ARVINDUS

Duitse Preken

Ecclesiasticus, Hoofdstuk 24, Vers 30

ECCLESIASTICUS, HOOFDSTUK 24, VERS 30

Qui audit me. [Eccl., H. 24, v. 30]

Het woord dat ik in het Latijn gesproken heb dat spreekt de eeuwige wijsheid des Vaders en luidt: “Wie Mij hoort, die schaamt zich niet” – schaamt hij zich over ergens iets, zo schaamt hij zich daarvoor dat hij zich schaamt – “Wie in Mij werkt die zondigt niet. Wie Mij openbaart en uitstraalt die zal het eeuwige leven hebben” [Eccl. H. 24, v. 30, 31]. Van deze drie woordjes die ik gesproken heb genoegde een ieder voor een preek.

Ten eerste wil ik daarover spreken dat de eeuwige wijsheid zegt: “Wie Mij hoort, die schaamt zich niet”. Wie de eeuwige wijsheid des Vaders horen wil, die moet binnen zijn en moet daar thuis zijn en moet één zijn, dan kan hij de eeuwige wijsheid des Vaders horen.

Drie dingen zijn het die ons hinderen, zo dat we het eeuwige woord niet horen. Het eerste is lichamelijkheid, het tweede veelheid, het derde is tijdelijkheid. Ware de mens boven deze drie dingen heen getreden, zo woonde hij in de eeuwigheid en woonde in de geest en woonde in de eenheid en in de woeste, en daar zou hij het eeuwige woord horen. Nu spreekt onze Heer: “Niemand hoort Mijn woord noch Mijn leer of hij heeft zichzelf gelaten” [Luc., H. 14, v. 26]. Want wie Gods woord horen wil die moet volledig gelaten zijn. Het gelijke wat daar hoort is hetzelfde wat daar gehoord wordt in het eeuwige woord. Al dat wat de eeuwige Vader leert dat is Zijn zijn en Zijn natuur en Zijn ganse godheid; dat openbaart Hij ons allemaal in Zijn eniggeboren Zoon en leert ons dat wij dezelfde Zoon zijn. Die mens die daar zo uitgegaan ware dat hij de eniggeboren Zoon ware, die ware eigen wat de eniggeboren Zoon eigen is. Wat God werkt en wat Hij leert dat werkt en leert Hij allemaal in Zijn eniggeboren Zoon. God werkt al Zijn werken daarom, dat wij de eniggeboren Zoon zijn. Wanneer God ziet dat wij de eniggeboren Zoon zijn, zo dringt Zich God ons zo heftig op, en Hij ijlt zozeer en doet juist zo alsof Hem zijn goddelijk zijn verbroken en in Zichzelf vernietigd zou worden, opdat Hij ons de ganse afgrond Zijner godheid en de volheid Zijner zijn en Zijner natuur openbare; God is het ijlig daartoe, dat het gans zo onzer eigen zij als het Zijn eigen is. Hier heeft God lust en zaligheid in de volheid. Deze mens staat in Gods erkennen en in Gods liefde en wordt niets anders dan wat God Zelf is.

Heb je jezelf lief, zo heb je alle mensen lief als jezelf. Zolang je een enkel mens minder lief hebt dan jezelf, zo heb je jezelf niet waarachtig lief, – wanneer je niet alle mensen zo lief hebt als jezelf, in één mens alle mensen: en deze mens is God en mens. Zo staat het recht met zulk een mens die zichzelf lief heeft en alle mensen zo lief als zichzelf, en met hem is het helemaal recht gesteld. Nu zeggen menige lui: ik heb mijn vriend, waarvan me goeds geschiedt, liever dan een ander mens. Dat is onrecht; het is onvolkomen. Doch moet men ’t aannemen, zoals menige lui over de zee varen met halve wind en ook erover komen. Zo staat het met de lui die de ene mens liever hebben als de andere; dat is natuurlijk. Had ik hem zo echt lief als mezelf, wat immer hem dan wedervaarde ter vreugde of ter leed, zij ’t dood of leven, dat ware me evenzo lief wanneer het mij wedervaarde als hem, en dit ware echte vriendschap.

Daarom zei Sint Paulus: “Ik wilde eeuwig gescheiden zijn van God om mijn vrienden’s en om om Gods wil” [Rom., H. 9, v. 3]. Een ogenblik van God scheiden, dat is eeuwig van God gescheiden; van God scheiden echter is helse pijn. Wat meent nu Sint Paulus met dit woord dat hij sprak, hij wilde van God gescheiden zijn? Nu stellen de meesters de vraag of Sint Paulus daar eerst op de weg naar volkomenheid of dat hij alreeds in ganse volkomenheid geweest zij. Ik zeg dat hij in ganse volkomenheid stond; anders had hij dit niet zeggen kunnen. Ik wil dit woord dat Sint Paulus sprak, hij wilde van God gescheiden zijn, duiden.

Het hoogste en het uiterste wat de mens laten kan dat is dat hij God om Gods wil laat. Nu liet Sint Paulus God om Gods wil; hij liet alles wat hij van God nemen kon en liet alles wat God hem geven kon, en alles wat hij van God ontvangen kon. Toen hij dit liet, daar liet hij God om Gods wil, en bleef daar in God, zoals God in Zichzelf zijnd is, niet in de wijze Zijner ontvangen of gewonnen worden, maar in de zijnheid die God in Zichzelf is. Hij gaf God nooit iets, noch ontving hij ooit iets van God; het is een ene en een loutere vereniging. Hier is de mens een waar mens, en in deze mensen valt geen lijden, zo weinig als het in het goddelijke zijn vallen kan; zoals ik al vaker gezegd heb, dat iets in de ziel is dat God zo verwant is, dat het één is en niet verenigd. Het is één, het heeft met niets iets gemeen, noch heeft het met ergens iets van allerdingen gemeen wat geschapen is. Alles wat geschapen is, dat is niets. Nu is dit alle geschapenheid ver en vreemd. Ware de mens gans zo geaard, hij ware volledig ongeschapen en onschepbaar; ware al dat wat lichamelijk en gebrekkig is zo in de eenheid be-grepen, zo ware het niets anders dan wat de eenheid zelf is. Vond ik me [enkel] een ogenblik in dit zijn, ik achtte zo weinig op mezelf als op een mestwormpje.

God geeft alle dingen gelijk, en zo als ze van God vloeien, zo zijn ze gelijk; ja, engelen en mensen en alle creaturen vloeien van God als gelijk uit in hun eerste uitvloei. Wie nu de dingen in hun eerste uitvloei nam, die nam alle dingen als gelijk. Zijn ze [nu reeds] zo gelijk in de tijd, zo zijn ze in God in de eeuwigheid nog veel gelijker. Neemt men een vlieg in God, zo is die edeler in God dan de hoogste engel in zichzelf is. Nu zijn alle dingen in God gelijk en zijn God Zelf. Hier in deze gelijkheid is ’t God zo lustvol dat Hij Zijn natuur en Zijn zijn in Zichzelf in deze gelijkheid ganselijk doorstroomt. Dit is hem lustvol gelijkerwijze als wanneer iemand een ros lopen laat op een groene heide die volledig effen en gelijk ware: des ros’ natuur ware het dat hij zich in springen op de heide met al zijn kracht ganselijk uitgoot; dit ware hem een lust en zijn natuur aangemeten. Evenzo is het voor God lustvol en gelukkigmakend wanneer Hij gelijkheid vindt. Het is hem een lust dat Hij Zijn natuur en Zijn zijn daar volledig uitgiet in de gelijkheid, wijl Hij de gelijkheid zelf is.

Nu stelt men de vraag in betrekking op de engelen of gene engel die hier bij ons woont en ons dient en ons behoedt, of die op enigerlei wijze geringere gelijkheid heeft in zijn vreugden dan diegenen die in de eeuwigheid zijn, of dat ze door hun werken ter onzer hoede en ter onzer dienst op enigerlei wijze versmald worden. Ik zeg: neen, geenszins! Hun vreugde en hun gelijkheid is derhalve om niets geringer; want het werk der engelen is der wille Gods, en der wille Gods is het werk der engelen; daarom wordt hij niet verhinderd in zijn vreugde noch in zijn gelijkheid noch in zijn werken. Gebood God de engel zich naar een boom te begeven en gebood hem rupsen daarvan te plukken, de engel ware ertoe bereid de rupsen te plukken, en het ware zijn zaligheid en ware Gods wil.

De mens die nu zo in de wille Gods staat die wil niets anders dan wat God is en wat Gods wil is. Ware hij ziek, zo wilde hij niet gezond zijn. Alle pijn is hem een vriend, alle menigvuldigheid is hem een eenvoudigheid en een eenheid, daar hij echt in der wille Gods staat. Ja, hing helse pijn daarvan af, het ware hem een vreugde en een zaligheid. Hij is ledig en veruitert zijn zelf, en al dat wat hij ontvangen wil dat moet hij ledig zijn. Wil mijn oog de kleur zien, zo moet het ledig zijn aller kleur. Zie ik blauwe of witte kleur, zo is het zien mijner oog dat de kleur ziet – is zelfs dat wat daar ziet hetzelfde als dat wat daar gezien wordt met het oog. Het oog in welk ik God zie dat is hetzelfde oog waarin mij God ziet; mijn oog en Gods oog, dat is één oog en één zien en één erkennen en één liefhebben.

De mens die zo in Gods liefde staat die moet zichzelf en alle geschapen dingen dood zijn, zo dat hij zijn zelf zo weinig acht als ene die meer dan duizend mijlen verwijderd is. Zulk een mens blijft in de gelijkheid en blijft in de eenheid en blijft volledig gelijk; in hem valt geen ongelijkheid. Deze mens moet zichzelf en deze ganse wereld gelaten hebben. Gaf ’t een mens die deze ganse wereld behoorde, en hij liet hem om Gods wil zo puur als hij hem ontving, hem zou onze Heer deze ganse wereld teruggeven en het eeuwige leven daarbij. En gaf ’t een ander mens die niets dan een goede wil bezat, en die dacht: Heer, ware deze wereld mijn en had ik dan nog een wereld en nog een – dat waren hem drie – en hij begeerde: Heer, ik wil deze laten en mezelf evenzo puur als dat ik ’t van U ontvangen heb, – die mens gaf God evenzo veel als [dan], wanneer hij het allemaal met zijn hand weggegeven had. Een ander mens [echter] die gaar niets lichamelijks of geestelijks had te laten of weggeven, die zou het allermeeste laten. Wie zich ganselijk [enkel] één ogenblik liet, die werd alles gegeven. Ware daarentegen een mens twintig jaren lang gelaten en nam zichzelf ook enkel één ogenblik terug, zo was hij nog niet gelaten. De mens die gelaten heeft en gelaten is en die nooit meer enkel één ogenbok op dat ziet wat hij gelaten heeft, en bestendig blijft, onbewogen in zichzelf en onveranderlijk, – die mens alleen is gelaten.

Dat we zo bestendig blijven en onveranderlijk als de eeuwige Vader, daartoe helpe ons God en de eeuwige wijsheid. Amen.