ARVINDUS

Het Gospel van Sri Ramakrishna

11 Maart 1882

11 MAART 1882

Om ongeveer acht uur in de ochtend ging Sri Ramakrishna zoals gepland naar Balaram Bose’s huis in Calcutta. Het was de dag van de Dolayātrā. Ram, Manomohan, Rakhal,1 Nityagopal, en andere toegewijden waren bij hem. M. kwam ook, zoals geboden door de Meester.

De toegewijden en de Meester zongen en dansten in een staat van heilige hartstocht. Sommigen van hen waren in een extatische stemming.

Nityagopal’s borst gloeide van de opwelling van emotie, en Rakhal lag op de grond in extase. Hij leefde met zijn vader in Calcutta en bezocht nu en dan de Meester in Dakshineswar. Rond deze tijd had hij een korte tijd gestudeerd in Vidyāsāgar’s school in Śyāmpukur.

Toen de muziek voorbij was zaten de toegewijden neer voor hun maal. Balaram stond er nederig bij, als een dienaar. Niemand zou hem herkend hebben als meester van het huis. M. was nog steeds een vreemde voor de toegewijden, alleen Narendra ontmoet hebbend in Dakshineswar.

Een paar dagen later bezocht M. de Meester in Dakshineswar. Het was tussen vier en vijf uur in de namiddag. De Meester en hij zaten op de treden van de Ṥiva tempels. Kijkend naar de tempels van Rādhākāntha, aan de andere kant van de binnenplaats, raakte de Meester in een extatische stemming.

Sinds het vertrek van zijn neef Hriday uit de tempel had de Meester geleefd zonder een verzorger. Op basis van zijn frequente spirituele stemmingen kon hij nauwelijks voor zichzelf zorgen. Het gebrek aan een verzorger bezorgde hem een groot ongemak.

Sri Ramakrishna sprak tot Kāli, de Heilige Moeder van het Universum. Hij zei: “Moeder, iedereen zegt, ‘Mijn horloge alleen staat goed.’ De Christenen, de Brāhmos, de Hindoes, de Moslims, allen zeggen, ‘Mijn religie alleen is waar.’ Maar Moeder, het feit is dat niemands horloge goed staat. Wie kan U werkelijk begrijpen? Maar als een mens tot U bidt met een smachtend hart kan hij U bereiken, door Uw genade, via ieder pad. Moeder, toon me een keer hoe de Christenen tot U bidden in hun kerken. Maar Moeder, wat zullen mensen zeggen als ik naar binnen ga? Stel dat ze ophef maken! Stel dat ze me niet meer toestaan de Kāli tempel opnieuw binnen te gaan! Wel, toon me dan de Christelijke aanbidding vanaf de deur van de kerk.”

Een andere dag was de Meester gezeten op de smalle bank in zijn kamer, met zijn gewoonlijke stralende aanblik. M. arriveerde met Kalikrishna die niet wist waar zijn vriend M. hem naar toe bracht. Hem was enkel gezegd: “Als je een grogwinkel wilt zien kom dan met me mee. Je zult een enorme kruik met wijn daar zien.” M. relateerde dit aan Sri Ramakrishna, die erom lachte. De Meester zei: “De gelukzaligheid van aanbidding en communie met God is de ware wijn, de wijn van extatische liefde. Het doel van menselijk leven is God lief te hebben. Bhakti is het ene essentiële ding. God te kennen via jnāna en beredenering is extreem moeilijk.”

Toen zong de Meester:

Wie is er die kan begrijpen wat Moeder Kāli is?
Zelfs de zes darśanas zijn machteloos om Haar te onthullen. …

De Meester zei opnieuw: “Het ene doel van het leven is om liefde voor God te cultiveren, de liefde die de melkmeiden, de melkmannen en de koeherderjongens van Vrindāvan voelden voor Krishna. Wanneer Krishna weg ging naar Mathurā zwierven de koeherders rond, bitter huilend vanwege hun gescheidenheid van Hem.”

Dit zeggend zong de meester, met zijn ogen omhoog gericht:

Zojuist zag ik een jeugdige koeherder
Met een jong kalf in zijn armen;
Daar stond hij, met één hand vasthoudend
De tak van een jonge boom.
“Waar ben Je, Broeder Kānāi? schreide hij;
Maar “Kānāi” kon hij nauwelijks uiten;
“Kā” was het meeste wat hij kon zeggen.
Hij schreide, “Waar ben Je, Broeder?”
En zijn ogen waren gevuld met tranen.

Toen M. dit lied hoorde van de Meester, geladen met liefde, werden zijn ogen nat met tranen.

Noten
  1. Een geliefde discipel van de Meester, later bekend als Swami Brahmananda.