ARVINDUS

Duitse Preken

Lucas, Hoofdstuk 1, Vers 57

LUCAS, HOOFDSTUK 1, VERS 57

Impletum est tempus Elizabeth. [Luc., H. 1, v. 57]

“Voor Elisabeth vervulde zich de tijd en ze baarde een zoon. Johannes is zijn naam. Daar spraken de lui: “Wat voor wonderlijks zal er worden van dit kind? Want Gods hand is met hem”” [Luc., H. 1, v. 57, 63, 66]. In een geschrift heet het: dat is de grote gave, dat we Gods kinderen zijn en dat Hij Zijn Zoon in ons baart [1 Joh., H. 3, v. 1]. Die ziel die Gods kind zijn wil moet niets in zich baren, en die in wie Gods Zoon geboren worden zal, in die moet zich niets anders baren. Gods hoogste streven is: baren. Hem genoegt het nimmer of hij baart Zijn Zoon in ons. Ook de ziel vergenoegt zich in geen wijze wanneer de Zoon Gods in haar niet geboren wordt. En daar ontspringt de genade. De genade wordt daar ingegoten. De genade werkt niet; haar worden is haar werk. Ze vloeit uit het zijn Gods en vloeit in het zijn der ziel, niet echter in de krachten.

Toen de tijd vervuld was werd daar geboren ‘genade’. Wanneer is er ‘volheid der tijd‘? – Wanneer er geen tijd meer is. Wanneer men in de tijd zijn hart in de eeuwigheid gezet heeft en alle tijdelijke dingen in een dood zijn, zo is dat ‘volheid der tijd’. Ik zei eens: die verheugt zich niet alle tijd, die zich verheugt in de tijd. Sint Paulus spreekt: “Verheug je in God allertijden!” [Phil. H. 4, v. 4]. Die verheugt zich alle tijd, die zich over de tijd en buiten de tijd verheugt. Een geschrift zegt: drie dingen hinderen de mensen, zo dat ze God op generlei wijzen erkennen kunnen. Het eerste is tijd, het tweede lichamelijkheid, het derde veelheid. Zolang deze drie in mij zijn is God niet in mij noch werkt Hij in mij op eigenlijke wijze. Sint Augustinus zegt: het komt van de begeerlijkheid der ziel heen dat ze veel grijpen en bezitten wil, en zo grijpt ze naar de tijd en naar de lichamelijkheid en naar de veelheid en verliest daarbij juist dat wat ze bezit. Want zolang als meer en meer in je is kan God nimmer in je wonen noch werken. Deze dingen moeten steeds eruit, wil God erin, het zij dan, je had ze in een hogere en betere wijze, zo dat de veelheid tot één in je geworden ware. Hoe meer dan de veelheid in je is, des te meer eenheid is voorhanden, want het ene is veranderd in het andere.

Ik zei eens: eenheid vereent alle veelheid, maar veelheid vereent niet eenheid. Wanneer we omhoog geheven [emporgehoben] worden boven alle dingen en alles wat in ons is opgeheven [hinaufgehoben] is, zo drukte ons niets. Wat onder me is dat drukt me niet. Wanneer ik rein en enkel naar God streefde, zo dat niets boven me was dan God, zo was me niets zwaar en werd ik niet zo snel bedroeft. Sint Augustinus spreekt: Heer, wanneer ik me U toe-eigen, zo werd me benomen alle bezwaar, leed en moeite. Wanneer we boven de tijd en tijdelijke dingen uit geschreden zijn, zo zijn we vrij en altijd blij en dan is er volheid der tijd; dan wordt de Zoon Gods in je geboren. Ik sprak eens: toen de tijd vervuld was, toen zond God Zijn Zoon [Gal., H. 4, v. 4]. Wordt ergens iets anders in je geboren dan de Zoon, zo heb je de Heilige Geest niet, en genade werkt niet in je. De oorsprong des Heilige Geest is de Zoon. Ware de Zoon niet, zo ware ook de Heilige Geest niet. De Heilige Geest kan nergens zijn uitvloeien noch zijn uitbloeien nemen dan enkel van de Zoon. Waar de Vader Zijn Zoon baart, daar geeft Hij Hem alles wat Hij in Zijn zijn en in Zijn natuur heeft. In dit geven gutst de Heilige Geest uit. Zo ook is het Gods streven dat Hij Zich ons volledig geeft. In gelijke wijze, zoals wanneer het vuur het hout in zich trekken wil en zichzelf op zijn beurt in het hout, zo vindt het [vuur] vooreerst het hout als hem [= het vuur] ongelijk. Daarom benodigt het de tijd. Ten eerste maakt het [het hout] warm en heet, en dan rookt het en kraakt, omdat het hem [= het vuur] ongelijk is; en hoe heter het hout dan wordt des te stiller en rustiger wordt het, en hoe gelijker het [hout] het vuur is, des te vrediger is het, tot het gans en helemaal vuur wordt. Wil het vuur het hout in zich opnemen, zo moet alle ongelijkheid uitgedreven zijn.

Bij de waarheid die God is: heb je het op ergens iets dan alleen op God voorzien of zoek je ergens iets anders dan God, zo is het werk dat je werkt niet dijn noch is het voorwaar Gods. Waarop dijn eindopzet [Endabsicht] in dijn werk doelt, dat is het werk. Wat in mij werkt, dat is mijn Vader, en ik ben Hem onderdanig. Het is onmogelijk dat er in de natuur twee vaders zijn; er moet steeds één vader zijn in de natuur. Wanneer de andere dingen eruit en ‘vervuld’ zijn, dan geschiedt deze geboorte. Wat vult dat roert aan alle einden, en nergens ontbreekt het aan dat; het heeft breedte en lengte, hoogte en diepte. Had het hoogte, maar niet breedte noch lengte noch diepte, zo zou het niet vullen. Sint Paulus spreekt: “Bidt, dat je begrijpen vermag met alle heiligen welke zij de breedte, de hoogte, de lengte en de diepte” [Ephe., H. 3, v. 18].

Deze drie stukken beduiden drieërlei erkenningen. De eerste is zinnelijk: het oog ziet zelfs van wijd de dingen die buiten de zijne zijn. De tweede is vernuftig en is veel hoger. Met de derde is een edele kracht der ziel gemeend die zo hoog en zo edel is dat hij God in Zijn blote, Eigen zijn bevat. Deze kracht heeft met niets iets gemeen; hij maakt uit niets iets en alles. Hij weet niets van gisteren noch van eergisteren, van morgen noch van overmorgen, want in de eeuwigheid is er geen gisteren, noch morgen, daar is er [veeleer enkel] een tegenwoordig nu; wat voor duizend jaren was en wat na duizend jaren komen zal, dat is daar tegenwoordig en [evenzo] dat wat generzijde der zee is. Deze kracht bevat God in zijn kleedkamer [Kleidhause]. Een geschrift zegt: “In Hem, middels de Zijne en door Hem” [Rom. H. 11, v. 36]. “In Hem”, dat is in de Vader, “middels de Zijne”, dat is in de Zoon, “door Hem”, dat is in de Heilige Geest. Sint Augustinus spreekt een woord dat dit heel ongelijk klinkt, en het is dit toch gans gelijk: niets is waarheid wat niet alle waarheid in zich besloten houdt. Die kracht bevat alle dingen in de waarheid. Dezer kracht is geen ding bedekt. Een geschrift zegt: de mannen moet het hoofd ontbloot zijn en de vrouwen bedekt [1 Kor., H. 11, v. 6, 7]. De “vrouwen” dat zijn de nederigste krachten, die moeten bedekt zijn. De “man” echter dat is die kracht, die moet ontbloot en onbedekt zijn.

“Wat voor wonderlijks zal er worden van dit kind?” Ik sprak onlangs tot enige lui, die wellicht ook hier aanwezig zijn, een woordje en zei zo: er is niets zo bedekt dat niet ont-dekt [aufgedeckt] worden moet [Mat., H. 10, v. 26; Luc., H. 12, v. 2; Mar., H. 4, v. 22]. Alles wat niets is moet afgelegd worden en zo bedekt dat het zelfs niet eenmaal meer gedacht worden zal. Van niets moeten we niets weten, en met het niets moeten we niets gemeen hebben. Alle creaturen zijn een rein niets. Wat noch hier noch daar is en waar een vergetenzijn [Vergessensein] aller creaturen is, daar is volheid aller zijns. Ik zei daarmaals: niets moet in ons bedekt zijn, [zo] dat we niet God volledig ontdekken en Hem volledig geven. Waarin immer we ons vinden mogen, zij ’t in vermogen of in onvermogen, in lief of in leed, waartoe we ons immer geneigd vinden, dat moeten we ons veruiteren. In de waarheid: wanneer we Hem [= God] alles ont-dekken, zo ont-dekt Hij ons wederom alles wat Hij heeft, en Hij bedekt ons in de waarheid gans en gaar niets van alles wat Hij te bieden vermag, noch wijsheid noch waarheid noch heimelijkheid noch Godheid noch ergens iets. Dit is waariljk zo waar als dat God leeft, zover we ’t Hem ont-dekken. Ont-dekken we ’t Hem niet, zo is het geen wonder wanneer Hij ’t ons dan ook niet ont-dekt; want het moet gans gelijk zijn: wij Hem, zoals Hij ons.

Men moet klagen over zekere lui die zich heel hoog en heel één met God dunken en zijn daarbij doch nog gans en gaar ongelaten en houden zich nog aan geringe dingen in lief en in leed. Dezen zijn ver verwijderd van dat wat ze zich dunken. Ze streven naar veel en willen evenzo veel. Ik sprak ergens ooit: wie het niets zoekt, dat hij het niets vindt, wie kan hij dat beklagen? Hij vond wat hij zocht. Wie ergens iets zoekt of nastreeft die zoekt en streeft het niets na, en wie om ergens iets bidt die wordt het niets ten deel. Maar wie niets zoekt en niets nastreeft dan rein enkel God die ont-dekt en geeft God alles wat Hij verborgen heeft in Zijn goddelijke hart, opdat het hem evenzo eigen wordt als het God eigen is, niet weiniger en niet meer, daar hij enkel onmiddellijk naar God alleen streeft. Dat de zieke de spijs en de wijn niet smaakt, hoe wonderlijk is dat? Neemt hij immers de wijn en de spijs niet in zijn eigen smaak waar? De tong heeft een deken en een kleed waarmee hij waarneemt, en deze is bitter naar maat der ziektenatuur der ziekte. Het geraakte nog niet tot daar waar het smaken zou; het dunkt de zieke bitter, en hij heeft gelijk, want het moet bitter zijn bij het belegsel en de overtrek. Wanneer deze tussenlaag niet weg is smaakt niets naar zijn eigene. Zolang het ‘belegsel’ niet van ons bezijdigd is, zolang smaakt ons God nimmermeer in Zijn eigene, en ons leven is ons [dan] vaak bekommerd en bitter.

Ik zei eens: de maagden volgen het Lam na, waarheen het ook gaat, onmiddellijk [Apo., H. 14, v. 4]. Hier zijn enige [werkelijke] maagden, anderen echter zijn hier geen maagd, die echter toch wanen maagd te zijn. Die de ware maagden zijn die volgen het Lam na, waarheen immer het gaat, in leed als in liefde. Menigen volgen het Lam wanneer het in zoetigheid en in gemak gaat; wanneer het echter in lijden en in ongemak en in moeite gaat, zo keren ze om en volgen Het niet. Voorwaar, die zijn niet maagd, wat immer ze ook schijnen mogen. Ettelijke zeggen: nu ja, Heer, ik kan wel daarin geraken in ere en in rijkdom en in gemak. Voorwaar! heeft het Lam zo geleefd en is het zo voorgegaan, zo vergun ik ’t jullie wel dat jullie evenzo navolgen; de echte maagden doch streven het Lam na door engte en wijdte en waarheen immer het streeft.

Toen de tijd vervuld was, werd daar geboren ‘genade’. Dat alle dingen aan ons voleindigd worden, opdat de goddelijke genade in ons geboren worde, daartoe helpe ons God. Amen.