ARVINDUS

Het Gospel van Sri Ramakrishna

02 April 1882

02 APRIL 1882

Sri Ramakrishna zat in de ontvangkamer van Keshab Chandra Sen’s huis in Calcutta; het was vijf uur in de namiddag. Toen Keshab verteld werd over zijn aankomst kwam hij naar de ontvangkamer gekleed om weg te gaan, want hij stond op het punt om langs te gaan bij een zieke vriend. Nu annuleerde hij zijn plan. De Meester zei tegen hem: “Je hebt zoveel dingen om op toe te zien. Daarbij moet je een krant redigeren. Je hebt geen tijd om naar Dakshineswar te komen: dus ben ik gekomen om je te zien. Toen ik hoorde van je ziekte wijdde ik groene kokosnoot en suiker aan de Heilige Moeder voor je herstel. Ik zei tegen Haar, ‘Moeder, als er iets gebeurt met Keshab, met wie zal ik dan spreken in Calcutta?’”

Sri Ramakrishna sprak met Pratap en de andere Brāhmo toegewijden. M. zat nabij. Hem aanwijzend zei de Meester tegen Keshab: “Wil je hem asjeblief vragen waarom dat hij niet meer naar Dakshineswar komt? Hij vertelt me herhaaldelijk dat hij niet gehecht is aan zijn vrouw en kinderen.” M. had de Meester ongeveer een maand bezocht; zijn absentie gedurende een tijd in Dakshineswar bracht deze opmerking naar voren. Sri Ramakrishna had M. gevraagd hem te schrijven als zijn komst vertraagd werd.

Pundit Samadhyayi was aanwezig. De Brāhmo toegewijden introduceerde hem bij Sri Ramakrishna als een student, goed getraind in de Vedas en de andere geschriften. De Meester zei, “Ja, Ik kan binnenin hem kijken door zijn ogen, zoals je de objecten in een kamer kunt zien door de glazen deur.”

Trailokya zong. Plotseling stond de Meester op en ging in samādhi, de Moeder’s naam herhalend. Een beetje naar beneden komend in het gebied van zintuiglijk bewustzijn danste en zong hij:

Ik drink geen normale wijn, maar Wijn van Altijddurende Gelukzaligheid,
Wanneer ik mijn Moeder Kāli’s naam herhaal;
Het bedwelmt mijn denken zo dat mensen me voor dronken aanzien!
Eerst geeft mijn guru melasse voor het maken van de Wijn;
Mijn hunkering is het gist om het te transformeren.  
Kennis, de maker van de Wijn, bereidt het dan voor me;
En wanneer het klaar is neemt mijn denken het op uit de fles van de mantra,
De Moeder’s naam nemend om het zuiver te maken.
Drink van deze Wijn, zegt Rāmprasād,1 en de vier vruchten2 van het leven zijn van jou.

De Meester keek teder naar Keshab, alsof Keshab hem eigen was. Hij leek te vrezen dat Keshab tot iemand anders kon behoren, dat wil zeggen, dat hij een werelds persoon kon worden. Kijkend naar hem zong de Meester opnieuw:

We zijn bang om te spreken, en niettemin zijn we bang om stil te blijven;
Ons denken, O Rādhā, gelooft maar half dat we op het punt staan je te verliezen!
We vertellen je het geheim dat we kennen–
Het geheim waarmee wij zelf, en anderen met onze hulp,
Vele tijden van gevaar zijn doorgekomen;
Nu hangt het allemaal af van jou.

Het laatste deel van het lied citerend zei hij tegen Keshab: “Dat wil zeggen, verzaak alles en roep God aan. Hij alleen is reëel; all het andere is illusionair. Zonder de realisatie van God is alles zinloos. Dit is het grote geheim.”

De Meester zat opnieuw neer en begon met de toegewijden te converseren. Een tijdje luisterde hij naar een pianorecital, ervan genietend als een kind. Toen werd hij meegenomen naar de binnenvertrekken waar hem hapjes werden geserveerd en de dames hem begroetten.

Toen de Meester Keshab’s huis verliet vergezelden de Brāhmo toegewijden hem respectvol naar zijn rijtuig. 

Noten
  1. De auteur van het lied. Het is de gewoonte van schrijvers van devotionele liederen in India om hun namen te noemen aan het einde van hun liederen.
  2. Dharma, artha, kāma, en moksha.