ARVINDUS

Het Gospel van Sri Ramakrishna

09 April 1882

09 APRIL 1882

Sri Ramakrishna zat met zijn toegewijden in de ontvangkamer van Prankrishna Mukherji’s huis in Calcutta; het was tussen één en twee uur in de namiddag. Omdat kolonel Viswanath1 in die buurt woonde wilde de Meester hem bezoeken alvorens Keshab te gaan zien bij de Lily Cottage. Een aantal buren en andere vrienden van Prankrishna waren uitgenodigd om Sri Ramakrishna te ontmoeten. Ze waren allen gretig om zijn woorden te horen.

Meester: “God en Zijn glorie. Dit universum is Zijn glorie. Mensen zien Zijn glorie en vergeten alles. Ze zoeken God niet, wiens glorie deze wereld is. Allen zoeken om van ‘vrouwen en geld’ te genieten. Maar er zijn teveel ellende en zorgen daarin. Deze wereld is als de draaikolk van de Viśālākshi.2 Wanneer een boot erin terecht komt is er geen hoop op zijn redding. Opnieuw, de wereld is als een doornige struik: je hebt je nauwelijks bevrijd van de ene set doorns voordat je jezelf verwikkeld vindt in een andere. Wanneer je eenmaal een labyrint ingaat zul je het erg moeilijk vinden om eruit te komen. Levend in de wereld raakt een mens opgehitst, als het ware.”

Een toegewijde: “Wat is dan de weg, mijnheer?”

Meester: “Gebed en het gezelschap van heilige mensen. Je kunt een ziekte niet kwijtraken zonder de hulp van een dokter. Maar het is niet genoeg om in het gezelschap te zijn van religieuze mensen enkel voor een dag. Je moet het constant zoeken, want de ziekte is chronisch geworden. Opnieuw, je kunt de polsslag niet juist begrijpen tenzij je leeft met een dokter. Constant met hem meegaand leer je te onderscheiden tussen de polsslag van slijm en de polsslag van gal.”

Toegewijde: “Wat is het nut van heilig gezelschap?”

Meester: “Het geeft smachten naar God. Het geeft liefde voor God. Helemaal niets wordt bereikt in het spirituele leven zonder smacht. Door constant in het gezelschap te leven van heilige mensen wordt de ziel rusteloos voor God. Dit smachten is als de toestand van een mens die een zieke in de familie heeft. Zijn denken is in een staat van onophoudelijke rusteloosheid, denkend hoe de zieke persoon kan genezen. Of opnieuw, je moet een smachting naar God voelen zoals het smachten van een mens die zijn baan is verloren en van het ene kantoor naar het andere dwaalt op zoek naar werk. Als hij wordt afgewezen bij een zekere plek die geen vacature heeft gaat hij opnieuw de volgende dag en informeert, ‘Is er enige vacature vandaag?’

“Er is een andere weg: serieus bidden tot God. God is ons geheel eigen. We moeten tegen Hem zeggen: ‘O God, wat is Uw natuur? Onthul Uzelf aan mij. U moet Zichzelf aan mij laten zien; want waarom heeft U mij anders geschapen?’ Een Śikh toegewijde zei eens tegen me, ‘God is vol van compassie.’ Ik zei: ‘Maar waarom moeten we Hem compassioneel noemen? Hij is onze Schepper. Wat valt er te verwonderen als Hij vriendelijk voor ons is? Ouders voeden hun kinderen op. Noem je dat een daad van vriendelijkheid? Ze moeten op die manier handelen.’ Daarom moeten we onze eisen aan God opdringen. Hij is onze Vader en Moeder, nietwaar? Als de zoon zijn patrimonium eist en voedsel en drinken opgeeft om zijn eis af te dwingen dan overhandigen de ouders zijn deel aan hem drie jaar voor de wettelijke tijd. Of wanneer het kind een kwartje3 van zijn moeder eist, en telkens opnieuw zegt: ‘Moeder, geef me een paar kwartjes. Ik smeek je op mijn knieën!’ – dan werpt de moeder, zijn ernst ziend en niet meer in staat het te verdragen, het geld naar hem.

“Er is een ander profijt van heilig gezelschap. Het helpt je om onderscheidingsvermogen te cultiveren tussen het Ware en het onware. God alleen is het Ware, dat wil zeggen, de Eeuwige Substantie, en de wereld is onwaar, dat wil zeggen, vergankelijk. Zo gauw een mens zijn gedachten weg ziet dwalen naar het onware moet hij onderscheidingsvermogen toepassen. Het moment dat een olifant zijn slurf uitstrekt om een bananenboom te eten in de tuin van een buur krijgt hij een klap van de ijzeren prikstok van de berijder.”

Een buur: “Waarom heeft een mens zondige neigingen?”

Meester: “In Gods schepping zijn er allerlei dingen. Hij heeft zowel slechte als goede mensen geschapen. Hij is het die ons goede neigingen geeft en het is Hij opnieuw die ons kwade neigingen geeft.”

Buur: “In dat geval zijn we niet verantwoordelijk voor onze zondige acties, of wel?”

Meester: “Zonde verkrijgt zijn eigen resultaat. Dit is God’s wet. Brand je je tong niet wanneer je een chili kauwt? In zijn jeugd leidde Mathur4 nogal een snel leven; dus lijdde hij aan diverse ziekten voor zijn dood.

”Men kan dit wellicht niet realiseren in de jeugd. Ik heb gekeken in de haard in de keuken van de Kāli tempel wanneer blokken verbrand worden. In het begin brandt het nat hout redelijk goed. Het ziet er dan niet naar uit dat het veel vocht bevat. Maar wanneer het hout voldoende verbrand is loopt al het vocht terug naar één kant. Uiteindelijk spuit water vanaf de brandstof en dooft het vuur.

“Dus men moet voorzichtig zijn met kwaadheid, passie en hebzucht. Neem, bijvoorbeeld, het geval van Hanumān. In een vlaag van kwaadheid verbrandde hij Ceylon. Uiteindelijk herinnerde hij dat Sītā in het aśoka bos leefde. Toen begon hij te beven opdat het vuur haar zou verwonden.”

Buur: “Waarom heeft God kwaadaardige mensen geschapen?”

Meester: “Dat is Zijn wil, Zijn spel. In Zijn māyā bestaat er avidyā zowel als vidyā. Duisternis is ook nodig. Het onthult des te meer de glorie van licht. Er is geen twijfel dat kwaadheid, lust en hebzucht kwaden zijn. Waarom dan heeft God ze geschapen? Om heiligen te scheppen. Een mens wordt een heilige door zijn zintuigen te overwinnen. Is er iets onmogelijk voor een mens die zijn passies heeft onderworpen? Hij kan zelfs God realiseren, via Zijn genade. Opnieuw, kijk hoe Zijn hele spel van de schepping wordt voortgezet door lust.

“Kwaadaardige mensen zijn ook nodig. Op een gegeven moment werden de huurders van een landgoed onhandelbaar. De landheer had Golak Choudhurry gestuurd, die een bruut was. Hij was zulk een hardvochtige uitvoerder dat de huurders beefden alleen al bij het noemen van zijn naam.

“Alles is nodig. Eens zei Sītā tegen haar Echtgenoot: ‘Rāma, het zou groots zijn als ieder huis in Ayodhyā een herenhuis was! Ik vind veel huizen oud en vervallen.’ ‘Maar mijn liefste,’ zei Rāma, ‘als alle huizen mooi zouden zijn, wat zouden dan de metselaars dan doen?’ (Gelach). God heeft allerlei dingen geschapen. Hij heeft goede bomen geschapen en giftige planten, en ook kruiden. Onder de dieren zijn er goede, slechte en alle soorten schepselen – tijgers, leeuwen, slangen, enzovoort.”

Buur: “Mijnheer, is het ooit mogelijk om God te realiseren, het leven van een huishouder levend?”

Meester: “Zeker. Maar zoals ik zojuist zei, men moet leven in heilig gezelschap en onophoudelijk bidden. Men moet huilen om God. Wanneer de onzuiverheden van het denken aldus worden weggewassen realiseert men God. Het denken is als een naald bedekt met modder en God is als een magneet. De naald kan niet verenigd worden met de magneet tenzij hij vrij is van modder. Tranen wassen de modder weg, welk niets anders is dan lust, kwaadheid, hebzucht en andere kwade neigingen, en de neiging naar werelds plezier evenwel. Zo gauw de modder is weggewassen trekt de magneet de naald aan, dat wil zeggen, realiseert de mens God. Alleen de zuiveren van hart zien God. Een koortspatiënt had een overdaad aan het waterelement in zijn systeem. Wat kan kinine voor hem doen tenzij dat wordt verwijderd?

“Waarom zou men God niet realiseren wijl levend in de wereld? Maar, zoals ik zei, men moet leven in heilig gezelschap, tot God bidden, om zijn genade huilen, en nu en dan in eenzaamheid gaan. Tenzij de planten op een voetpad in het begin worden beschermd door hekken worden ze vernietigd door vee.”

Buur: “Dan zullen huishouders ook het visioen van God hebben, nietwaar?”

Meester: “Iedereen zal zeker bevrijd worden. Maar men moet de instructies van de guru volgen; als men een afwijkend pad volgt zal men alleen maar lijden in het trachten de stappen te hervinden. Het duurt lang om bevrijding te bereiken. Een mens kan falen om het in zijn leven te verkrijgen. Misschien zal hij enkel God realiseren na vele geboorten. Wijzen zoals Janaka voerden wereldlijke taken uit. Zij voerden ze uit, God in hun denken dragend, als een dansmeisjes danst, kruiken of schalen op haar hoofd houdend. Heb je nooit gezien hoe de vrouwen in Noordwest India lopen, praten en lachen terwijl ze waterkruiken op hun hoofden dragen?”

Buur: “Je refereerde zojuist aan de instructies van de guru. Hoe zullen we hem vinden?”

Meester: “Niet iedereen kan een guru zijn. Een enorme balk drijft op het water en kan ook dieren dragen. Maar een stuk waardeloos hout zinkt als een mens erop zit en verdrinkt hem. Daarom incarneert God in ieder tijdperk Zelf als de guru, om de mensheid te onderwijzen. Satchidānanda alleen is de guru.

“Wat is kennis? En wat is de aard van dit ego? ‘God alleen is de Doener en niemand anders’ – dat is kennis. Ik ben niet de doener; ik ben enkel een instrument in Zijn handen. Daarom zeg ik: ‘O Moeder, U bent de Bedienaar en ik ben de machine. U bent de Inwoner en ik ben het huis. U bent de Bestuurder en ik ben het rijtuig. Ik beweeg zoals U mij beweegt. Ik doe zoals U me doet doen. Ik spreek zoals U me doet spreken. Niet ik, niet ik, maar U, maar U.’”

Van Prankrishna’s huis ging de Meester naar dat van kolonel Viswanath en van daar naar de Lily Cottage.

Noten
  1. De resident van de Nepalese overheid in Calcutta, en een toegewijde van de Meester.
  2. Een stroom nabij Sri Ramakrishna’s geboorteplaats.
  3. ‘Kwartje’ is een vrije vertaling van het Engelse ‘pice’. Een paisā betreft een kwart van een ānā,
  4. De schoonzoon van Rāni Rasmani, en een groot toegewijde van Sri Ramakrishna, die hij voorzag van alle levensbenodigdheden in de tempeltuin.