ARVINDUS

Duitse Preken

Hosea, Hoofdstuk 14, Vers 4

HOSEA, HOOFDSTUK 14, VERS 4

Populi eius qui in te est, misereberis. [Hos., H. 14, v. 4]

“De profeet spreekt: “Heer des volks dat in U is, dezes erbarm U” [Hos., H. 14, v. 4]. Onze Heer antwoordt: “Alles wat afvallig [anfällig] is, dat zal Ik gezond maken en zal ze gewillig liefhebben.”

Ik neem het schriftwoord: “De farizeeër begeerde dat onze Heer met hem at” en daarbij “onze Heer sprak tot de vrouw: vade in pace, ga in de vrede!” [Luc., H. 7, v. 36, 50]. Het is goed, wanneer men van vrede tot vrede komt, het is loffelijk; trots dat is het gebrekkig. Men moet lopen in de vrede, men moet niet aanvangen in vrede. God [onze Heer] wil zeggen: men moet verzet en binnengestoten worden in de vrede en moet eindigen in vrede. Onze Heer sprak: “In Mij alleen heb je vrede” [Joh., H. 16, v.33]. Precies zo ver als in God, zo ver in vrede. Wat ergens van ene in God is, dat heeft vrede; is daarentegen iets van ene buiten God, zo heeft het onvrede. Sint Johannes spreekt: “Alles wat uit God geboren is, dat overwint de wereld” [1 Joh., H. 5, v. 4]. Wat uit God geboren is dat zoekt vrede en loopt in de vrede. Daarom sprak Hij [God, onze Heer]: “Vade in pace, loop in de vrede!” De mens die zich in lopen en in bestendig lopen bevindt, en wel in de vrede, die is een hemels mens. De hemel loopt bestendig om, en in de loop zoekt hij vrede.

Nu geeft acht! “De farizeeër begeerde dat onze Heer met hem at.” De spijs die ik eet, die wordt zo verenigd met mijn lijf als mijn lijf met mijn ziel. Mijn lijf en mijn ziel zijn verenigd in één zijn, niet zoals in een werken – [niet dus] zoals zich mijn ziel het oog in werken, dat wil zeggen, daarin, dat het ziet, verenigt – ; zo ook wordt de spijs die ik eet met mijn natuur in zijn verenigd, niet daarentegen in werken, en dit duidt op de grote [ver]eniging die we met God in zijn, niet echter in werken, hebben moeten. Daarom bad de farizeeër onze Heer dat Hij met hem at.

‘Farizeeër’ zegt zoveel als: ene die afgezonderd is en van geen einde weet. Alles toebehorend aan de ziel moet volledig uitgeloosd [abgelöst] worden. Hoe edeler de krachten zijn, des te sterker lozen ze uit. Zekere krachten zijn zo hoog boven het lichaam en zo afgezonderd dat ze volledig afschillend en afscheidend werken! Een meester zegt een schoon woord: wat [enkel ooit] eenmaal lichamelijkheid beroert, dat geraakt nooit daar binnen. Ten tweede [bezegt ‘farizeeër’], dat men uitgeloosd en teruggetrokken en ingetrokken zijn moet. Hieruit mag men aannemen dat een ongeleerd mens [alleen] door liefde en begeren weten bereiken en leren kan. Ten derde bezegt het [‘farizeeër’] dat men geen einde hebben [moet] en nergens afgesloten zijn [moet] en nergens hechten [moet] en zo in vrede verzet zijn moet, dat men niets [meer] weet van onvrede wanneer een zulker mens in God verzet wordt door de krachten die volledig losgelaten zijn. Daarom sprak de profeet: “Heer, des volks dat in U is, dezes erbarm U.”

Een meester zegt: het hoogste werk dat God altijd werkt in alle creaturen dat is barmhartigheid. Het heimelijkste en verborgenste, zelfs dat wat Hij altijd in de engelen werkt, dat wordt opwaarts gedragen in de barmhartigheid, en wel in het werk der barmhartigheid, zo als het in zichzelf is en als het in God is. Wat immer God werkt, de eerste uitbreuk is [immer] barmhartigheid, [en wel] niet deze, daar Hij de mensen hun zonden vergeeft en daar een mens zich over de ander erbarmt; veeleer wil hij [de meester] zeggen: het hoogste werk dat God werkt, dat is barmhartigheid. Een meester zegt: het werk [der] barmhartigheid is God zo wezensverwant, dat weliswaar waarheid en rijkdom en goedheid God benoemen, terwijl [van dezen] het ene Hem meer uitspreekt dan het andere: het hoogste werk Gods echter is barmhartigheid, en het beduidt dat God de ziel in het hoogste en louterste verzet wat ze ontvangen vermag: in de wijdte, in de zee, in een onbegrondelijke zee; daar werkt God barmhartigheid. Daarom sprak de profeet: “Heer des volks dat in U is, dezes erbarm U.”

Welk volk is in God? Sint Johannes spreekt: “God is de liefde, en wie in de liefde blijft die blijft in God en God in hem” [1 Joh., H.4, v. 16]. Hoewel Sint Johannes zegt, de liefde verenigt, zo verzet doch de liefde nooit in God; in alle gevallen verlijmt ze [het alreeds verenigde]. De liefde verenigt niets, in geen enkele wijze; wat [alreeds] verenigd is dat hecht ze tezamen en bindt het toe. Liefde verenigt in werken, niet echter in zijn. De beste meesters zeggen, het vernuft schilt volledig af en vat God ontbloot, zoals Hij rein zijn in Zichzelf zij. Het erkennen breekt door de waarheid en goedheid door en werpt zich op het reine zijn en vat God zoals Hij zonder namen is. Ik [echter] zeg: noch het erkennen noch de liefde [ver]enigen. De liefde begrijpt God zelf, voor zover Hij goed is, en ontviel God de naam ‘goedheid’, zo zou de liefde nimmermeer verder komen. De liefde neemt God onder een vel, onder een kleed. Dat doet het vernuft niet; het vernuft neemt God zo, als Hij in het [vernuft] erkent wordt; het [vernuft] kan Hem echter nooit bevatten in de zee Zijner onbegrondelijkheid. Ik zeg: boven deze beide, [boven het] erkennen en [de] liefde uit rijst de barmhartigheid; in het hoogste en het louterste dat God te werken vermag, daar werkt God barmhartigheid.

Een meester spreekt een schoon woord: [namelijk] dat iets in de ziel is dat geheel heimelijk en verborgen is en wijd boven dat waar de krachten vernuft en wil uitbreken. Sint Augustinus zegt: zoals dat waar de Zoon uit de Vader uitbreekt in de eerste uitbraak onuitsprekelijk is, zo ook bestaat er iets geheel heimelijks boven de eerste uitbraak waarin vernuft en wil uitbreken. Een meester, die het allerbeste over de ziel gesproken heeft, zegt dat het gezamenlijke menselijke weten nooit daarin indringt wat de ziel in zijn grond zij. [Te begrijpen,] wat de ziel zij, daartoe behoort bovennatuurlijk weten. Weten we doch niets van daar waar de krachten uit de ziel in de werken uitgaan; we weten wel een weinig daarvan, het is echter gering. Wat de ziel in haar grond zij, daarvan weet niemand iets. Wat men daarvan weten kan, dat moet bovennatuurlijk zijn, het moet uit genade zijn: daar werkt God barmhartigheid. Amen.