ARVINDUS

Duitse Preken

Wijsheid, Hoofdstuk 5, Vers 16

WIJSHEID, HOOFDSTUK 5, VERS 16

Iusti vivent in aeternum. [Wh., H. 5, v. 16]

“De gerechtigen [Gerechten] zullen eeuwig leven, en hun loon is bij God” [Wh., H. 5, v. 16]. Nu merkt recht precies op de betekenis dezes woord; mag het [woord] ook simpel en algemeen verstaanbaar klinken, zo is het doch zeer achtenswaardig en door en door goed.

“De gerechtigen zullen leven”. Welken zijn de gerechtigen? Een geschrift zegt: “Die is gerechtig die een ieder geeft wat het zijne is”: de God geven wat het Zijne is, en de heiligen en de engelen wat het hunne is, en de medemensen wat het hunne is.

Gods is de ere. Wie zijn zij, die God eren? Die [uit] zichzelf ganselijk uitgegaan zijn en het hunne gans en helemaal niet zoeken in welke dingen dan ook, wat immer het zij, noch groot noch klein; die naar niets onder zich noch boven zich noch naast zich noch aan zich uitzien; die niet naar God noch ere noch gemak noch lust noch nut noch innigheid noch heiligheid noch loon noch hemelrijk streven en zich al dit veruiterd [entäußert] hebben, al het hunne, – van deze lui heeft God ere, en die eren God in eigenlijke zin en geven Hem wat het Zijne is.

De engelen en de heiligen moet men vreugde geven. O wonder boven alle wonderen! Kan een mens in dit leven vreugde geven aan hen die in het eeuwige leven zijn? Ja, waarlijk! Iedere heilige heeft zo een grote lust en zo een onuitsprekelijke vreugde door ieder goed werk, – door een goed willen of een begeren hebben ze zo een grote vreugde dat geen mond het uit te spreken en geen hart uit te denken vermag, hoe een grote vreugde zij daardoor hebben. Waarom is dat zo? Omdat ze God zo gans boven alle maten liefhebben en Hem zo recht lief hebben dat Zijn ere hen liever is dan hun zaligheid. En niet enkel de heiligen en de engelen, veeleer God Zelf heeft zo een grote lust daaraan, recht als zij het Zijn zaligheid en Zijn zijn hangt daarvan af en Zijn genoegen en Zijn welbehagen. Welaan, nu merkt op! Wilden we God uit geen andere grond dienen dan omwille van de grote vreugde welke zij daaraan hebben die in het eeuwige leven zijn, en God zelf, we konden het graag doen en met alle vlijt.

Men moet ook hen hulp geven die in het vagevuur zijn, en vordering en [goed voorbeeld] hen die nog leven.

Zulk een mens is gerechtig in ene wijze, echter in een andere zin zijn zij gerechtig die alle dingen van God als gelijk aannemen, wat immer het zij, groot of klein, lief of leed, en weliswaar gans gelijk, zonder minder of meer, het ene zoals het andere. Sla je het ene hoe dan ook hoger aan dan het andere, zo is het verkeerd. Je moet je jouw eigen wil veruiteren.

Tot mij kwam laatst de gedachte: wilde God niet zoals ik, zo wilde ik toch zoals Hij. Menige lui willen in alle dingen hun eigen wil hebben; dat is kwaad, er steekt een smet in. De anderen zijn weinig beter: die willen wel wat God wil, en tegen Zijn wil willen ze niets; waren ze echter ziek, zo wilden ze wel, mocht het Gods wil zijn, dat ze gezond waren. Zo wilden aldus deze lui liever dat God naar hun wil wilde, opdat ze naar Zijn wil wilden. Men moet het gaan laten, het is echter het rechte niet. De gerechtigen hebben überhaupt geen wil; wat God wil, dat geldt voor hen allemaal gelijk, hoe groot het ongemak ook zij.

De gerechtige mensen is het zo ernst met de gerechtigheid dat wanneer God niet gerechtig was ze geen greintje [nicht die Bohne] op God achten zouden; en ze staan zo vast in de gerechtigheid en hebben zich zo ganselijk hun zelf veruiterd dat ze noch de pijn der hel noch de vreugde des hemelrijks noch ergens iets achten. Ja, ware alle pijn die allen hebben die in de hel zijn, mensen of duivels, of all pijn die ooit op Aarde geleden werd of geleden zal worden, ware die met de gerechtigheid verknoopt, ze zouden het niet in het minste achten; zo vast staan ze tot God en tot gerechtigheid. Niets is de gerechtige mensen pijnvoller en zwaarder dan wat de gerechtigheid tegenstaand is: dat zij niet in alle dingen gelijk[moedig] is. Hoezo dat? Kan een ding de mensen verheugen en een ander hen bedroeven, zo zijn ze niet gerechtig; veeleer, wanneer ze ten ene tijd vrolijk zijn, zo zijn ze ten alle tijden vrolijk; zijn ze ten ene tijd meer en ten andere minder vrolijk, zo zijn ze onrecht daarmee. Wie de gerechtigheid liefheeft die staat zo vast daarop dat wat hij liefheeft zijn zijn is; geen ding vermag hem daarvan af te trekken, en op niets anders acht hij. Sint Augustinus spreekt: “Waar de ziel lief heeft, daar is ze eigenlijker dan daar waar ze leven geeft.” Ons schriftwoord klinkt simpel en algemeen verstaanbaar, en toch verstaat nauwelijks iemand wat de betekenis daarvan is; en toch is het waar. Wie de leer van de gerechtigheid en van de gerechtigen verstaat, die verstaat alles wat ik zeg.

“De gerechtigen zullen leven.” Niets is zo lief en zo begerenswaardig onder alle dingen dan het leven. En wederom is geen leven zo slecht, noch zo bezwaarlijk, dat de mens niet nochtans leven wilde. Een geschrift zegt: hoe nader iets de dood is, des te pijnvoller is het. Onverschillig, hoe erg het leven ook is, het wil toch leven. Waarom eet je? Waarom slaap je? Opdat je leeft. Waarom begeer je God of ere? Dat weet je zeer wel. Echter: waarom leef je? Om des levens wille, en je weet nochtans niet waarom je leeft. Zo begerenswaardig is het leven in zichzelf dat men het om zijn eigen wille begeert. Die in de hel zijn, in eeuwige pijn, zelfs die wilden hun leven niet verliezen, noch de duivel noch de zielen, want hun leven is zo edel dat het onmiddellijk van God in de ziel vloeit. Omdat het zo onmiddellijk van God vloeit, daarom willen ze leven. Wat is leven? Gods zijn is mijn leven. Is dan mijn leven Gods zijn, zo moet Gods zijn het mijne zijn en Gods wezenheid mijn wezenheid, niet minder en niet meer.

Ze leven eeuwig “bij God”, gans gelijk bij God, noch daaronder noch daarboven. Ze werken allen hun werken bij God en God bij hen. Sint Johannes spreekt: “Het woord was bij God” [Joh., H. 1, v. 1]. Het was volledig gelijk en daarnaast, niet daaronder noch daarboven, maar gelijk. Toen God de mensen schiep, toen schiep Hij de vrouw uit des mannens zijde, opdat ze hem gelijk ware. Hij schiep haar noch uit het hoofd noch uit de voeten, opdat ze noch onder noch boven hem ware, maar dat ze gelijk ware. Zo ook moet de gerechtige ziel gelijk bij God zijn en naast God, gans gelijk, noch daaronder noch daarboven.

Wie zijn zij, die in zulke wijze gelijk zijn? Die niets gelijk zijn, die alleen zijn God gelijk. Het goddelijke wezen is niets gelijk; daarin bestaat er noch beeld noch vorm. De zielen die in zulke wijze gelijk zijn, hen geeft de Vader gelijk en onthoudt hen niets. Wat de Vader te bereiken vermag, dat geeft Hij een zulke ziel in gelijke wijze, voorwaar, wanneer ze zichzelf niet meer gelijkt dan een andere, en ze moet zichzelf niet nader zijn dan een andere. Haar eigen ere, haar nut en wat immer het hare is, dat moet ze niet meer begeren noch achten als dat van een vreemde. Wat immer ergens iemand is, dat moet haar noch vreemd noch ver zijn, het zij kwaad of goed. Alle liefde dezer wereld is gebouwd op eigenliefde. Had je die gelaten, zo had je de ganse wereld gelaten.

De Vader baart Zijn zoon in de eeuwigheid Zichzelf gelijk. “Het woord was bij God, en God was het woord”: het was hetzelfde in dezelfde natuur. Nog zeg ik daarenboven: Hij heeft het gebaard uit mijn ziel. Niet alleen is het bij Hem en Hij bij het als gelijk, maar Hij is in het; en de Vader baart Zijn Zoon in de ziel op dezelfde wijze, zoals Hij het [woord] in de eeuwigheid baart en niet anders. Hij moet het doen, het zij Hem lief of leed. De Vader baart Zijn Zoon zonder onderbreking, en ik zeg meer nog: Hij baart mij als Zijn zoon en als dezelfde zoon. Ik zeg nog meer: Hij baart mij niet alleen als Zijn zoon; Hij baart mij als Zich en Zich als mij en mij als Zijn zijn en als Zijn natuur. In de innerste bron, daar wel ik op uit de Heilige Geest; daar is één leven en één zijn en één werk. Alles wat God werkt dat is één; daarom baart Hij mij als Zijn zoon zonder enig onderscheid. Mijn lijfelijke vader is niet eigenlijk mijn vader, maar enkel met een klein stukje zijner natuur, en ik ben gescheiden van hem; hij kan dood zijn en ik leven. Daarom is de hemelse Vader in waarheid mijn vader, want ik ben Zijn zoon en heb alles van Hem, wat ik heb, en ik ben dezelfde zoon en niet een andere. Omdat de Vader [enkel] één werk werkt, daarom werkt Hij mij als Zijn eniggeboren zoon zonder enig onderscheid.

“We worden volledig in God getransformeerd en veranderd” [2 Kor. H. 3, v. 18]. Verneem een gelijkenis! Gans zo, zoals wanneer in het sacrament brood in onze Heers lijf veranderd wordt: hoeveel der broden het ook waren, zo wordt [het] toch enkel één lijf – evenzo zou, wanneer alle broden in mijn vinger veranderd waren, er toch niet meer dan één vinger zijn. Werd wederom mijn vinger in dat brood veranderd, zo ware dit zoveel [broden] als die er waren. Wat in iets anders veranderd wordt, dat wordt één daarmee. Gans zo werd ik in Hem veranderd, dat Hij mij als Zijn zijn werkt, [en wel] als ene, niet als gelijke; bij de levende God is het waar, dat er daar generlei onderscheid bestaat.

De Vader baart Zijn Zoon zonder onderbreking. Wanneer de Zoon geboren is neemt Hij niets [meer] van de Vader, want Hij heeft alles; wanneer Hij echter geboren wordt, neemt Hij van de Vader. In de blik daarop moeten ook niets van God zoals van een vreemde begeren. Onze Heer sprak tot zijn volgelingen [Jüngern]: “Ik heb jullie niet knechten geheten, maar vrienden” [Joh., H. 15, v. 15]. Wat ergens iets van anderen begeert, dat is ‘knecht’, en wat daar loont, dat is ‘heer’. Ik dacht laatst daarover na, of ik van God iets nemen of begeren wilde. Ik wil het me zeer wel overleggen, want wanneer ik van God [iets] nemen zou, zo ware ik onder God als een knecht en Hij in het geven als een heer. Zo echter moet het met ons niet zijn in eeuwige leven.

Ik zei eens ook hier, en het is ook waar: wanneer de mens iets van buiten zijn zelf betrekt of neemt, zo is dat niet recht. Men moet God niet als buiten een zelf bevatten en aanzien, maar als mijn eigen en als dat wat in ene is; bovendien moet men niet dienen noch werken om ergens een waarom, noch om God noch om de eigen ere noch om ergens iets wat buiten ene is, maar enkel om die wille, wat het eigene zijn en het eigene leven in ene is. Menige eenvoudige lui wanen, ze moeten God [zo] zien als stond Hij daar en zij hier. Dat is niet zo. God en ik, wij zijn één. Door dat erkennen neem ik God in mij binnen; door de liefde daarentegen ga ik in God binnen. Menigen zeggen, de zaligheid ligt niet in het erkennen, maar alleen in het willen. Die hebben ongelijk; want lage ze alleen in het willen, zo handelde het niet over ene. Het werken en het worden echter is één. Wanneer de timmerman niet werkt wordt ook het huis niet. Waar de aks rust, rust ook het worden. God en ik, wij zijn één in zulke werken; Hij werkt, en ik wordt. Het vuur verandert in zich wat het toegevoerd wordt, en dit wordt tot zijn natuur. Niet het hout verandert het vuur in zich, veeleer verandert het vuur het hout in zich. Zo ook worden wij in God veranderd, zo dat we Hem erkennen zullen, hoe Hij is [1 Joh., H. 3, v.2]. Sint Paulus zegt: zo zullen we erkennen: recht ik Hem als Hij mij, niet minder en niet meer, gewoonweg gelijk [1 Kor., H. 13, v. 12]. “De gerechtigen zullen eeuwig leven, en hun loon is bij God” – gans zo gelijk.

Dat we de gerechtigheid om ons zelf willen en God zonder waarom liefhebben, daartoe helpe ons God. Amen.