nooit weder terug zowijd hij met de tijd vervlogen zij. Ik echter zeg: wanneer immer zich deze wil van zichzelf en alle geschapenheid [enkel] een ogenblik terug in zijn eerste oorsprong keert, zo staat de wil [weder] in zijn rechte vrije aard en is vrij; en in dit ogenblik wordt alle verloren tijd weder ingebracht.

De lui zeggen vaak tot me: “Bidt voor me!” Dan denk ik: “Waarom ga je uit? Waarom blijf je niet in jezelf en grijp je in je eigen goed? Je draagt toch alle waarheid wezenlijk in je.”

Dat we in zulke wijze waarlijk binnen blijven mogen, dat we alle waarheid onmiddellijk en zonder onderscheidenheid in rechte zaligheid bezitten, daartoe helpe ons God! Amen.