ARVINDUS

Contemplationam

'Is er Leven na de Dood?'

'IS ER LEVEN NA DE DOOD?'

In deze contemplatie zullen we ingaan op de vraag ‘Is er leven na de dood?’ Dit zullen wij doen vanuit een subjectivistisch en niet-objectivistisch perspectief. Er wordt niet beoogd om via wetenschappelijke bewijsvoering tot een sluitend antwoord op de vraag te komen maar veeleer om via de vraag in contemplatie te geraken.

Herformulering van de Vraag

De vraag of er leven is na de dood is een veelgestelde. Doorgaans wordt deze vraag geformuleerd als: ‘Is er leven na de dood?’ Deze vraag bestaat uit een hoofdzin en een bijzin. De hoofdzin betreft hier ‘Is er leven […]?’ en de bijzin betreft hier ‘[…] na de dood[…]’. Deze ontleding maakt duidelijk dat in de vraag ‘Is er leven na de dood?’ het leven als deel van de hoofdzin in twijfel wordt gesteld. De dood, deel uitmakend van de bijzin, blijft in die vraag buiten schot. De dood wordt in de vraag ‘Is er leven na de dood?’ niet in twijfel getrokken. Kortom wordt in deze vraag de dood als uitgangspunt genomen en het leven in twijfel gesteld. Dit mag enigszins opmerkelijk gevonden worden aangezien de vraag altijd gesteld wordt bij leven. Vragen worden gesteld bij leven. Wordt er dus een vraag gesteld dan kan men ervan uitgaan dat in ieder geval ten tijde van de vraagstelling leven het geval is. Meer correct dan de formulering ‘Is er leven na de dood?’ lijkt dan ook de formulering ‘Is er dood na het leven?’. In deze vraag wordt niet het leven maar de dood in twijfel getrokken.

Derde en Eerste Persoonsperspectief

Als bovenstaande analyse in beschouwing wordt genomen kan de vraag rijzen hoe het mogelijk is dat de vraag ‘Is er leven na de dood?’ veel dominanter in gebruik is dan de vraag ‘Is er dood na het leven?’. Die vraag kan beantwoord worden wanneer we kijken naar de manier waarop doorgaans leven en dood begrepen worden. Leven en dood (net als overigens zo’n beetje alle begrippen) worden dominant begrepen vanuit een derde persoonsperspectief. Het leven dat is de handel en wandel van een zintuiglijk waarneembare ander en de dood dat is de stopzetting daarvan. Wanneer gezien wordt dat een ander stopt met handelen en wandelen en volledig stilvalt dan is dat stilvallen van die ander wat begrepen wordt als de dood. En dit stilvallen van die ander, dit doodgaan van die ander, doet ons dan de vraag stellen of die ander misschien op een andere, zintuiglijk niet waarneembare manier verder gaat met handelen en wandelen, verder gaat met leven. En aldus komen we tot de vraag ‘Is er leven na de dood?’ Evengoed hadden we dan expliciet gevraagd ‘Is er leven na de dood voor een ander?’ Deze begripsvorming omtrent leven en dood heeft te maken met het belang dat bij waarheidsvinding gehecht wordt aan zintuiglijke waarneming. De minder ontwikkelde mens is sowieso al sterk zintuiglijk gericht en dan vindt hij zich in deze tijden ook nog eens geplaatst in een empirisch tijdperk, in een tijdperk waar zintuiglijke waarneming als wetenschappelijke methode voor waarheidsvinding als enige juiste wordt gepropageerd. De vraag ‘Is er leven na de dood (voor een ander)?’ is een vraag die als tekenend beschouwd mag worden voor deze tijd.

Nu kan tegengeworpen worden dat men bij de vraag ‘Is er leven na de dood?’ echt wel zichzelf in ogenschouw neemt. Dit kan ook best wel het geval zijn maar doorgaans zal dit zelf dat in ogenschouw genomen wordt dan veeleer een projectie van dat zelf zijn in plaats van het echte zelf. Men projecteert dan zichzelf buiten zichzelf als een ander die men als zichzelf beschouwt. Dit is een beschouwen van zichzelf in derde persoonsperspectief en sluit naadloos aan bij de houding van zintuiglijke waarheidsvinding.

De situatie is anders wanneer leven en dood beschouwd worden vanuit een eerste persoonsperspectief. Begripsvorming vanuit dit perspectief is niet zintuiglijk gemotiveerd maar veeleer subjectivistisch. In een eerste persoonsperspectief kan niets buiten zichzelf geplaatst worden. Leven en dood kunnen in een eerste persoonsperspectief geen projecties zijn maar gaan de vraagsteller naar leven en dood direct zelf aan. En als zodanig is het eerste waar de vraagsteller op stuit zijn eigen leven. Wie de vraag naar leven en dood stelt vanuit een eerste persoonsperspectief kan niet anders dan het leven als uitgangspunt nemen en de dood in vraag stellen. Aldus komt men vanuit dit perspectief en vanuit dit begrijpen veeleer tot de vraag ‘Is er dood na het leven?’

Keuze uit de Twee Vragen

Met de twee vragen ‘Is er leven na de dood?’ en ‘Is er dood na het leven?’ enigszins toegelicht als passende bij verschillende wijzen van begrip omtrent leven en dood komt de vraag op welke van deze twee vragen het meest passend is. Als antwoord op deze vraag moet op eerlijke wijze in ogenschouw genomen worden dat beide perspectieven hun nut en zin hebben, echter ieder op zijn eigen terrein. Het derde persoonsperspectief, zintuiglijke waarneming, empirisme, laat zich graag gelden als objectief. En terecht. Maar dit perspectief is niet alleen objectief maar ook objectivistisch, en dat wil zeggen; gericht op objecten. Waar het echte objecten betreft kan het derde persoonsperspectief dan ook prima toegepast worden. Echter leven en dood zijn geen objecten. Het leven is een beleving en een belevenis, en als zodanig is het iets dat de vraagsteller ernaar zelf aangaat. Het is passender dan om een vraag naar leven en dood te stellen vanuit een eerste persoonsperspectief en aldus de vraag te stellen: ‘Is er dood na het leven?’

De Subjectivistische Dood

Op basis van overwegingen over de twee vragen ‘Is er leven na de dood?’ en ‘Is er dood na het leven?’ werd besloten dat die tweede vraag de meer passende is omdat deze aansluit bij een vraagstelling vanuit een eerste persoonsperspectief, welk perspectief werd verkozen boven een derde persoonsperspectief waar het de vraag naar leven en dood betreft. Bij het tot stand komen van deze keuze werd het leven in ogenschouw genomen en als niet objectivistisch bepaald (en dus passende bij een eerste persoonsperspectief) maar werd de dood als zodanig niet betrokken. Dat ook de dood geen object is dat zintuiglijk waargenomen kan worden staat buiten discussie. Dat het leven primair subjectivistisch beleefd wordt is ook evident. Echter voor de dood is dit wellicht niet zo evident. Immers, zo is de algemene gedachte, niemand beleefde ooit zijn eigen dood. Beleefde hij zijn dood dan was wat hij beleefde geen dood, en was hij dood dan was het geen beleving. Echter dat het leven een beleving is en dat die beleving past in een subjectivistisch eerste persoonsperspectief wil niet zeggen dat alles wat subjectivistisch is ook direct een beleving is. Maar hoe ziet de dood er dan op subjectivistische wijze uit? Hoe valt deze te omschrijven?

Een antwoord op deze vraag is te vinden in de toepassing van een analogie op het leven. De analogie luidt dan: ‘het derde persoonsperspectief op het leven staat tot het eerste persoonsperspectief op het leven zoals het derde persoonsperspectief op de dood staat tot het eerste persoonsperspectief op de dood. De bekende gegevens zijn hier natuurlijk het derde persoonsperspectief op het leven, het eerste persoonsperspectief op het leven en het derde persoonsperspectief op de dood, waarbij het eerste persoonsperspectief op de dood de onbekende factor is. Deze bekende gegevens kwamen tot ons via zintuiglijke waarneming in het derde persoonsperspectief van het leven en de dood en via beleving in het eerste persoonsperspectief van het leven. Laten we via bovengenoemde analogie komen tot een beschouwing op een subjectivistisch begrip van de dood.

Het leven begrepen vanuit een derde persoonsperspectief betreft de waarneming van een ander of een pseudo-zelf (een projectie van zichzelf) die handelt en wandelt en zich beweegt. Zolang beweging waarneembaar is bij deze ander of dit pseudo-zelf ziet men hem in het leven staan. Het leven in het derde persoonsperspectief betreft de waarneming van beweging. In een eerste persoonsperspectief op het leven stopt de waarneming van beweging en wordt er zelf bewogen. De overgang van een derde persoonsperspectief naar een eerste persoonsperspectief wordt gekenmerkt door een overgang van waarnemen naar handelen. Waargenomen handelingen worden zelf uitgevoerde handelingen en waargenomen aanwezigheid wordt een zelf aanwezig zijn.

Hoe zit dat met de dood? De dood wordt in een derde persoonsperspectief beschouwd als de beëindiging van bovenstaande beweging en aanwezigheid. Eerst stopt de ander of het pseudo-zelf met bewegen en daarna verdwijnt zijn aanwezigheid. De dood dat is stilte en afwezigheid van een ander of van een pseudo-zelf. Maar kunnen wij ook zelf volledig stil en afwezig zijn? Dat dit mogelijk is weet een ieder die ooit droomloos geslapen heeft, en wie heeft dit niet? Het terugroepen van deze droomloze slaap echter betreft opnieuw een projectie vanuit een derde persoonsperspectief waarbij wij onszelf projecteren als een ander die wijzelf zijn en die zich ‘s nachts in een droomloze slaap bevond. Dit terugroepen van de droomloze slaap kan dan ook hooguit antwoord geven op de objectivistische vraag ‘Is er leven na de dood?’. En zelfs voor beantwoording van die objectivistische vraag zal het voorbeeld van de droomloze slaap twijfelachtig zijn omdat de objectivistische dood een niet terugkeren van beweging van hetzelfde lichaam veronderstelt. En subjectivistisch geeft het terughalen van onze droomloze slaap ook geen antwoord op de vraag ‘Is er dood na het leven?’ omdat dit terughalen dus een objectivistisch projecteren betreft. Die subjectivistische vraag kan eigenlijk enkel beantwoord worden op het moment dat wij zelf in de verstilling en afwezigheid komen. En dat hoeft niet noodzakelijk in de droomloze slaap te zijn.

Antwoord

Nu werd eerder gesteld dat de vraag ‘Is er dood na het leven?’ bij leven wordt gesteld. En dit roept de vraag op of het antwoord op die vraag niet ook bij leven wordt gegeven. Slokt de verstilling, de afwezigheid, niet ieder antwoord op in zijn leegte? Het antwoord op die vraag vinden we opnieuw in een analogie. En deze analogie stelt dat de vraag naar de dood zich verhoudt tot de dood zoals het antwoord daarop zich verhoudt tot het leven. De vraag ‘Is er dood na het leven?’ is weliswaar een vraag die bij leven wordt gesteld maar is tevens een vraag die dat leven verlaat en ons inleidt in de dood. De vraag ‘Is er dood na het leven?’, wanneer puur subjectivistisch gesteld, beweegt ons van leven naar dood, van activiteit naar verstilling. En volgens de gestelde analogie beweegt het antwoord daarop zich dan van verstilling naar activiteit, van de dood naar het leven. En als dit de beweging van het antwoord op de vraag ‘Is er dood na het leven?’ is, als het antwoord op die vraag ons van de dood naar het leven brengt, kan het antwoord dan anders klinken dan: ‘Er is leven na de dood!’? Hiermee is niet gezegd dat onvermijdelijk een antwoord moet komen, echter wel dat als er een antwoord komt dit antwoord conform de gestelde analogie als zodanig moet luiden.

Moge de vraag naar de dood ons dan aldus in diepe verstilling leiden.