ARVINDUS

Duitse Preken

Ecclasiasticus, Hoofdstuk 50, Vers 6, 7

ECCLESIASTICUS, HOOFDSTUK 50, VERS 6, 7

Quasi stella matutina in medio nebulae et quasi luna plena in diebus suis lucet et quasi sol refulgens, sic iste refulsit in templo dei. [Eccl., H. 50, v. 6, 7]

“Als een morgenster midden in [de] nevel en als een volle maan in zijn dagen en als een stralende zon, zo heeft deze gelicht in de tempel Gods” [Eccl., H. 50, v. 6, 7].

Nu neem ik het laatste woord: “Tempel Gods”. Wat is “God”, en wat is “tempel Gods”?

Vierentwintig meesters kwamen tezamen en wilden bespreken wat God was. Ze kwamen op bestemde tijd [tezamen], en ieder van hen bracht zijn woord naar voren; van deze grijp ik er nu twee of drie uit. De ene zei: “God is iets waar tegenover alle veranderbare en tijdelijke dingen niet zijn, en alles wat zijn heeft, dat is voor Hem gering.” De tweede sprak: “God is iets dat noodwendig boven het zijn is, dat in zichzelf niemand behoeft en welk toch alle dingen behoeven.” De derde sprak: “God is een vernuft die daar leeft in de erkentenis van alleen Zijn zelf.”

Ik laat het eerste en het laatste woord terzijde en spreek van het tweede: dat God iets is dat noodwendig boven het zijn zijn moet. Wat zijn heeft, tijd of plaats, dat roert God niet aan; Hij is daarboven. God is [weliswaar] in alle creaturen, zover ze zijn hebben, en is toch daarboven. Met zelfs dat wat Hij in alle creaturen is, is Hij toch daarboven; wat daar in vele dingen één is, dat moet noodwendig boven de dingen zijn. Ettelijke meesters meenden dat de ziel enkel in het hart zij. Dat is niet zo, en daarin hebben grote meesters gedwaald. De ziel is gans en ongedeeld volledig in de voet en volledig in het oog en in ieder lid. Neem ik een stuk tijd, zo is dat noch de huidige dag noch de dag van gisteren. Neem ik echter het nu, zo be-grijpt [begreift] dat alle tijd in zich. Het nu in welk God de wereld schiep dat is deze tijd zo nabij als het nu in welk ik nu spreek, en de jongste dag is dit nu zo nabij als de dag die gisteren was.

Een meester zegt: God is iets wat daar werkt in eeuwigheid ongedeeld in zichzelf, wat niemands hulp noch een werktuig behoeft en in zichzelf verblijft, wat niets behoeft, welk echter alle dingen behoeven en tot welk alle dingen heen dringen als tot hun laatste doel. Dit einddoel heeft geen bestemde wijze, het ontwast de wijze en gaat in de breedte. Sint Bernhard zegt: [de wijze] God te gelieven, dat is wijze zonder wijze. Een arts die een zieke gezond maken wil die heeft geen [bestemde] wijze van gezondheid hoe gezond hij de zieke maken wil; hij heeft wel een wijze waarmee hij hem gezond maken wil; hoe gezond echter hij hem maken wil, dat is zonder [bestemde] wijze: zo gezond als hij nu eenmaal vermag. Hoe lief we God hebben moeten, daarvoor bestaat er geen [bestemde] wijze: zo lief als we nu eenmaal vermogen, dat is zonder wijze.

Een ieder ding werkt in [zijn] zijn; geen ding kan boven zijn zijn uit werken. Het vuur vermag nergens dan in het hout te werken. God werkt boven [het] zijn in de wijdte, waar Hij zich bewegen kan; Hij werkt in [het] nietzijn [Nichtsein]. Nog eer er zijn bestond, werkte God; Hij werkte [het] zijn, toen [er] zijn nog niet bestond. Grofzinnige meesters zeggen, God zij een louter zijn; Hij is zo hoog boven het zijn als [er] de bovenste engel boven een mug is. Ik zou iets evenzo onjuists zeggen wanneer ik God een zijn noemde zoals wanneer ik de Zoon bleek of zwart noemen wilde. God is noch dit noch dat. En een meester zegt: wie daar gelooft dat hij God erkend heeft, en daarbij ergens iets erkennen zou, die erkent God niet. Wanneer ik echter gezegd heb, God zij geen zijn en zij boven het zijn, zo heb ik Hem daarmee niet het zijn ontzegd, veeleer heb ik het in Hem verhoogd. Neem ik koper in goud, zo is het daar [voorhanden] en is daar in een hogere wijze dan het in zichzelf is. Sint Augustinus zegt: God is wijze zonder wijsheid, goed zonder goedheid, geweldig zonder geweld.

Kleine meesters leren in de school, alle wezens zijn gedeeld in tien zijnswijzen, en deze ontzeggen gezamenlijk God. Geen dezer zijnswijzen beroert God, echter Hij ontbreekt ook geen van deze. De eerste, die het meeste zijn bezit, in welk alle dingen hun zijn ontvangen, dat is de substantie; en de laatste, die het allerweinigst zijn behoudt, die heet relatie, en die is in God de allergrootste, die het meeste zijn bezit, gelijk: ze hebben een gelijk oerbeeld in God. In God zijn aller dingen oerbeelden gelijk; maar ze zijn ongelijker dingen oerbeelden. De hoogste engel en de ziel en de mug hebben een gelijk oerbeeld in God. God is noch zijn noch goedheid. Goedheid hecht aan zijn en reikt niet wijder dan het zijn; want gaf het geen zijn, zo gaf het geen goedheid, en het zijn is nog louterer dan de goedheid. God is niet goed noch beter noch het allerbest. Wie daar zei, God zij goed, die deed Hem evenzo onrecht als wanneer hij de Zoon zwart noemen zou.

Nu echter zegt doch God zelf: “Niemand is goed dan God alleen.” Wat is goed? Dat is goed dat zich mededeelt. Die noemen we een goed mens, die zich mededeelt en nuttig is. Daarom zegt een heidense meester: een kluizenaar [Einsiedler] is noch goed noch slecht in deze zin, wijl hij zich niet mededeelt noch nuttig is. God is het allermededeelzaamste. Geen ding deelt zich uit het eigene mede, want alle creaturen zijn niet uit zichzelf. Wat immer ze mededelen, dat hebben ze van een andere. Ze geven ook niet zichzelf. De zon geeft zijn schijn en blijft toch aan zijn oord staan; het vuur geeft zijn hitte en blijft toch vuur; God echter deelt het Zijne mede, wijl Hij uit zichzelf is wat Hij is, en in alle gaven die Hij geeft, geeft Hij ten eerste steeds Zichzelf. Hij geeft zich als God, zoals Hij het [God] in al Zijn gaven is, zo wijd het bij die ligt, die Hem ontvangen mocht. Sint Jacob spreekt: “Alle goede gaven vloeien van boven af van de vader der lichten” [Jac., H. 1, v. 17].

Wanneer we God in [het] zijn nemen, zo nemen we Hem in Zijn voorhof, want het zijn is Zijn voorhof, in welk Hij woont. Waar is Hij dan echter in Zijn tempel, in welke Hij als heilig glanst? Vernuft is der tempel Gods. Nergens woont God eigenlijker dan in Zijn tempel, in het vernuft, zoals die andere meester zei: God zij een vernuft, die daar leeft in het erkennen van enkel Zijn zelf, enkel in Zichzelf verblijvend daar, waar Hem nooit iets beroert heeft; want daar is Hij alleen in Zijn stilte. God erkent in het erkennen van Zijn zelf Zichzelf in Zichzelf.

Nu nemen we ‘t [het erkennen], zoals ’t in de ziel is, die een druppeltje vernuft, een ‘fonkeltje’, een ‘twijg’ bezit. Zij [de ziel] heeft krachten die in het lijf werken. Daar is een kracht, met hulp waarvan de mens verteert; die werkt meer in de nacht dan op de dag; krachtens die neemt de mens toe en wast [wächst]. De ziel heeft verder een kracht in het oog; door die is het oog zo subtiel en zo fijn dat het de dingen niet in de grofheid opneemt, zoals ze op zichzelf zijn; ze moeten voorheen gezeefd en verfijnd worden in de lucht en in het licht; dat komt daardoor, wijl het [oog] de ziel bij zich heeft. Een verdere kracht is in de ziel met welke ze denkt. Deze kracht stelt in zich de dingen voor die niet tegenwoordig zijn, zo dat ik deze dingen evenzogoed erken, als of ik ze met de ogen zag, ja nog beter – ik kan me een roos zeer wel [ook] in de winter denkend voorstellen –, en met deze kracht werkt de ziel in [het] nietzijn en volgt daarin God, die in [het] nietzijn werkt.

Een Heidense meester zegt: die ziel die God gelieft, die neemt Hem onder de huls van goedheid – nog zijn het allemaal ‘s heidense meester woorden die tot hier aangevoerd werden, die enkel in een natuurlijk licht erkende; nog kwam ik niet tot de woorden der heilige meester die daar erkende in een veel hoger licht –, hij zegt aldus: die ziel die God gelieft, die neemt Hem onder de huls der goedheid. Vernuft echter trekt God de huls der goedheid af en neemt hem bloot, waar Hij ontkleed is van godheid en van zijn en van alle namen.

Ik zei in de school dat het vernuft edeler zij dan de wil, en toch behoren ze beide in dit licht. Daar zei een meester in een andere school, de wil zij edeler dan het vernuft, want de wil neemt de dingen zoals ze in zichzelf zijn; vernuft echter neemt de dingen zoals ze daar in [in het vernuft] zijn. Dat is waar. Een oog is edeler in zichzelf dan een oog dat aan een wand geschilderd is. Ik echter zeg, dat het vernuft edeler is dan de wil. De wil neemt God onder het kleed der goedheid. Het vernuft neemt God bloot, zoals Hij ontkleed is van goedheid en van zijn. Goedheid is een kleed, waaronder God verborgen is, en de wil neemt God onder dit kleed der goedheid. Ware er geen goedheid aan God, zo zou mijn wil Hem niet willen. Wie een koning kleden wilde op de dag dat men hem koning maakte en hem in grauwe kleden kleedde, die had hem niet wel gekleed. Niet daarvan ben ik zalig, dat God goed is. Ik wil [ook] nooit daarnaar begeren, dat God mij zalig maakt met Zijn goedheid, want dat vermocht hij helemaal niet te doen. Daarvan alleen ben ik zalig, dat God vernuftig is en ik dit erken. Een meester zegt: Gods vernuft is het waarvan des engels zijn ganselijk afhangt. Men stelt de vraag waar het zijn des beelden gans eigenlijk zij: in de spiegel of daarin waarvan het uitgaat? Het is eigenlijker daarin waarvan het uitgaat. Het beeld is in mij, van mij, naar mij. Zolang de spiegel precies mijn gelaat tegenoverstaat is mijn beeld daarin; viel de spiegel weg, zo verging het beeld. Des engels zijn hangt daarvan af dat hem het goddelijke vernuft tegenwoordig is waarin hij zich erkent.

“Als een morgenster midden in [de] nevel.” Ik richt mijn oogmerk nu op het woordje ‘quasi’, dat heet ‘gelijk-als’ [gleichwie]; dat noemen de kinderen in de school een ‘bijwoord’. Dit is het waarop ik ’t in al mijn preken voorzien heb. Het allereigenlijkste wat men van God uitzeggen kan, dat is ‘woord’ en ‘waarheid’. God noemde Zichzelf een ‘woord’. Sint Johannes sprak: “In aanvang was het woord” [Joh., H. 1, v. 1], en hij duidde daarmee [tegelijk] aan dat men bij dit woord een ‘bijwoord’ zijn moet. Zo als de ‘vrije ster’, waarnaar de ‘vrijdag’ genoemd is, Venus: die heeft vele namen. Wanneer zij de zon vooruitgaat en eerder opkomt als de zon, zo heet ze een ‘morgenster’; wanneer ze echter achter de zon heengaat, zo dat de zon eerder ondergaat, zo heet ze een ‘avondster’; menigmaal loopt ze boven de zon, menigmaal onder. Voor alle sterren is ze de zon bestendig gelijk nabij; ze komt hem nooit verder noch nader en toont daarmee aan dat een mens, die hiertoe komen wil, God altijd nabij en tegenwoordig zijn moet, zo dat hem niets van God verwijderen kan, noch geluk noch ongeluk noch ergens een creatuur.

De schrifttekst zegt verder: “Als een volle maan in zijn dagen.” De maan heeft heerschap over alle vochtige natuur. Nooit is de maan de zon zo nader dan dan wanneer hij vol is en wanneer hij zijn licht onmiddellijk van de zon ontvangt. Daarvan echter, dat hij de aarde nader is dan ergens een ster, heeft hij twee nadelen: dat hij bleek en vlekkig is en dat hij zijn licht verliest. Nooit is hij zo krachtig dan wanneer hij de aarde ten allerverste is, dan werpt hij de zee het allerwijdste uit; hoe meer hij [de verte] afneemt, des te weiniger vermag hij hem [de zee] uit te werpen. Hoe meer de ziel boven aardse dingen verheven is, des te krachter is ze. Wie verder niets dan de creaturen erkennen zou, die benodigde aan geen preek te denken, want iedere creatuur is Gods volheid en is een boek. De mens die daartoe geraken wil waarvan in het voorgaande gesproken werd – hierop loopt de ganse preek met alles uit –, die moet zijn als een morgenster: immer naar God tegenwoordig en immer naar ‘bij’ [Hem] en gelijk nader en verheven boven alle aardse dingen en moet bij het ‘woord’ een ‘bijwoord’ zijn.

Er bestaat een voortgebracht woord: dat is de engel en de mens en alle creaturen. Er bestaat een ander woord, gedacht en voortgebracht, waardoor het mogelijk wordt dat ik me iets voorstel. Nog echter bestaat er een ander woord, dat daar zowel onvoortgebracht als ongedacht is, dat nooit uittreedt; veeleer blijft het eeuwig in Hem, die het spreekt. Het is in de Vader, Die het spreekt, immervoort in ontvangen worden en innerblijvend. Vernuft is steeds naar binnen werkend. Hoe fijner en hoe geestelijker iets is, des te krachtiger werkt het naar binnen; en hoe krachtiger en fijner het vernuft is, des te meer wordt dat wat het erkent, met het [vernuft] vereent en met het [vernuft] één. Zo [echter] is het niet met lichamelijke dingen; hoe krachtiger die zijn, des te meer werken ze naar buiten. Gods zaligheid [echter] ligt in het inwaarts werken der vernuft, waarbij het ‘woord’ innnerblijvend is. Daar moet de ziel een ‘bijwoord’ zijn en met God één werk werken, om in dat in zichzelf zwevende erkennen van Zijn zaligheid te geraken: in datzelfde waar God zalig is.

Dat we altijd bij dit ‘woord’ een ‘bijwoord’ zijn mogen, daartoe helpe ons de Vader en dit zelfde woord en de Heilige Geest. Amen.