ARVINDUS

Duitse Preken

Hebreeën, Hoofdstuk 11, Vers 37

HEBREEËN, HOOFDSTUK 11, VERS 37

In occisione gladii mortui sunt. [Hebr., H. 11, v. 37]

Men leest over de martelaren, dat “ze gestorven zijn onder het zwaard” [Hebr., H. 11, v. 37]. Onze Heer sprak tot zijn volgelingen [Jüngern]: “Zalig zijn jullie, zo je iets lijdt om Mijn naams willen” [Mat., H. 5, v. 11, H.10, v. 22].

Nu heet het: “Ze zijn dood”. Dat “ze dood zijn” wil ten eerste zeggen dat alles, wat immer men in deze wereld en in dit leven lijdt, een einde neemt. Sint Augustinus zegt: alle pijn en ieder werk der moeite neemt een einde, echter het loon dat God daarvoor geeft, dat is eeuwig. Ten tweede, dat we ons tegenwoordig houden moeten dat dit ganse leven sterfelijk is, dat we alle pijn en al de moeite die ons toestoten mogen, niet vrezen moeten, want dat neemt een einde. Ten derde, dat we ons verhouden moeten alsof we dood zijn, zodat ons noch lief noch leed beroert. Een meester zegt: de hemel vermag niets te beroeren, en dat wil zeggen dat die mens een hemels mens is, voor wie alle dingen niet zoveel gelden dat ze hem te beroeren vermogen. Er spreekt een meester: daar alle creaturen zo nietig zijn, waardoor komt het dan dat ze de mensen zo licht van God afwenden; de ziel is toch in haar geringste waardevoller dan de hemel en alle creaturen? Hij antwoordt: het komt daardoor, dat hij God weinig acht. Achtte de mens God, zoals hij moest, zo was het vast onmogelijk dat hij ooit faalde. En het is een goede leer, dat de mens zich verhouden moet in deze wereld alsof hij dood zij. Sint Gregorius zegt, niemand kan God in rijke mate bezitten, dan wie voor deze wereld tot op de grond dood zij.

De vierde leer [echter] is de allerbeste. Het heet, “ze zijn dood”. De dood [echter] geeft hen een zijn. Een meester zegt: de natuur verstoort niets zonder dat ze iets beters [daarvoor] geeft. Wanneer lucht tot vuur wordt, zo is dat iets beters; wanneer echter lucht tot water wordt, zo is dat een verstoren en een verdwaling. Wanneer dit de natuur [al] doet, zo doet ’t God des te meer: nooit verstoort Hij zonder iets beters [daarvoor] te geven. De martelaren zijn dood en hebben een leven verloren, hebben echter een zijn ontvangen. Een meester zegt, het edelste zij zijn en leven en erkennen. Erkennen is hoger dan leven of zijn, want daarin, dat het erkent, heeft het [tegelijk] leven en zijn. Wederom echter is leven edeler dan zijn of erkennen, zoals de boom, die leeft, terwijl de steen [enkel] een zijn heeft. Vatten we echter enkel wederom het zijn als rein en louter, zoals het in zichzelf is: dan is zijn hoger dan erkennen of leven; want daarin, dat het zijn heeft, heeft het [tegelijk] erkennen en leven.

Ze hebben een leven verloren en hebben een zijn gevonden. Een meester zegt, dat God niets zo gelijk zij dan zijn; zowijd iets zijn heeft, zowijd gelijkt het God. Een meester zegt: zijn is zo louter en zo hoog, dat alles wat God is een zijn is. God erkent niets dan enkel zijn, Hij weet niets dan zijn, zijn is zijn ring. God gelieft niets dan Zijn zijn, Hij denkt niets dan Zijn zijn. Ik zeg: alle creaturen zijn een zijn. Een meester zegt, dat zekere creaturen God zo na zijn en zoveel des goddelijke licht in zich ingedrukt bezitten dat ze andere creaturen zijn verlenen. Dat is niet waar, want zijn is zo hoog en zo louter en God zo verwant, dat niemand zijn verlenen kan dan God alleen in Zichzelf. Gods eigenste wezen is zijn. Een meester zegt: een creatuur kan wel de andere leven geven. Juist daarom is alles, wat hoe dan ook is, enkel [en] alleen in zijn gegrond. Zijn is een eerste naam. Alles wat gebrekkig is dat is afval[lig] van zijn. Ons ganse leven moest een zijn zijn. Zowijd ons leven een zijn is, zowijd is het in God. Zowijd ons leven ingesloten is in zijn, zowijd is het God verwant. Een leven mag nog zo gering zijn, vat men het zover het zijn is, zo is het edeler dan alles wat ooit leven gewon. Ik ben dit zeker: erkende een ziel [ook maar] het geringste dat zijn heeft, ze keerde zich nooit weder slechts één ogenblik daarvan af. Het geringste dat men [als] in God erkent, ja, erkende men zelfs [maar] een bloem zo als ze een zijn in God heeft, dat ware edeler dan de ganse wereld. Het geringste dat in God is, zover het een zijn is, dat is beter dan wanneer iemand een engel erkende.

Wanneer de engel zich het erkennen der creaturen toekeerde, zo werd het nacht. Sint Augustinus zegt: wanneer de engelen de creaturen zonder God erkennen, zo is dat een avondlicht; wanneer ze echter de creaturen in God erkennen, zo is dat een morgenlicht. Erkennen ze [wederom] God, zoals Hij rein in Zichzelf zijn is, zo is dat het licht der middag. Ik zeg: dit moet de mens begrijpen en erkennen, dat het zijn zo edel is. Geen creatuur is zo gering dat ze niet naar het zijn begeerde. De rupsen, wanneer ze van de bomen afvallen, zo kruipen ze op een wand omhoog, opdat ze hun zijn behouden. Zo edel is het zijn. We prijzen het sterven in God, opdat Hij ons verzette in een zijn, dat beter is dan leven: een zijn in welk ons leven leeft, waarin ons leven een zijn wordt. De mens moet zich willig in de dood geven en sterven, opdat hem een beter zijn ten deel wordt.

Ik zeg wel eens, hout zij beter dan goud; dat is heel verwonderlijk. Een steen is edeler, zover het een zijn heeft, dan God en Zijn godheid zonder zijn, zover men Hem het zijn onttrekken kon. Het moet een heel krachtig leven zijn, waarin dode dingen levendig worden, ja, waarin zelfs de dood een leven wordt. God, Die sterft niets; alle dingen leven in Hem. “Ze zijn dood”, zegt de schrift van de martelaren, en zijn verzet in een eeuwig leven, in ieder leven in welk het leven een zijn is. Met moet tot op de grond dood zijn, zo dat ons noch lief noch leed beroere. Wat men erkennen moet, moet men in zijn oorzaak erkennen. Nooit kan men een ding recht in zichzelf erkennen, wanneer men het niet in zijn oorzaak erkent. Dat kan nooit [een] waar erkennen zijn, dat iets niet in zijn openbare oorzaak erkent. Zo ook kan het leven nooit voleindigd worden, [of] het werd dan in zijn openbare oorzaak gebracht waarin het leven een zijn is dat de ziel ontvang wanneer het tot in de grond sterft, opdat we leven in dat leven waarin het leven een zijn is. Wat ons daaraan hindert, daarin bestaand te zijn, daar wijst een meester op en zegt: het komt daardoor dat we de tijd beroeren. Wat de tijd beroert dat is sterfelijk. Een meester zegt: de hemelsloop is eeuwig; wel is het waar dat de tijd van hem afkomt, maar dat geschiedt in een afvallen. In zijn loop [zelf] daarentegen is hij eeuwig, hij weet [daar] niets van tijd, en dat duidt daarop, dat de ziel in een rein zijn gezet zijn moet. Het tweede [dat hindert] is wanneer iets een tegenstelling in zich inhoudt. Wat is de tegenstelling? Lief en leed, wit en zwart, dat staat in tegenstelling, en die heeft in zijn geen bestaan.

Een meester zegt: de ziel is daartoe het lijf gegeven, dat ze gelouterd worde. De ziel, wanneer ze van het lijf gescheiden is, heeft noch vernuft noch willen: ze is één, ze vermocht niet de kracht uit te brengen met welke ze zich tot God keren kon; ze heeft ze [vernuft en willen] wel in haar grond als in dezes wortel, niet echter in haar werken. De ziel wordt in het lichaam gelouterd, opdat ze verzamele wat verstrooid en eruit gedragen is. Wanneer dat wat de vijf zinnen eruit dragen weder in de ziel erin komt, zo heeft ze een kracht in welke het allemaal één wordt. Ten andere wordt de ziel gelouterd in de oefening der deugden, d.w.z. wanneer de ziel opklimt in een leven dat vereend is. Daaraan ligt der zieles louterheid, dat ze gelouterd is door een leven dat gedeeld is, en intreedt in een leven dat vereend is. Alles wat in nedere dingen gedeeld is dat wordt vereend wanneer de ziel opklimt in een leven in welk het geen tegenstelling geeft. Wanneer de ziel in het licht der vernuft komt, zo weet ze niets van tegenstelling. Wat dit licht ontvalt, dat valt in de sterfelijkheid en sterft. Ten derde ligt daarin der zieles louterheid, dat ze op niets geneigd zij. Wat tot ergens iets anders geneigd is, dat sterft en kan niet bestaan hebben.

We bidden God, onze lieve Heer, daarom, dat Hij ons helpt van een leven dat gedeeld is, in een leven dat één is. Daartoe helpe ons God. Amen.