ARVINDUS

Het Gospel van Sri Ramakrishna

Februari 1882

FEBRUARI 1882

Het was op een zondag in de lente, een paar dagen na Sri Ramakrishna’s verjaardag, dat M. hem de eerste keer ontmoette. Sri Ramakrishna leefde aan de Kālibāri, de tempeltuin van Moeder Kāli, aan de oever van de Ganges bij Dakshineswar.

M., vrij zijnde op zondagen, was weg met zijn vriend Sidhu om enkele tuinen te bezoeken bij Baranagore. Toen ze aan het wandelen waren in Prasanna Bannerji’s tuin zei Sidhu: “Er is een charmante plek aan de bank van de Ganges waar een paramahamsa leeft. Zou je daar naar toe willen gaan?” M. stemde in en ze startten onmiddellijk richting de Dakshineswar tempeltuin. Ze arriveerden bij de hoofdpoort bij schemering en gingen direct naar Sri Ramakrishna’s kamer. En daar vonden ze hem gezeten op een houten bank, gericht naar het Oosten. Met een glimlach op zijn gezicht was hij aan het praten over God. De kamer was vol mensen, allen gezeten op de vloer, zijn woorden indrinkend in diepe stilte.

M. stond daar sprakeloos en keek verder. Het was alsof hij stond waar al de heilige plekken elkaar ontmoette en alsof Śukadeva zelf het woord van God aan het spreken was, of alsof Sri Chaitanya de naam en glories van de Heer in Puri aan het zingen was met Rāmänanda, Swarup, en de andere toegewijden.

Sri Ramakrishna zei: “Wanneer, éénmaal horende de naam van Hari of Rāma, je tranen laat en je haren overeind staan, dan kan je zeker weten dat je zulke devoties als de sandhyā en meer niet hoeft te verrichten. Dan alleen zul je het recht hebben rituelen te verzaken; of beter, rituelen zullen vanzelf wegvallen. Dan zal het genoeg zijn als je alleen de naam van Rāma of Hari herhaalt, of zelfs gewoonweg Om.” Vervolgend, zei hij, “De sandhyā gaat op in de Gāyatri, en de Gāyatri gaat op in Om.”

M. keek rond zich met verwondering en zei tegen zichzelf: “Wat een mooie plek! Wat een charmante man! Hoe mooi zijn woorden zijn! Ik heb geen wens te gaan van deze plek.” Na een paar minuten dacht hij, “Laat me de plaats eerst zien; dan zal ik hier terug komen en neerzitten.”

De kamer met Sidhu verlatende, hoorde hij de zoete muziek van de avonddienst van gong, bel, drum en cimbaal komende uit de tempel. Hij kon muziek van de nahabat ook bij het Zuideinde van de tuin horen. De geluiden reisden over de Ganges, wegdrijvend en zichzelf verliezend in de verte. Een zachte lentewind blies, geladen met de geur van bloemen; de maan was juist verschenen. Het was alsof natuur en mens samen aan het voorbereiden waren voor de avond eredienst. M. en Sidhu bezochten de twaalf Śiva tempels, de Rādhākānta tempel, en de tempel van Bhavatārini. En terwijl M. de diensten voor de beelden bekeek was zijn hart vervuld van vreugde.

Op de weg terug naar Sri Ramakrishna’s kamer praatten de twee vrienden. Sidhu vertelde M. dat de tempeltuin opgericht was door Rāni Rasmani. Hij zei dat God daar dagelijks werd aanbeden als Kāli, Krishna en Śiva, en dat binnen de poorten vele sādhus en bedelaars gevoed werden. Toen ze Sri Ramakrishna’s deur opnieuw bereikten troffen ze deze gesloten aan, en Brindē, de dienstmeid, buiten staande. M., die getraind was in Engelse manieren en een kamer niet zonder toestemming naar binnen zou gaan, vroeg haar, “Is de heilige man binnen?” Brindē antwoordde, “Ja, hij is in de kamer.”

M: “Hoe lang heeft hij hier geleefd?”

Brindē: “Oh, hij is hier een lange tijd geweest.”

M: “Leest hij veel boeken?”

Brindē: “Boeken? Oh, hemel nee! Ze liggen allemaal op zijn tong.”

M. had juist zijn studies op het college beëindigd. Het verwonderde hem te horen dat Sri Ramakrishna geen boeken las.

M: “Misschien is het tijd voor zijn avond eredienst. Morgen we de kamer binnen gaan? Kun je hem zeggen dat we hem heel graag willen zien?”

Brindē: “Ga maar binnen, kinderen. Ga binnen en zit neer.”

De kamer binnengaand vonden ze Sri Ramakrishna alleen, gezeten op de houten bank. Wierrook was juist gebrand en al de deuren waren dicht. Toen hij binnenging groette M. met gevouwen handen de Meester. Daarna, op gebod van de Meester, zaten hij en Sidhu neer op de vloer. Sri Ramakrishna vroeg hen: “Waar leven jullie? Wat is jullie beroep? Waarom zijn jullie naar Barānagore gekomen?” M. beantwoordde de vragen, maar hij merkte op dat nu en dan de Meester afwezig scheen te worden. Later leerde hij dat deze stemming bhāva wordt genoemd, extase. Het is als de staat van de hengelaar die heeft gezeten met zijn hengel: de vis komt en slikt het aas door, en de dobber begint te trillen; de hengelaar is alert; hij grijpt de hengel en houdt de dobber gestaag en scherp in de gaten; hij zal niet spreken met wie dan ook. Zulks was de staat van Sri Ramakrishna’s denken. Later hoorde M., en merkte hij zelf op, dat Sri Ramakrishna vaak in deze stemming raakte na de schemering, soms totaal onbewust wordend van de buitenwereld.

M: “Misschien wilt u uw avond eredienst uitvoeren. Zullen we vertrekken in dat geval?”

Sri Ramakrishna (nog steeds in extrase): “Nee – avond eredienst? Nee, het is niet precies dat.”

Na een kleine conversatie groette M. de Meester en ging weg. “Kom nog eens”, zei Sri Ramakrishna.

Op zijn weg naar huis begon M. zich te verwonderen: “Wie is deze sereen ogende man die me terug naar hem trekt? Is het mogelijk voor een man om groots te zijn zonder een geletterde te zijn? Hoe wonderlijk het is! Ik zou het fijn vinden hem opnieuw te zien. Hij zelf zei, ‘Kom nog eens.’ Ik zal morgen of de dag daarna gaan.”

M.’s tweede bezoek aan Sri Ramakrishna vond plaats op de Zuidoost veranda om acht uur in de ochtend. De Meester stond op het punt geschoren te worden, de barbier was juist gearriveerd. Omdat het koude seizoen nog steeds voortduurde had hij een moleskin shawl gerand met rood omgedaan. M. ziend zei de Meester: “Dus je bent gekomen. Dat is goed. Zit hier neer.” Hij glimlachte. Hij stamelde een beetje wanneer hij sprak.

Sri Ramakrishna (aan M.): “Waar leef je?”

M: “In Calcuta mijnheer.”

Sri Ramakrishna: “Waar verblijf je hier?”

M: “Ik ben in Barānagore in mijn oudere zus haar – Ishan Kavirāj’s huis.”

Sri Ramakrishna: Oh, bij Ishan’s? Wel, hoe is Keshab nu? Hij was erg ziek.”

M: “Inderdaad, dat heb ik ook gehoord, maar ik geloof dat hij wel is nu.”

Sri Ramakrishna: “Ik maakte een gelofte de Moeder te aanbidden met groene kokosnoot en suiker voor Keshab’s herstel. Soms, in de vroege uren van de ochtend, werd ik wakker en huilde voor Haar: ‘Moeder, maak Keshab asjeblief weer wel. Als Keshab niet overleeft, met wie zal ik praten wanneer ik naar Calcutta ga?’ En zo was het dat ik besloot Haar groene kokosnoot en suiker te offeren.

“Vertel me, weet je van een zekere Mr. Cook die naar Calcutta is gekomen? Is het waar dat hij lezingen geeft? Eens nam Keshab me op een stomer, en deze Mr. Cook was ook in het gezelschap.”

M: “Ja mijnheer, ik heb zoiets gehoord; maar ik ben nooit bij zijn lezingen geweest. Ik weet niet veel over hem.”

Sri Ramakrishna: “Pratap’s broer kwam hier. Hij bleef een paar dagen. Hij had niets te doen en zei dat hij hier wilde leven. I kwam te weten dat hij zijn vrouw en kinderen bij zijn schoonvader had gelaten. Hij heeft een heel nest daarvan! Dus ik pakte hem aan. Stel je voor! Hij is de vader van zoveel kinderen! Zullen mensen uit de buurt hen voeden en hen opvoeden? Hij is niet eens beschaamd dat iemand anders zijn vrouw en kinderen voedt, en dat ze zijn achtergelaten in zijn schoonvader’s huis. Ik gaf hem een hele erge uitbrander en vroeg hem uit te kijken naar een baan. Toen was hij gewillig om hier weg te gaan.

“Ben jij getrouwd?”

M: “Ja mijnheer.”

Sri Ramakrishna (met een huivering): “Oh, Ramlal!1 Helaas, hij is getrouwd!”

Als iemand schuldig van een verschrikkelijke vergrijp zat M. bewegingloos, zijn ogen vast gericht op de grond. Hij dacht, “Is het zulk een verdorven iets om te trouwen?”

De Meester vervolgde, “heb je enige kinderen?”

M. kon deze keer het kloppen van zijn eigen hart horen. Hij fluisterde met een trillende stem, “Ja mijnheer, ik heb kinderen.”

Heel bedroefd zei Sri Ramakrishna, “Wee mij! Hij heeft zelfs kinderen!”

Zo berispt zat M. sprakeloos. Zijn trots had een klap gekregen. Na een paar minuten keek Sri Ramakrishna vriendelijk naar hem en zei affectioneel: “Zie je, je hebt zekere goede tekenen. Ik ken ze door naar een persoon’s voorhoofd te kijken, zijn ogen en zo verder. Vertel me, nu, wat voor soort persoon is je vrouw? Heeft ze spirituele eigenschappen, of is ze onder de kracht van avidyā?”

M: “Ze is oké. Maar ik ben bang dat ze onwetend is.”

Meester (met duidelijk misnoegen): “En jij bent een man van kennis!”

M. had het verschil nog te leren tussen kennis en onwetendheid. Tot dan toe was zijn conceptie geweest dat men kennis krijgt van boeken en scholen. Later gaf hij deze valse conceptie op. Hem werd geleerd dat God te kennen kennis is, en Hem niet te kennen onwetendheid. Toen Sri Ramakrishna  uitriep, “En jij bent een man van kennis!”, werd M.’s ego opnieuw flink geschokt.

Meester: “Wel, geloof je in God met vorm of zonder vorm?”

M., eerder verbaasd, zei tot hemzelf: “Hoe kan men geloven in God zonder vorm wanneer men gelooft in God met vorm? En als men gelooft in God zonder vorm, hoe kan men geloven dat God een vorm heeft? Kunnen deze twee tegenstrijdige ideeën tegelijkertijd waar zijn? Kan een witte vloeistof als melk zwart zijn?”

M: “Mijnheer, ik hou ervan te denken aan God als vormloos.”

Meester: “Heel goed. Het is genoeg geloof te hebben in één van beide aspecten. Je gelooft in God zonder vorm; dat is helemaal oké. Maar denk nooit voor een moment dat dit alleen waar is en al het andere onwaar. Herinner dat God met vorm net zo waar is als God zonder vorm. Maar houd vast aan je eigen overtuiging.”

De uitspraak dat beide gelijk waar zijn verbaasde M.; hij had dit nooit geleerd uit zijn boeken. Zo ontving zijn ego een derde klap; maar omdat het nog niet volledig vermorzeld was kwam hij naar voren om een beetje meer met de Meester de discussiëren.

M: “Mijnheer, veronderstel men gelooft in God met vorm. Zeker is Hij niet het kleien beeld!”

Meester (onderbrekend): “Maar waarom klei? Het is een beeld van Geest.”

M. kon niet helemaal de betekenis begrijpen van dit “beeld van Geest”. “Maar mijnheer,” zei hij tot de Meester, “men moet uitleggen aan hen die het kleien beeld aanbidden dat het niet God is, en dat, tijdens het aanbidden, ze God voor ogen moeten hebben en niet het kleien beeld. Men moet geen klei aanbidden.”

Meester (scherp): “Dat is de ene hobby van jullie Calcutta mensen – preken geven en anderen in het licht brengen! Niemand stopt ooit om te overwegen hoe zelf in het licht te geraken. Wie ben jij om anderen te leren?

“Hij die de Heer van het Universum is zal iedereen leren. Hij alleen leert ons, die dit universum heeft geschapen; die de zon en de maan heeft gemaakt, mensen en beesten, en alle andere wezens; die middelen voor hun onderhoud heeft verschaft; die kinderen ouders heeft gegeven en hen begiftigd heeft met liefde om hen op te voeden. De Heer heeft zoveel dingen gedaan – zal Hij mensen niet tonen hoe Hem te aanbidden? Als ze lering nodig hebben dan zal Hij de Leraar zijn. Hij is onze Innerlijke Gids.

“Veronderstel dat er een fout zit in het aanbidden van het kleien beeld; weet God niet dat daardoor Hij alleen wordt aangeroepen? Hij zal tevreden zijn met die waarachtige aanbidding. Waarom zou jij er een hoofdpijn van krijgen? Je had beter kennis en devotie zelf kunnen proberen.”

Deze keer voelde M. dat zijn ego volledig was vermorzeld. Hij zei nu tegen zichzelf: “Ja, hij heeft de waarheid gesproken. Welke nood is er voor mij om anderen te leren? Heb ik God gekend? Heb ik Hem echt lief? ‘Ik heb niet genoeg ruimte voor mezelf in mijn bed, en ik nodig mijn vriend uit om het met me te delen!’ Ik weet niks over God, maar ik probeer anderen te leren. Wat een schande! Hoe dwaas ben ik! ‘Dit is geen wiskunde of geschiedenis of literatuur, wat men kan leren aan anderen. Nee, dit is het diepe mysterie van God. Wat hij zegt spreekt me aan.”

Dit was M.’s eerste discussie met de Meester, en gelukkig zijn laatste.

Meester: “Je sprak over het aanbidden van het kleien beeld. Zelfs als het beeld is gemaakt van klei is er nood voor dat soort van aanbidding. God Zelf heeft verschillende vormen van aanbidding verschaft. Hij die de Heer van het Universum is heeft al deze vormen geregeld passend bij verschillende mensen in verschillende stadia van kennis.

“De moeder kookt verschillende gerechten passend bij de magen van haar verschillende kinderen. Veronderstel dat ze vijf kinderen heeft. Als er een vis te koken is, bereidt ze er diverse gerechten van – pilau, gepekelde vis, gebakken vis, enzovoort – passend bij hun verschillende smaken en kracht van vertering.

“Begrijp je me?”

M. (nederig): “Ja mijnheer. Hoe, mijnheer, kunnen we onze gedachten op God fixeren?”

Meester: “Herhaal Gods naam en zing Zijn glories, en houd heilig gezelschap; en bezoek nu en dan Gods toegewijden en heilige mensen. Het denken kan niet bij God verblijven als het dag en nacht ondergedompeld is in wereldlijkheid, in wereldse plichten en verantwoordelijkheden; het is uiterst noodzakelijk om in eenzaamheid te gaan nu en dan en aan God te denken. Het denken op God te fixeren is heel moeilijk, in het begin, tenzij men meditatie praktiseert in eenzaamheid. Wanneer een boom jong is moet het helemaal rondom omheind worden; anders kan die vernietigd worden door vee.

“Om te mediteren moet je je terugtrekken binnen jezelf of je terugtrekken in een afgesloten hoek of in het woud. En je moet altijd onderscheiden tussen de Werkelijkheid en de onwerkelijkheid. God alleen is werkelijk, de Eeuwige Substantie; al het andere is onwerkelijk, dat wil zeggen, vergankelijk. Door zo te onderscheiden moet men de vergankelijke objecten van het denken afschudden.”

M. (nederig): “Hoe moeten we leven in de wereld?”

Meester:”Doe al je taken, maar houd je denken op God. Leef met allen – met vrouw en kinderen, vader en moeder – en dien hen. Behandel hen alsof ze heel dierbaar voor je waren, maar weet in je hart der harten dat ze niet bij je horen.

“Een dienstmeid in het huis van een rijke man verricht al de huishoudelijke taken, maar haar gedachten zijn gefixeerd op haar eigen huis in haar inheemse dorp. Ze voedt haar meester’s kinderen op alsof ze haar eigen waren. Ze spreekt zelfs over hen als ‘mijn Rama’ of ‘mijn Hari’. Maar in haar eigen denken weet ze heel goed dat ze helemaal niet bij haar horen.

“De schildpad beweegt rond in het water. Maar kun je raden waar zijn gedachten zijn? Daar op de oever, waar zijn eieren liggen. Doe al je taken in de wereld, maar houd je denken op God.

“Als je de wereld ingaat zonder eerst liefde voor God te cultiveren zul je meer en meer verstrikt raken. Je zult overweldigd worden door zijn gevaren, zijn leed, zijn smart. En hoe meer je aan wereldse dingen denkt hoe meer je daaraan gehecht zult raken.

“Wrijf eerst je handen met olie en breek dan de broodvrucht open; anders zul je besmeerd raken met zijn kleverige melk. Verzeker je eerst van de olie van heilige liefde en zet dan je handen aan de taken van de wereld.

“Maar men moet in eenzaamheid gaan om deze heilige liefde te bereiken. Om boter van melk te verkrijgen moet je die laten stremmen tot yoghurt in een afgesloten plek: als deze teveel verstoord wordt zal melk niet veranderen in yoghurt. Vervolgens moet je alle andere taken naast je neer leggen, op een stille plek zitten en de yoghurt karnen. Alleen dan krijg je boter.

“Verder, door te mediteren op God in eenzaamheid verkrijgt het denken kennis, kalmte en devotie. Maar precies datzelfde denken gaat omlaag wanneer het zich in de wereld ophoudt. In de wereld daar is enkel één gedachte: ‘vrouwen en goud’.2

“De wereld is water en het denken is melk. Als je melk in water giet worden ze één; je kunt de pure melk niet meer vinden. Maar verander de melk in yoghurt en karn het tot boter. Dan, wanneer die boter wordt geplaatst in water, zal het drijven. Dus, beoefen spirituele discipline in eenzaamheid en verkrijg de boter van kennis en liefde. Zelfs als je die boter in het water van de wereld houdt zullen die twee niet mixen. De boter zal drijven.

“Samen met dit moet je onderscheiding beoefenen. ‘Vrouwen en goud’ is vergankelijk. God is de enige Eeuwige Substantie. Wat kan een man krijgen met geld? Voedsel, kleding en een woning – niets meer. Je kunt God niet realiseren met behulp daarvan. Daarom kan geld nooit het doel zijn van het leven. Dat is het proces van onderscheiding. Begrijp je?”

M: “Ja mijnheer. Ik las recent een Sanskriet toneelstuk genaamd Prabodha Chandrodaya. Het handelt over onderscheiding.”

Meester: “Ja, onderscheiding tussen objecten. Beschouw – wat is er in geld of in een mooi lichaam? Onderscheid en je zult ontdekken dat zelfs het lichaam van een mooie vrouw bestaat uit botten, vlees, vet en andere onaangename dingen. Waarom zou een man God opgeven en zijn aandacht richten op zulke dingen? Waarom zou een man God vergeten omwille daarvan?

M: “Is het mogelijk om God te zien?”

Meester: “Ja, zeker. Leven in eenzaamheid nu en dan, Gods naam herhalen en Zijn glories zingen, en onderscheiden tussen het Werkelijke en het onwerkelijke – dit zijn de aan te wenden middelen om Hem te zien.”

M: “Onder welke voorwaarden ziet men God?”

Meester: “Huil tot de Heer met een intens smachtend hart en je zult Hem zeker zien. Mensen laten een hele kruik met tranen voor vrouw en kinderen. Ze zwemmen in tranen voor geld. Maar wie weent voor God? Huil tot Hem met een echte schrei.

De Meester zong:

Huil tot je Moeder Śyāmā met een echte schrei, o denken!
En hoe kan Ze Zich van je weghouden?
Hoe kan Śyāmā weg blijven?
Hoe kan je Moeder Kāli Zich weg houden?

O denken, als je oprecht bent, breng Haar een offergave
Van belbladeren en hibiscus bloemen;
Leg aan Haar voeten je offergave
En meng daarmee de geurige sandalpasta van Liefde.

Vervolgend, zei hij: “Verlangen is als de rozige dageraad. Achter de dageraad vandaan komt de zon. Verlangen is gevolgd door de visie van God.

“God openbaart Zichzelf aan een toegewijde die zich tot Hem aangetrokken voelt door de gecombineerde kracht van de volgende drie aantrekkingen: de aantrekking van wereldlijke bezittingen voor de wereldse man, de aantrekking van het kind voor zijn moeder, en de aantrekking van de echtgenoot voor de kuise echtgenote. Als men zich aangetrokken voelt tot Hem door de gecombineerde kracht van deze drie aantrekkingen, dan kan men daardoor Hem bereiken.

“Het is noodzakelijk om tot Hem te bidden met een verlangend hart. De kitten weet alleen hoe zijn moeder te roepen, roepend, ‘Miauw, miauw!’ Hij blijft tevreden waar zijn moeder hem dan ook plaatst. En de moeder kat plaatst de kitten soms in de keuken, soms op de grond, en soms op het bed. Wanneer hij lijdt roept hij alleen, ‘Miauw, miauw!’ Dat is alles wat hij weet. Maar zo gauw de moeder deze roep hoort, waar ze ook mag zijn, ze komt naar de kitten.”

Het was zondagmiddag toen M. op zijn derde bezoek kwam bij de Meester. Hij was diepgaand beïndrukt door zijn eerste twee bezoeken aan deze wonderlijke man. Hij had constant aan de Meester gedacht, en aan de uiterst eenvoudige manier hij de diepe waarheden van het spirituele leven uitlegde. Nooit eerder had hij zulk een man ontmoet. Sri Ramakrishna zat op de smalle bank. De kamer was gevuld met toegewijden,3 die hun voordeel met de vakantie hadden gedaan door te komen om de Meester te zien. M. had met nog geen enkele van hen kennis gemaakt; dus hij nam plaats in een hoek. De Meester glimlachte terwijl hij sprak met de toegewijden.

Hij richtte zijn woorden in het bijzonder aan een jongeman van negentien, genaamd “narendranath,4 die een college student was en regelmatig de Sādhāran Brāhmo Samāj bezocht. Zijn ogen waren helder, zijn woorden waren vol van geest, en hij had het uiterlijk van een liefhebber van God.

M. gokte dat de conversatie ging over wereldlijke mensen5 die neerkijken op hen die spirituele dingen aspireren. De Meester sprak over het groot aantal van zulke mensen in de wereld, en over hoe met hen om te gaan.

Meester (aan Narendra): “Hoe denk jij erover? Wereldlijke mensen zeggen allerhande dingen over de spiritueel georiënteerden. Maar kijk! Wanneer een olifant door de straat loopt kan iedere hoeveelheid straathonden en andere kleine dieren erachteraan blaffen en roepen; maar de olifant kijkt zelfs niet om naar hen. Als mensen slecht over je spreken, wat zul je van hen denken?

Narendra: “Ik zal denken dat honden naar me aan het blaffen zijn.”

Meester (glimlachend): “Oh, nee! Je moet niet zo ver gaan, mijn kind! (Gelach). God verblijft in alle wezens. Maar je mag alleen met goede mensen intiem zijn; je moet wegblijven van de kwaad denkenden. God is zelfs in de tijger; maar je kunt op grond daarvan de tijger niet omhelzen. (Gelach). Je kunt zeggen, ‘Waarom weg rennen van een tijger die ook een manifestatie van God is?’ Het antwoord daarop is: ‘Zij die je vertellen weg te rennen zijn ook manifestaties van God – en waarom zou je niet naar hen luisteren?’

“Laat me je een verhaal vertellen. In een woud leefde een heilige man die veel discipelen had. Op een dag leerde hij hen God te zien in alle wezens en, dit wetende, laag te buigen voor hen allemaal. Een discipel ging naar het woud om hout te sprokkelen voor het offervuur. Plotseling hoorde hij een uitroep: ‘Ga uit de weg! Er komt een dolle olifant aan!’ Allen behalve de discipel van de heilige man lichtten hun hielen. Hij redeneerde dat de olifant ook God was in een andere vorm. Waarom zou hij dan ervan weg rennen? Hij stond stil, boog voor het dier, en begon zijn glories te zingen. De māhut van de olifant riep: ‘Ren weg! Ren weg!’ Maar de discipel bewoog niet. Het dier greep hem met zijn slurf, wierp hem naar een zijde en vervolgde zijn weg. Gekwetst en gekneusd lag de discipel bewusteloos op de grond. Horende wat er was gebeurd kwamen zijn leraar en zijn broeder discipelen naar hem en droegen hem naar de kluizenaarshut. Met behulp van een medicijn herwon hij spoedig bewustzijn. Iemand vroeg hem, ‘Je wist dat de olifant eraan kwam – waarom ging je niet weg van de plaats?’ ‘Maar’, zei hij, ‘onze leraar vertelde ons dat God Zelf al deze vormen heeft aangenomen, van dieren zowel als mensen. Daarom, denkende dat het alleen de olifant God was die eraan kwam rende ik niet weg.’ Hierop zei de leraar: ‘Ja, mijn kind, het is waar dat de olifant God eraan kwam; maar de māhut God verbood je daar te blijven. Aangezien allen manifestaties van God zijn, waarom vertrouwde je de māhut’s woorden niet? Je had acht moeten slaan op de woorden van de māhut God.’ (Gelach).

“Er wordt gezegd in de geschriften dat water een vorm is van God. Maar bepaald water is geschikt om gebruikt te worden voor aanbidding, ander water voor het wassen van het gezicht, en bepaald alleen voor het wassen van borden of vuil linnengoed. Dit laatste soort kan niet gebruikt worden om te drinken of voor een heilig doel. Op dezelfde manier, God verblijft ontwijfelbaar in de harten van allen – heilig en onheilig, rechtschapen en onrechtschapen; maar een man moet niet omgaan met de onheiligen, de slechten, de onzuiveren. Hij moet niet intiem zijn met hen. Met sommige van hen kan hij woorden uitwisselen, maar met anderen moet hij zelfs zo ver niet gaan. Hij moet afzijdig blijven van zulke mensen.”

Een toegewijde: “Mijnheer, als een slecht man op het punt staat schade te doen, of dit daadwerkelijk doet, moeten we dan stil blijven?”

Meester: “Een man die in de maatschappij leeft moet tamas tonen om zichzelf te beschermen van kwaaddenkende mensen. Maar hij moet niemand schaden in anticipatie op schade mogelijk aan hem gedaan.

“Luister naar een verhaal. Enige koeherder jongens hadden de gewoonte hun koeien te hoeden in een wei waar een verschrikkelijke giftige slang leefde. Iedereen was op de hoede uit angst voor hem. Op een dag ging een brahmachāri door de wei. De jongens rende naar hem en zeiden: ‘Geachte mijnheer, neem asjeblief niet die weg. Een giftige slang leeft daar.’ ‘Nou en, mijn goede kinderen?’ zei de brahmachāri. ‘Ik ben niet bang van de slang. Ik ken enige mantras.’ Aldus zeggende zette hij zijn weg voort door de wei. Maar de koeherder jongens, bang zijnd, vergezelden hem niet. In de tussentijd bewoog de slang snel naar hem toe met opgeheven schild. Zo gauw hij dichtbij kwam reciteerde hij een mantra, en de slang lag aan zijn voeten als een aardworm. De brahmachāri zei: ‘Kijk. Waarom ga je er op uit schade te doen? Kom, ik zal je een heilig woord geven. Door het te herhalen zul je God leren liefhebben. Uiteindelijk zul je Hem realiseren en zo je gewelddadige natuur kwijtraken.’ Dit zeggende leerde hij de slang een heilig woord en wijdde hem in het spirituele leven in. De slang boog voor de leraar en zei, ‘Geachte heer, hoe zal ik spirituele discipline beoefenen?’ ‘Herhaal dat heilig woord’, zei de leraar, ‘en doe aan niemand schade.’ Toen hij op het punt stond te vertrekken zei de brahmachāri, ‘Ik zal je opnieuw zien.’

‘Enige dagen gingen voorbij en de koeherder jongens merkten op dat de slang niet beet. Ze wierpen er stenen naar. Nog steeds toonde hij geen kwaadheid; hij gedroeg zich alsof hij een aardworm was. Op een dag kwam een van de jongens dichtbij hem, pakte hem bij zijn staart en sloeg hem, rond en rond draaiend, keer op keer op de grond en gooide hem weg. De slang braakte bloed en raakte bewusteloos. Hij was verdoofd. Hij kon niet bewegen. Zo, denkende dat hij dood was, vervolgden de jongens hun weg.

‘Laat in de nacht herkreeg de slang bewustzijn. Langzaam en met grote moeite sleepte hij zichzelf in zijn hol; zijn botten waren gebroken en hij kon nauwelijks bewegen. Veel dagen gingen voorbij. De slang werd slechts een skelet bedekt met een huid. Nu en dan, ’s nachts, kwam hij eruit op zoek naar eten. Uit angst voor de jongens verliet hij zijn hol niet gedurende de dag. Sinds het ontvangen van het heilig woord van de leraar had hij schade doen aan andere opgegeven. Hij onderhield zijn leven op vuil, bladeren of de vruchten die van de bomen vielen.

“Ongeveer een jaar later kwam de brahmachāri weer die kant uit en vroeg naar de slang. De koeherder jongens vertelde hem dat hij dood was. Maar hij kon ze niet geloven. Hij wist dat de slang niet zou sterven alvorens de vrucht van het heilige woord te bereiken waarmee hij was ingewijd. Hij vond zijn weg naar de plek en riep hem, hier en daar zoekend, bij de naam die hij hem had gegeven. De leraar’s stem horend kwam hij uit zijn hol en boog voor hem met grootste achting. ‘Hoe gaat het met je?’ vroeg de brahmachāri. ‘Het gaat goed, mijnheer’, antwoordde de slang. ‘Maar’, vroeg de leraar, ‘waarom ben je zo dun?’ De slang antwoordde: ‘Geachte mijnheer, je beval me niemand te schaden. Dus heb ik geleefd alleen op bladeren en fruit. Misschien heeft dat me dunner gemaakt.’

“De slang had de kwaliteit van sattva ontwikkeld; hij kon op niemand boos zijn. Hij was volkomen vergeten dat de koeherder jongens hem bijna hadden gedood.

“De brahmachāri zei: ‘Het kan niet enkel behoefte aan voedsel zijn dat je gereduceerd heeft tot deze staat. Er moet een andere reden zijn. Denk een beetje na.’ Toen herinnerde de slang zich dat de jongens hem tegen de grond hadden geslagen. Hij zei: ‘Ja, geachte mijnheer, nu herinner ik het me. Op een dag sloegen de jongens me gewelddadig tegen de grond. Ze zijn onwetend, immers. Ze realiseerden zich niet wat voor een grote verandering over mijn denken was gekomen. Hoe konden ze weten dat ik niemand zou bijten of schade zou doen? De brahmachāri riep uit: ‘Wat een schande! Je bent zulk een dwaas! Je weet niet hoe jezelf te beschermen. Ik vroeg je niet te bijten, maar ik verbad je niet te sissen. Waarom jaagde je ze geen schrik aan door te sissen?’

“Dus je moet sissen naar slechte mensen. Je moet ze angst aanjagen zodat ze je geen schade doen. Maar injecteer nooit je gif in hen. Je moet anderen niet verwonden.

“In deze schepping van God is een variëteit aan dingen: mensen, dieren, bomen, planten. Onder de dieren zijn sommige goed, sommige slecht. Er zijn woeste dieren zoals de tijger. Sommige bomen dragen fruit zoet als nectar, en andere dragen fruit dat giftig is. Op dezelfde manier, onder mensen zijn er de goede en de slechte, de heilige en de onheilige. Er zijn enige die toegewijd zijn aan God, en andere die gehecht zijn aan de wereld.

“Mensen kunnen verdeeld worden in vier klassen: zij gebonden door de ketenen van de wereld, de zoekers naar bevrijding, de bevrijden, en de altijd-vrijen.

“Tot de altijd-vrijen kunnen we wijzen als Nārada rekenen. Zij leven in de wereld voor het goede van anderen, om mensen spirituele waarheid te leren.

“Zij in gebondenheid zijn gezonken in wereldlijkheid en God vergetend. Zelfs niet bij vergissing denken zij aan God.

“De zoekers naar bevrijding willen zichzelf bevrijden van gehechtheid aan de wereld. Sommigen van hen slagen en anderen doen dat niet.

“De bevrijde zielen, zoals de sādhus en mahātmās, zijn niet verstrikt in de wereld, in ‘vrouwen en goud’. Hun denken is vrij van wereldlijkheid. Daarbij, ze mediteren altijd op de Lotusvoeten van God.

“Veronderstel dat een net in een meer is geworpen om vissen te vangen. Sommige vissen zijn zo slim dat ze nooit gevangen worden in het net. Die zijn als de altijd-vrijen. Maar de meeste vissen raken verstrikt in het net. Sommige van hen proberen zichzelf ervan te bevrijden, en zij zijn als hen die bevrijding zoeken. Maar niet alle vissen die worstelen slagen. Zeer weinige springen wel degelijk uit het net, een grote plons makend in het water. Dan roepen de vissers, ‘Kijk! Daar gaat een grote!’ Maar de meeste van de vissen gevangen in het net kunnen niet ontsnappen, noch doen ze moeite om eruit te geraken. In tegendeel, ze graven in de modder met het net in hun monden en liggen daar stil, denkend, ‘We hoeven niet meer bang te zijn; we zijn aardig veilig hier.’ Maar de arme dingen weten niet dat de vissers hen eruit zullen trekken met het net. Deze zijn als de mensen gebonden aan de wereld.

“De gebonden zielen zijn gebonden aan de wereld door de ketenen van ‘vrouwen en goud’. Ze zijn gebonden met handen en voeten. Denkend dat ‘vrouwen en goud’ hen gelukkig zullen maken en hen veiligheid bieden realiseren ze niet dat het hen zal leiden naar annihilatie. Wanneer een man op die manier gebonden aan de wereld op het punt staat te sterven vraagt zijn vrouw, ‘Je staat op het punt te gaan; maar wat heb je gedaan voor mij?’ Nogmaals, zo is zijn gehechtheid aan de dingen van de wereld dat hij, wanneer hij de lamp fel brandend ziet, zegt: ‘Dim het licht. Teveel olie wordt gebruikt.’ En hij is op zijn sterfbed!’

“De gebonden zielen denken nooit aan God. Wanneer ze enige vrije tijd krijgen doen ze zich tegoed aan zinloze roddel en dwaze praat, of ze engageren zich in vruchteloos werk. Als je een van hen om de reden vraagt antwoordt hij, ‘Oh ik kan niet stilzitten; dus ben ik een omheining aan het maken.’ Wanneer de tijd hen zwaar valt starten ze misschien met kaartspelen.”

Er was een diepe stilte in de kamer.

Een toegewijde: “Mijnheer, is er geen hulp, dan, voor  zulk een wereldlijk persoon?”

Meester: “Dat is er zeker. Van tijd tot tijdmoet hij leven in het gezelschap van heilige mannen, en van tijd tot tijd in eenzaamheid gaan om te mediteren op God. Verder, hij moet discriminatie beoefenen en bidden tot God, ‘Geef me geloof en devotie.’ Wanneer een persoon eenmaal geloof heeft, heeft hij alles bereikt. Er is niets groter dan geloof.

(Tegen Kedar) “Je moet gehoord hebben over de enorme kracht van geloof. Er wordt gezegd in de Purāna dat Rāma, die God zelf was – de belichaming van het Absolute Brahman – een brug moest bouwen om de zee naar Ceylon over te steken. Maar Hanumān, vertrouwend in Rāma’s naam, sprong over de zee in één sprong en bereikte de andere kant. Hij had geen nood aan een brug. (Allen lachen.)

“Eens stond een man op het punt de zee over te steken. Bibhishana schreef Rāma’s naam op een blad, bond het in een hoek van de draagdoek van de man, en zei aan hem: ‘Wees niet bang. Heb geloof en loop op het water. Maar kijk – het moment dat je geloof verliest zul je verdrinken.’ De man liep gemakkelijk op het water. Plotseling had hij een intense begeerte om te zien wat er in zijn doek was gebonden. Hij opende het en vond alleen een blad met de naam van Rāma erop geschreven. ‘Wat is dit?’ dacht hij. ‘Alleen de naam van Rāma!’ Zo gauw twijfel in zijn denken kwam zonk hij onder het water.

“Als een man geloof heeft in God, dan zelfs als hij de meest gruwelijke zonden beging – zoals het doden van een koe, een brāhmin of een vrouw – zal hij zeker gered worden door zijn geloof. Laat hem alleen zeggen tot God, ‘O Heer, ik zal zulk een actie niet herhalen’, en hij hoeft van niets bang te zijn.”

Toen hij dit had gezegd, zong de Meester:

Als ik alleen maar kan heengaan herhalend Durgā’s naam,
Hoe kunt U dan, O Gezegende,
Verlossing van me weerhouden,
Verachtelijk doch als ik mag zijn?
Ik mag een dronk wijn gestolen hebben, of een ongeboren kind gedood,
Of een vrouw gedood hebben of een koe,
Of zelfs een brāhmin’s dood veroorzaakt hebben;
Maar, doch het allemaal waar zij,
Niets van dit kan me het minst ongemakkelijk doen voelen;
Want door de kracht van Uw zoete naam
Mag mijn verachtelijke ziel nog steeds aspireren
Zelfs naar Brahmanschap.

Wijzend naar Narendra zei de Meester: “Jullie zien allemaal deze jongen. Hij gedraagt zich hier zo. Een ondeugende jongen lijkt erg zachtaardig wanneer bij zijn vader. Maar hij is nogal een ander persoon wanneer hij speelt in de chāndni. Narendra en mensen van zijn type behoren tot de klasse van de altijd-vrijen. Zij zijn nooit verstrikt in de wereld. Wanneer ze een beetje ouder worden voelen ze het ontwaken van innerlijk bewustzijn en gaan direct naar God. Zij komen naar de wereld alleen om anderen te onderwijzen. Zij geven nooit om iets van de wereld. Ze zijn nooit gehecht aan ‘vrouwen en goud’.

“De Veda’s spreken van de homā vogel. Ze leeft hoog in de lucht en daar legt het haar ei. Zo gauw als het ei is gelegd begint het te vallen; maar het is zo hoog dat het doorgaat te vallen voor vele dagen. Terwijl het valt broedt het uit, en het kuiken valt. Terwijl het kuiken valt openen zijn ogen; het groeit vleugels. Zo gauw als zijn ogen openen, realiseert het dat het aan het vallen is en aan stukken zal slaan bij het raken van de aarde. Dan onmiddellijk schiet het omhoog naar de moeder vogel hoog in de lucht.”

Op dit punt verliet Narendra de kamer. Kedar, Prankrishna, M., en veel anderen bleven.

Meester: “Zie je, Narendra blinkt uit in zingen, spelen op instrumenten, studie en alles. Laatst had hij een discussie met Kedar en scheurde zijn argumenten aan flarden. (Allen lachen.)

(Tegen M.) “Is er enig boek in het Engels over redeneren?”

M: “Ja mijnheer, dat is er. Het is genaamd Logica.”

Meester: “Vertel me wat het zegt.”

M. was een beetje in verlegenheid gebracht. Hij zei: “Eén deel van het boek handelt over deductie van het algemene naar het bijzondere. Bijvoorbeeld: Alle mensen zijn sterfelijk. Scholieren zijn mensen. Daarom zijn scholieren sterfelijk. Een ander deel handelt over de methode van redenering van het bijzondere naar het algemene. Bijvoorbeeld: Deze kraai is zwart. Die kraai is zwart. De kraaien die we overal zien zijn zwart. Daarom zijn alle kraaien zwart. Maar er kan een misvatting zijn in een conclusie waarop op deze manier wordt uitgekomen; want bij navraag kan men een witte kraai vinden in een of ander land. Er is een andere illustratie: Als er regen is, dan is er een wolk geweest. Daarom komt regen van een wolk. Nog een ander voorbeeld: Deze mens heeft tweeëndertig tanden. Die mens heeft tweeëndertig tanden. Alle mensen die we zien hebben tweeëndertig tanden. Daarom hebben mensen tweeëndertig tanden. Engelse logica handelt over zulke inducties en deducties.”

Sri Ramakrishna hoorde nauwelijks deze woorden. Terwijl hij luisterde werd hij afwezig. Dus de conversatie vervolgde niet ver.

Toen de bijeenkomst werd opgebroken kuierde de toegewijden in de tempeltuin. M. ging in de richting van de Panchavati. Het was ongeveer vijf uur in de namiddag. Na een poos keerde hij terug naar de Meester’s kamer. Daar, op de smalle Noord veranda, aanschouwde hij een verbazingwekkend gezicht.

Sri Ramakrishna stond stil, omringd door een paar toegewijden, en Narendra was aan het zingen. M. had nog nooit iemand behalve de Meester zo zoet horen zingen. Toen hij naar Sri Ramakrishna keek werd hij geraakt met verbazing; want de Meester stond bewegingsloos, met de ogen vastgericht. Hij leek zelfs niet te ademen. Een toegewijde vertelde M. dat de Meester in samādhi was. M. had van zoiets nog nooit tevoren gehoord of het gezien. Stil met verbazing dacht hij: “Is het mogelijk voor een man om zo onbewust te zijn van de uiterlijke wereld in het bewustzijn van God? Hoe diep moet zijn geloof en devotie zijn om zulk een staat teweeg te brengen!”

Narendra zong:

Mediteer, O mijn denken, op de Heer Hari,
De Smetteloze Ene, Pure Geest door en door.
Hoe weergaloos is het Licht dat in Hem schijnt!
Hoe zielsbetoverend is Zijn wonderlijke vorm!
Hoe dierbaar is Hij voor al Zijn toegewijden!

Immer schoner in vers bloeiende liefde
Dat de pracht van een miljoen manen beschaamt,
Als bliksem schijnt de glorie van Zijn vorm,
De haren omhoog doen staand uit pure vreugde.

De Meester sidderde toen deze laatste regel werd gezongen. Zijn haren stonden omhoog, en tranen van vreugde stroomde over zijn wangen naar beneden. Nu en dan scheidde zijn lippen zich in een glimlach. Zag hij de weergaloze schoonheid van God, “dat de pracht van een miljoen manen beschaamt”? Was dit het visioen van God, de Essentie van Geest? Hoeveel ascese en discipline, hoeveel geloof en devotie moeten noodzakelijk zijn voor zulk een visioen!

Het lied ging verder:

Aanbidt Zijn voeten in de lotus van je hart;
Met denken sereen en ogen stralend gemaakt
Met hemelse liefde, aanschouw dat ongeëvenaarde zicht.

Opnieuw die betoverende glimlach. Het lichaam bewegingloos als eerder, de ogen half gesloten, alsof aanschouwend een vreemd innerlijk visioen.

Het lied naderde een einde. Narendra zong de laatste regels:

Gevangen in de betovering van Zijn liefde’s extase,
Verzink jezelf voor altijd, O denken,
In Hem die Pure Kennis en Pure gelukzaligheid is.

 Het gezicht van de samādhi en de heilige gelukzaligheid die hij had aanschouwd lieten een onuitwisbare indruk na op M.’s denken. Hij keerde diep geraakt terug naar huis. Nu en dan kon hij binnenin zichzelf de echo horen van die zielsbedwelmende regels:

Verzink jezelf voor altijd, O denken,
In Hem wie Pure Kennis en Pure gelukzaligheid is.

De volgende dag was ook een vrije dag voor M. Hij arriveerde bij Dakshineswar om drie uur in de namiddag. Sri Ramakrishna was in zijn kamer; Narendra, Bhavanath en een paar andere toegewijden zaten op een mat gespreid op de grond. Ze waren allen jonge mannen van negentien of twintig. Gezeten op de smalle bank was Sri Ramakrishna met hen aan het spreken en aan het glimlachen.

Niet eerder was M. de kamer binnengegaan of de Meester lachte hardop en zei aan de jongens, “Daar! Hij is opnieuw gekomen.” Allen deden mee in de lach. M. boog diep voor hem en nam plaats. Hiervoor had hij de Meester gegroet met gevouwen handen, zoals iemand met een Engelse educatie. Maar die dag leerde hij neer te vallen aan zijn voeten volgens orthodoxe Hindoe gewoonte.

Op het moment legde de Meester de reden van zijn lach uit aan de toegewijden. Hij zij: “Een man voedde eens een pauw met een opiumpil om vier uur in de namiddag. De volgende dag, precies op die tijd kwam de pauw terug. Het had de bedwelming van de drug gevoeld en keerde terug precies op tijd voor een andere dosis.” (Allen lachen.)

M. dacht dit een heel passende illustratie te zijn. Zelfs thuis was hij niet in staat geweest de gedachte aan Sri Ramakrishna voor een moment te verbannen. Zijn denken was constant in Dakshineswar en hij had de minuten geteld tot hij weer kon gaan.

Intussen had de Meester veel plezier met de jongens, hen behandelend alsof ze zijn meest intieme vrienden waren. Galmen van barstende lach vulde de kamer, alsof het een markt van vreugde was. Het geheel was een openbaring voor M. Hij dacht: “Zag ik hem niet gisteren nog bedwelmd van God? Zonk hij toen niet in de Oceaan van Heilige Liefde – een gezicht dat ik nog nooit eerder had gezien? En vandaag gedraagt dezelfde persoon zich als een gewone man! Was hij het niet die me berispte op de eerste dag dat ik hier kwam? Vermaande hij me niet, zeggend, ‘En jij bent een man van kennis!’? Was hij het niet die tegen me zei dat God met vorm even waar is als God zonder vorm? Zei hij niet dat God alleen werkelijk is en al het andere illusionair? Was hij het niet die me adviseerde onthecht in de wereld te leven, als een dienstmeid in het huis van een rijke man?”

Sri Ramakrishna had veel plezier met de jonge toegewijden; nu en dan blikte hij naar M. Hij merkte op dat M. in stilte zat. De Meester zei tegen Ramlal: “Zie je, hij is een beetje gevorderd in jaren, en daarom wat serieus. Hij zit stil terwijl de jongelingen plezier maken.” M. was toen ongeveer achtentwintig jaar oud.

Het gesprek dreef naar Hanumān, wiens afbeelding aan de muur hing in de Meester’s kamer.

Sri Ramakrishna zei: “Stel je Hanumān’s staat van bewustzijn eens voor. Hij gaf niet om geld, eer, lichamelijke gemakken, of wat dan ook. Hij verlangde alleen naar God. Toen hij wegliep met het hemelse wapen dat verstopt was in de kristallen pilaar begon Mandodari hem te verleiden met diverse stukken fruit zodat hij naar beneden zou komen en het wapen zou laten vallen.6 Maar zo gemakkelijk kon hij niet bedrogen worden. In antwoord op haar overredingen zong hij dit lied:

Heb ik nood aan fruit?
Ik heb het Fruit dat dit leven
Inderdaad vruchtvol maakt. Binnenin mijn hart
Groeit de Boom van Rāma,
Verlossing dragend als zijn fruit.

Onder de Wensvervullende Boom
Van Rāma zit ik op mijn gemak,
Plukkend ieder fruit dat ik wil.
Maar als je spreekt over fruit –
Geen bedelaar, ik, voor gewoon fruit
Aanschouw, ik ga,
Achterlatend een bitter stuk fruit voor jou.”

Terwijl Sri Ramakrishna het lied zong ging hij in samādhi. Opnieuw de halfgesloten ogen en het bewegingsloos lichaam welke men ziet in zijn foto. Net een minuut eerder hadden de toegewijden plezier gemaakt in zijn gezelschap. Nu waren alle ogen geklonken aan hem. Zo zag M. voor de tweede keer de Meester in samādhi.

Na een lange tijd kwam de Meester terug tot normaal bewustzijn. Zijn gezicht lichtte op met een glimlach en zijn lichaam ontspande; zijn zintuigen begonnen te functioneren op een normale manier. Hij liet tranen van vreugde terwijl hij de heilige naam van Rāma herhaalde. M. verwonderde zich of deze zelfde heilige de persoon was die zich een paar minuten eerder nog had gedragen als een kind van vijf.

De Meester zei tegen Narendra en M., “Ik wil jullie graag horen spreken en discussiëren in het Engels.” Ze lachten beiden. Maar ze gingen door met praten in hun moedertaal. Het was onmogelijk voor M. om nog te discussiëren voor de Meester. Hoewel Sri Ramakrishna volhield spraken ze niet in het Engels.

Om vijf uur in de namiddag gingen alle toegewijden behalve Narendra en M. weg van de Meester. Toen M. in de tempeltuin aan het wandelen was trof hij plotseling de Meester pratend tegen Narendra op de oever van de ganzenvijver. Sri Ramakrishna zei tegen Narendra: “Kijk. Kom een beetje vaker. Je bent een nieuwkomer. Bij een eerste kennismaking bezoeken mensen elkaar redelijk vaak, zoals het geval is met de minnaar en zijn geliefde. (Narendra en M. lachen.) Dus zul je asjeblief komen?”

Narendra, een lid van de Brāhmo Samāj, was erg nauwgezet over zijn beloftes. Hij zei met een glimlach, “Ja mijnheer, ik zal het proberen.”

Toen ze terug keerden naar de Meester’s kamer zei Sri Ramakrishna tegen M.: “Wanneer boeren naar de markt gaan om ossen te kopen voor hun ploegen kunnen ze gemakkelijk de goede van de slechte onderscheiden door hun staarten aan te raken. Daar aangeraakt gaan sommige gedwee op de grond liggen. De boeren herkennen dat deze zonder temperament zijn en wijzen ze af. Ze selecteren alleen die ossen die rond springen en temperament tonen wanneer hun staarten aangeraakt worden. Narendra is als een os uit deze latere klasse. Hij is vol van temperament van binnen.”
De Meester glimlachte toen hij dit zei en vervolgde: “Er zijn sommige mensen die absoluut geen lef hebben. Zij zijn als geplette rijst geweekt in melk – zacht en papperig. Geen innerlijke kracht!”

Het was schemerdonker. De Meester mediteerde op God. Hij zei tegen M.: “Ga en praat met Narendra. Vertel me daarna wat je van hem denkt.”

De avondaanbidding was voorbij in de tempels. M. ontmoette Narendra op de oever van de Ganges en ze begonnen te converseren. Narendra vertelde M. over zijn studeren in het college, zijn lidmaatschap van de Brāhmo Samāj, enzovoort.

Het was nu laat in de avond en tijd voor M.’s vertrek; maar hij voelde afkeer om te gaan en ging in plaats op zoek naar Sri Ramakrishna. Hij was gefascineerd door de Meester’s zang en wilde meer horen. Uiteindelijk vond hij de Meester alleen kuierend in de nātmandir voor de Kāli tempel. Een lamp brandde in de tempel aan beide zijden van het beeld van de Hehilige Moeder. De enkele lamp in de ruime nātmandir vermengde licht en donker in een soort van mystiek schemerlicht waarin het figuur van de Meester vaag gezien kon worden.

M. was betoverd door de Meester’s zoete muziek. Met enige twijfel vroeg hij of er nog meer zang zou zijn die avond. “Nee, niet vanavond”, zei Sri Ramakrishna na enige reflectie. Toen, alsof hij iets herinnerde, voegde hij toe: “Maar ik ga binnenkort naar Balaram Bose’s huis in Calcutta, Kom daar en je zal me horen zingen.” M. stemde toe te gaan.

Meester: “Ken je Balaram Bose?”

M.: “Nee mijnheer, die ken ik niet.”

Meester: “Hij leeft in Bosepārā.”

M.: “Dat is goed mijnheer, ik zal hem vinden.”

Terwijl Sri Ramakrishna op en neer liep in de hal met M. zei hij tegen hem: “Laat me je iets vragen. Wat denk je van me?”

M. bleef stil. Opnieuw vroeg Sri Ramakrishna: “Wat denk je van me? Hoeveel ānnās van kennis van God heb ik?”

M.: “Ik begrijp niet wat u bedoelt met ‘ānnās’. Maar van dit ben ik zeker: ik heb nooit eerder zulk een kennis, extatische liefde, geloof in God, onthechting en Katholiciteit gezien, waar dan ook.”

De Meester lachte.

M. boog diep voor hem en vertrok. Hij was zo ver gegaan als de hoofdpoort van de tempeltuin toen hij ineens iets herinnerde en terug kwam bij Sri Ramakrishna, die nog steeds in de nātmandir was. In het schemerige licht kuierde de Meester, helemaal alleen, door de hal, zich verheugend in het Zelf – zoals de leeuw alleen leeft en ronddwaalt in het woud.

In stille verwondering aanschouwde M. die grote ziel.

Meester (tegen M.): “Wat doet je terug komen?”

M.: “Misschien behoort het huis waarheen u mij vroeg te gaan tot een rijke man. Ze kunnen me misschien niet binnen laten. Ik denk dat ik beter niet kan gaan. Ik wil u liever hier ontmoeten.”

Meester: “Oh, nee! Waarom zou je dat denken? Noem gewoon mijn naam. Zeg dat je me wilt zien; dan zal iemand je tot me brengen.”

M. knikte instemmend en vertrok na de Meester gegroet te hebben.

Noten
  1. Een neef van Sri Ramakrishna, en een priester in de Kāli tempel.
  2. De term ‘vrouwen en goud’ welke overal gebruikt is in een collectieve zin komt keer op keer voor in de leringen van Sri Ramakrishna om de belangrijkste obstakels voor spirituele vooruitgang aan te duiden. Deze favoriete expressie van de Meester, ‘kāminikānchan’, werd vaak verkeerd begrepen. Hiermee bedoelde hij enkel ‘lust en hebzucht’, de verderfelijke invloed van wat de spirituele groei van de aspirant vertraagt. Hij gebruikte het woord ‘kāmini’, of ‘vrouw’, als een concrete term voor het seksinstinct wanneer hij zijn mannelijke toegewijden aansprak. Hij adviseerde vrouwen anderzijds om ‘mannen’ te schuwen. ‘Kānchan’, of ‘goud’, symboliseert hebzucht, welk het andere obstakel is voor een spiritueel leven.
    Sri Ramakrishna leerde zijn discipelen nooit enige vrouw te haten of vrouwen in het algemeen. Dit kan duidelijk gezien worden door zijn leringen door te nemen onder deze noemer en ze collectief te beoordelen. De Meester keek naar alle vrouwen als naar evenveel beelden van de Heilige Moeder van het Universum. Hij betoonde de hoogste eerbied aan vrouwen door een vrouw te accepteren als zijn gids terwijl hij de zeer diepgaande spirituele disciplines van Tantra beoefende. Zijn echtgenote, gekend en geëerd als de Heilige Moeder, was zijn constante metgezel en eerste discipel. Aan het einde van zijn spirituele oefeningen aanbad hij letterlijk zijn echtgenote als de belichaming van de Godin Kāli, de Heilige Moeder. Na zijn heengaan werd de Heilige Moeder de spirituele gids niet slechts van een groot aantal huishouders, maar ook van veel monastische leden van de Ramakrishna Orde.
  3. Het woord wordt gewoonlijk gebruikt in de tekst om een toegewijde aan God aan te duiden, een aanbidder van de Persoonlijke God, of een volgeling van het pad van liefde. Een toegewijde van Sri Ramakrishna is iemand die toegewijd is aan Sri Ramakrishna en zijn leringen volgt.
  4. Later wereldberoemd als Swami Vivekananda.
  5. Het woord ‘men’ uit de Engelse vertaling door Swami Nikhilananda wordt in deze Nederlandse vertaling veelal (hoewel niet overal) doorvertaald met ‘mensen’ en niet ‘mannen’. Dit op basis van de contextuele lezing.
  6. Het verhaal waar hier naar verwezen wordt, wordt verteld in de Rāmāyana. Rāvana had een gunst ontvangen als gevolg waarvan hij alleen gedood kon worden door een bepaald hemels wapen. Dit wapen was verborgen in een kristallen pilaar in zijn paleis. Op een dag kwam Hanumān in de vermomming van een gewone aap naar het paleis en brak de pilaar. Terwijl hij weg rende met het wapen werd hij verleid met fruit door Mandodari, Rāvana’s vrouw, zodat hij het wapen zou teruggeven. Spoedig nam hij zijn eigen vorm aan en zong het lied als gegeven in de tekst.