ARVINDUS

Duitse Preken

Apocalyps, Hoofdstuk 14, Vers 1, II

APOCALYPS, HOOFDSTUK 14, VERS 1, II

Sint Johannes zag in een schouwen op de berg Sion een Lammetje staan en bij Het [Lammetje] vierenveertig [in plaats van 144000], die waren niet aards en hadden niet de naam vrouw. Ze waren allen jonkvrouwen [Junkfrau = maagd] en stonden gans dicht bij het Lam, en waarheen het Lam zich wendde, daarheen volgden ze Het allen na en zongen allen met het Lam een bijzonder lied en droegen Zijn naam en Zijn Vader’s naam voor op hun hoofd geschreven [Apo., H. 14, v. 1 t/m 4].

Nu zegt Johannes, hij heeft een Lammetje op de berg zien staan. Ik zeg: Johannes was zelf de berg op welke hij het Lammetje zag, en wie het goddelijke Lam zien wil, die moet zelf de berg zijn en in zijn hoogste en in zijn louterste geraken. Ten andere, wanneer hij zegt dat hij het Lammetje op de berg staan zag: wat immer op een ander staat dat roert met zijn onderste des ondere bovenste. God beroert alle dingen, Hij echter blijft onberoerd. God is boven alle dingen een ‘instaan’ in Zichzelf, en Zijn in-zichzelf-staan bevat alle creaturen. Alle creaturen hebben een bovenste en een onderste; dat heeft God niet. God is boven alle dingen en wordt nergens door iets beroerd. Alle creaturen zoeken buiten hun zelf steeds elk aan de ander dat wat hij [zelf] niet heeft; dat doet God niet. God zoekt niets buiten Zijn Zelf. Wat alle creaturen hebben, dat heeft God allemaal in Zich. Hij is de bodem, de rijp aller creaturen. Het is weliswaar dat elk voor de ander daar is of toch ten minste dat elk voor de ander geboren wordt. Evengelijk geeft hij hem zijn [eigen] zijn niet; hij behoudt iets van het zijne terug. God [echter] is een eenvoudig ‘instaan’, een ‘inzitten’ in Zichzelf. Steeds naar de edelheid zijner natuur biedt zich iedere creatuur, hoe meer hij in zichzelf inzit des te meer naar buiten, aan. Een eenvoudige steen, bijvoorbeeld een tufsteen, die bekondigt niet meer dan dat hij een steen is. Een edelsteen echter, die grote kracht heeft, die rekt daarmee, dat hij in zichzelf instaat, inzit, tegelijk het hoofd uit en toont zich [boven zich] uit. De meesters zeggen dat geen creatuur zulks groot ‘inzitten’ in zichzelf heeft dan lijf en ziel, en [daarbij] heeft ook niets [tegelijk] zulks groot boven-zich-uitgaan dan de ziel in haar bovenste deel.

Nu zegt hij: “Ik zag een Lam staan.” Hieruit kunnen we vier goede leringen nemen. Het ene: het Lam geeft spijs en kleding en doet het gans goedwillig, en het moet voor ons verstaan een aansporing zijn, dat we van God zo veel ontvangen hebben en Hij ons dat zo goedhartig bewijst; dat moet ons daartoe dringen dat we met al onze werken niets anders zoeken dan Zijn lof en Zijn ere. Het tweede: het Lammetje stond. Het doet zeer goed wanneer een vriend ‘bij’ zijn vriend ‘staat’. God staat ons bij, en Hij blijft bij ons staan standvastig en onbewogen.

Nu zegt hij: bij Het [Lam] stonden zeer velen; die allen hadden voor op hun hoofd hun namen en hun Vader’s namen geschreven. Ten minste moet Gods naam in ons geschreven zijn. We moeten Gods beeld in ons dragen, en Zijn licht moet in ons lichten, wanneer we ‘Johannes’ zijn willen.