ARVINDUS

Duitse Preken

Ecclasiasticus, Hoofdstuk 44, Vers 16, 17

ECCLESIASTICUS, HOOFDSTUK 44, VERS 16, 17

In diebus suis placuit deo et inventus est iustus. [Eccl., H. 44, v. 16, 17]

Dit woord, dat ik in het Latijn gesproken heb, is geschreven in de Epistel, en men kan het van een heilige belijder [Bekenner] uitzeggen, en het woord luidt in het Duits zo: “Hij is inner gerecht bevonden geworden in zijn dagen, hij heeft God welgevallen in Zijn dagen” [Eccl., H. 44, v. 16, 17]. Gerechtigheid heeft hij innerlijk gevonden. Mijn lijf is meer in mijn ziel dan dat mijn ziel in mijn lijf zij. Mijn lijf en mijn ziel zijn meer in God dan dat ze in zichzelf zijn; gerechtigheid echter is dit: de oorzaak aller dingen in de waarheid. Zoals Sint Augustinus zegt: God is de ziel nader dan ze zichzelf is. De nabijheid tussen God en de ziel kent geen onderscheid [tussen beide], voorwaar. Datzelfde erkennen in welk Zich God Zelf erkent, dat is een alles losgelaten geest erkennen en geen andere. De ziel neemt haar zijn onmiddellijk van God; daarom is God de ziel nader dan ze zichzelf is; daarom is God in de grond der ziel met Zijn ganse Godheid.

Nu vraagt een meester, of het goddelijke licht in de krachten der ziel evenzo rein vloeit als het in [het] zijn [der ziel] is, daar [immers toch] de ziel haar zijn onmiddellijk van God heeft en de krachten onmiddellijk uit het zijn der ziel vloeien? Goddelijk licht is te edel daartoe dat het met de krachten ergens een gemeenschap maken kon; want alles wat beroert en beroerd wordt dat is God ver en vreemd. En daarom, wijl de krachten beroerd worden en beroeren verliezen ze hun jonkvrouwelijkheid [Jungfrau = maagd]. Goddelijk licht kan niet in hen lichten; doch door oefening en loutering kunnen ze ontvankelijk worden. Hiertoe zegt een andere meester dat de krachten een licht gegeven wordt dat het innere [licht] gelijke. Het gelijkt weliswaar het innere licht, het is echter niet het innere licht. Van dit licht nu wedervaart hen [d.w.z. de krachten] een indruk, zo dat ze des innere lichts ontvankelijk worden. Een andere meester zegt, dat alle krachten der ziel, die in het lijf werken, met het lijf sterven, met uitzondering der erkenning en der wil: die alleen blijven de ziel. Sterven [nu weliswaar] de krachten, die in het lijf werken, zo blijven ze toch in hun wortel bestaan.

Sint Filippus sprak: “Heer, wijs ons de Vader, zo genoegt het ons” [Joh., H. 14, v. 8]. Nu komt niemand tot de Vader, het zij dan door de Zoon [Joh., H. 14, v. 6]. Wie de Vader ziet, die ziet de Zoon [Joh., H. 14, v. 9], en de Heilige Geest is Hun beider liefde. De ziel is zo eenvoudig in zichzelf dat ze immer enkel één beeld tegenwoordig waarnemen kan. Wanneer ze des steens beeld waarneemt, zo neemt ze niet des engels beeld waar, en neemt ze des engels beeld waar, zo neemt ze tegelijk geen ander waar; het gelijke beeld echter, dat ze waarneemt, dat moet ze ook in tegenwoordigzijn [Gegenwärtigsein] liefhebben. Nam ze duizend engelen waar, dat ware zoveel als twee engelen, en toch nam ze niet meer dan een enkele engel waar. Nu aldus moet de mens zich in zichzelf tot één tezamenvatten. Sint Paulus spreekt: “Zijn jullie nu vrij gemaakt voor jullie zonden, zo zijn jullie knechten Gods geworden” [Rom., H. 6, v. 22]. De eniggeboren Zoon heeft ons bevrijd van onze zonden. Nu echter spreekt onze Heer veel treffender dan Sint Paulus: “Ik heb jullie niet knechten geheten, ik heb jullie veeleer Mijn vrienden geheten.” “De knecht kent zijn Heers wil niet”, maar de vriend weet alles wat zijn vriend weet. “Alles wat ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik jullie konde gedaan” [Joh., H. 15, v. 15], en alles wat Mijn Vader weet, dat weet Ik, en alles wat Ik weet, dat weten jullie; want Ik en Mijn Vader hebben één Geest. De mens die nu alles weet wat God weet, die is een God-wetend mens. Deze mens vat God in Zijn eigenzijn en in Zijn eigen eenheid en in Zijn eigen tegenwoordigheid en in Zijn eigen waarheid; met zulk een mens is het helemaal recht gesteld. Echter de mens die van inwendige dingen niets gewend is, die weet niet wat God is. Zoals een man die wijn in zijn kelder had, echter niets daarvan gedronken noch geprobeerd [versucht] had, die weet niet dat die goed is. Zo ook staat het met die lui die in onwetendheid leven: die weten niet wat God is, en toch geloven en wanen ze te leven. Zulks weten stamt niet van God. Een mens moet een louter, klaar weten hebben van goddelijke waarheid. Die mens die in al zijn werken een recht streven heeft, bij die is de aanvang van zijn streven God, en de uitvoering des strevens is [wederom] God Zelf en is de loutere goddelijke natuur, en het [zijn streven] eindigt in de goddelijke natuur, in hem zelf.

Nu zegt een meester dat er geen nog zo dwaze mensen bestaan die niet naar wijsheid begeren. Waarom echter worden we dan niet wijs? Er behoort veel daartoe. Het belangrijkste is dat de mens door alle dingen heen – en boven alle dingen en aller dingen oorzaken uitgaan moet, en dat vangt dan aan de mensen te verdrieten. Daaropvolgend blijft de mens in zijn beperktheid. Wanneer ik een rijk mens ben, ben ik daarom niet [ook] al wijs; wanneer mij echter het wezen der wijsheid en zijn natuur ééngevormd [eingeformt] is en ik de wijsheid zelf ben, dan ben ik een wijs mens.

Ik zei eens in een klooster: dat is het eigenlijke beeld der ziel waar niets uit- noch ingebeeld wordt buiten wat God Zelf is. De ziel heeft twee ogen, een inner en een uiter. Het innere oog der ziel is dat wat in het zijn schouwt en zijn zijn gans onmiddellijk van God ontvangt: dit is zijn eigene werk. Het uitere oog der ziel is dat wat daar alle creaturen toegewend is en ze in beeldlijke wijze in de werkwijze ener kracht waarneemt. De mens echter nu, die in zichzelf gekeerd wordt, zo dat hij God in Diens Eigen smaak en in Diens Eigen grond erkent, zulk een mens is bevrijd van alle geschapen dingen en is in zichzelf gesloten onder een waar slot der waarheid. Zoals ik eens zei, dat onze Heer op paasdag tot Zijn volgeling kwam aan gesloten deuren; zo ook is het met deze mens die daar bevrijd is van alle vreemdheid en van alle geschapenheid: in zulk een mens komt God niet eerst binnen: Hij is [veeleer] wezenlijk daarin.

“Hij is God welgevallig geweest in zijn dagen.” Er staat [liegt] daar meer dan enkel één dag voor [vor] wanneer men zegt “in zijn dagen”: [namelijk] de ziels dag en Gods dag. De dagen die zijt zes of zeven dagen vervlogen zijn, en de dagen die daar waren voor zesduizend jaren, die zijn de huidige dag zo nabij als de dag die gisteren was. Waarom? Omdat daar de tijd in een tegenwoordig nu is. Daardoor dat de hemel loopt is het door de eerste omloop des hemels dag. Daar eigent [ereignet] zich in een nu der zielen dag, en in zijn natuurlijke licht in welke alle dingen zijn, daar is een ganse dag: daar is dag en nacht één. Daarentegen is het Gods dag waar de ziel in de dag der eeuwigheid staat in een wezenlijk nu, en daar baart de Vader Zijn eniggeboren Zoon in een tegenwoordig nu, en wordt de ziel wedergeboren in God. Zo vaak deze geboorte geschiedt, zo vaak baart ze de eniggeboren Zoon. Daarom bestaan er [van] de Zonen veel meer, die de jonkvrouwen baren, dan die [zonen] die vrouwen baren, want zij [de jonkvrouwen] baren boven de tijd in de eeuwigheid [vlg. Jes., H. 54, v. 1]. Hoe veel der Zonen er nu ook zijn mogen die de ziel in de eeuwigheid baart, zo bestaat daarvan toch niet meer dan één Zoon, want het geschiedt [gewoonweg] boven de tijd in de dag der eeuwigheid.

Nu is het helemaal recht gesteld met de mens die in deugden leeft, want ik zei voor acht dagen [terug] dat de deugden in Gods hart zij. Wie in de deugd leeft en in de deugd werkt, met hem staat het helemaal recht. Wie het zijne niet zoekt in geen dingen, noch in God noch in de creaturen, die woont in God, en God woont in hem. Zulk een mens is het lustvol alle dingen te laten en te versmaden, en hem is het een lust alle dingen op hun allerhoogste te voleindigen. Spreekt Sint Johannes: “Deus caritas est” – “God is de liefde”, en de liefde is God, “en wie in de liefde woont, die woont in God, en God woont in hem” [1 Joh., H. 4, v. 16]. Wie daar in God woont die heeft een goede woning betrokken en is een erfgenaam Gods, en in wie God woont die heeft een waardige huisgenoot bij zich. Nu zegt een meester, dat de ziel door God een gave gegeven is door welke de ziel bewogen wordt tot innere dingen. Er zegt een meester, dat de ziel onmiddellijk door de Heilige Geest beroerd wordt, want in de liefde, waarin Zich God Zelf gelieft, in deze liefde gelieft Hij mij, en de ziel gelieft God in dezelfde liefde waarin ze zichzelf gelieft; ware echter deze liefde niet, waarin God de ziel gelieft, zo ware [ook] de Heilige Geest niet. Het is één hitte en één opbloeien der Heilige Geest, waarin de ziel God gelieft.

Nu schrijft een evangelist: “Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Me welgeval” [Marc. H. 1, v. 11]. De tweede evangelist echter schrijft nu: “Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Mij alle dingen bevallen” [Luc., H. 3, v. 22]. En nu schrijft de derde evangelist: “Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Me Zelf beval” [Mat., H. 3, v. 17]. Alles wat God bevalt, dat bevalt Hem in Zijn eniggeboren Zoon; alles wat God gelieft, dat gelieft Hij in Zijn eniggeboren Zoon. Nu moet de mens zo leven dat hij één zij met de eniggeboren Zoon en dat hij de eniggeboren Zoon zij. Tussen de eniggeboren Zoon en de ziel is geen onderscheid. Tussen de knecht en de heer wordt het nooit gelijke liefde. Zolang ik knecht ben, ben ik de eniggeboren Zoon erg ver en ongelijk. Wilde ik God aanzien met eigen ogen, met die ogen met welke ik de kleur aanzie, zo deed ik erg onrecht daaraan, want dit [schouwen] is tijdelijk; nu is echter alles wat tijdelijk is God ver en vreemd. Neemt men tijd, en neemt men die ook enkel in [het] kleinste, in ‘nu’, zo is het [toch nog] tijd en bestaat in zichzelf. Zolang de mens tijd en ruimte heeft en tal en veelheid en menige [menge], zo is hij erg onrecht daaraan en is God hem ver en vreemd. Neemt men tijd, en neemt men die ook enkel in het kleinste, in het ‘nu’, zo is het [toch nog] tijd en bestaat in zichzelf. Zolang de mens tijd en ruimte heeft en tal en veelheid en menige, zo is hij geheel onrecht daarmee en is God hem ver en vreemd. Daarom zegt onze Heer: wie Mijn volgeling worden wil, die moet zichzelf laten [Luc., H.9, v. 23]; niemand kan Mijn woord horen noch Mijn leer, of hij heeft zichzelf gelaten. Alle creaturen zijn in zichzelf niets. Daarom heb ik gezegd: laat af van niets en be-grijpt [ergreift] een volkomen zijn, in welk de wil recht is. Wie zijn ganse willen gelaten heeft die smaakt mijn leer en hij hoort mijn woord. Nu zegt een meester, dat alle creaturen hun zijn onmiddellijk van God ontvangen; daarom is het bij de creaturen zo dat ze God hun rechte natuur na meer gelieven dan zichzelf. Erkent de geest zijn reine afgescheidenzijn [Abgeschiedensein], zo kon hij zich naar geen ding meer toe neigen, hij moest veeleer in zijn reine afgescheidenzijn volharden. Daarom heet het: “Hij heeft Hem welgevallen in Zijn dagen.”

Der zielen dag en Gods dag zijn onderscheiden. Waar de ziel in zijn natuurlijke dag is, daar erkent zij alle dingen boven tijd en ruimte; geen ding is haar [daar] ver of nader. Daarom heb ik gezegd, dat alle dingen gelijk edel zijn in deze dag. Ik zei eens, dat God de wereld heden schept, en alle dingen zijn gelijk edel in deze dag. Zouden we zeggen dat God de wereld gisteren of morgen schiep, zo zouden we ons dwaas verhouden. God schept de wereld en alle dingen in een tegenwoordig nu, en de tijd die daar vergaan is voor duizend jaren, die is God heden evenzo tegenwoordig en evenzo nader als de tijd die heden is. De ziel, die daar staat in een tegenwoordig nu, in haar baart de Vader Zijn eniggeboren Zoon, en in dezelfde geboorte wordt de ziel weder in God geboren. Dat is één geboorte: zo vaak ze [= de ziel] wedergeboren wordt in God, zo vaak baart de Vader Zijn eniggeboren Zoon in haar.

Ik heb van een kracht in de ziel gesproken; in haar eerste uitbraak bevat ze God niet, zover Hij goed is, ze bevat God ook niet, zover Hij de waarheid is: ze dringt tot op de grond en zoekt verder en bevat God in Zijn eenheid en in Zijn eenzaamheid [Einöde]; ze bevat God in Zijn woestenij en in Zijn eigen grond. Daarom laat ze zich niets genoegen, ze zoekt verder daarnaar, wat dat zij, dat God in Zijn godheid en in eigendom Zijner eigen natuur zij. Nu zegt men dat geen eniging groter zij dan die dat de drie Personen één God zijn. Daarna – zo zegt men – zij geen eniging groter dan die tussen God en ziel. Wanneer de ziel een kus ervaart [widerfährt] van de godheid, zo staat ze in ganse volkomenheid en in zaligheid; daar wordt ze omvangen door de eenheid. In het eerste beroeren, in welk God de ziel als ongeschapen en schepbaar beroert heeft en beroert, daar is de ziel de beroering Gods na evenzo edel als God zelf. God beroert haar naar Zichzelf. Ik predikte eens in de Latijnse spraak, en dat was op de dag der Drievuldigheid. De eenheid is de onderscheidenheid, en de onderscheidenheid is de eenheid. Hoe groter de onderscheidenheid is, des te groter is de eenheid, want dat [juist] is de onderscheidenheid zonder onderscheid. Waren daar duizend personen, zo was toch daar niets dan eenheid. Wanneer God de creatuur aanziet geeft Hij het daarmee zijn zijn; wanneer de creatuur God aanziet ontvangt het daarmee zijn zijn. De ziel heeft een vernuftig, erkennend zijn; daarom: waar God is, daar is de ziel, en waar de ziel is, daar is God.

Nu heet het: “Hij is inner gevonden”. Dat is inner wat in de grond der ziel woont, in het innerste der ziel, in het vernuft, en niet uitgaat en op geen ding [buiten] schouwt. Daar zijn alle krachten der ziel gelijk edel; hier “is hij inner gerecht gevonden”. Dat is gerecht wat gelijk is in lief en leed en in bitterheid en in zoetigheid en welk geen ding in de weg staat dat het [ding] zich één vindt in de gerechtigheid. De gerechte mens is één met God. Gelijkheid wordt geliefd. De liefde gelieft steeds het gelijke; daarom gelieft God de gerechte mensen als Zichzelf gelijk.

Dat we ons inner vinden in de dag en in de tijd der vernuft en in de dag der wijsheid en in de dag der gerechtigheid en in de dag der zaligheid, daartoe helpe ons de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen.