ARVINDUS

Het Gospel van Sri Ramakrishna

05 Augustus 1882

05 AUGUSTUS 1882

Pundit Iswar Chandra Vidyāsāgar werd geboren in het drop van Beersingh, niet ver van Kāmārpukur, Sri Ramakrishna’s geboorteplaats. Hij was bekend als een groots geleerde, onderwijzer, schrijver en filantroop. Als één van de scheppers van het moderne Bengali was hij ook goed getraind in Sanskriet grammatica en poëzie. Zijn vrijgevigheid maakte zijn naam een huishoudelijk woord bij zijn landgenoten, het meeste van zijn inkomen gevend aan liefdadigheid aan weduwen, wezen, behoeftige studenten en andere noodlijdende mensen. Evenmin was zijn compassie beperkt tot mensen: hij stopte met melk drinken van melk voor jaren zodat de kalveren er niet van verstoken zouden blijven, en hij reed niet in een rijtuig uit angst om ongemak aan de paarden te veroorzaken. Hij was een man met een onverzettelijke geest, wat hij toonde toen hij de lucratieve positie van directeur van het Sanskriet College van Calcutta opgaf vanwege een onenigheid met de autoriteiten. Zijn affectie voor zijn moeder was vooral diep. Op een dag, in absentie van een veerboot, zwom hij een razende rivier over op risico van zijn leven om haar wens te vervullen dat hij aanwezig zou zijn bij zijn broers bruiloft. Zijn hele leven was er een van volstrekte eenvoud. De titel Vidyāsāgar, betekenend “Oceaan van Kennis”, was aan hem gegeven in erkenning van zijn immense eruditie.

Sri Ramakrishna had lang gewenst Iswar Chandra Vidyāsāgar te ontmoeten. Vernemend van M. dat hij een leraar was op Vidyāsāgar’s school vroeg de Meester: “Kun je me naar Vidyāsāgar brengen? Ik zou hem heel graag willen zien.” M. vertelde Iswar Chandra over Sri Ramakrishna’s wens, en de pundit ging graag akkoord dat M. de Meester zou brengen, op een zaterdag in de namiddag om vier uur. Hij vroeg M. alleen wat voor soort paramahamsa de Meester was, zeggend, “Draagt hij een oker kleed?” M. antwoordde: “Nee mijnheer. Hij is een ongewoonlijk persoon. Hij draagt een roodgerand kleed en gepolijste slippers. Hij leeft in een kamer in Rāni Rasmani’s tempeltuin. In zijn kamer is er een bank met een matras en muggennet. Hij heeft geen uiterlijke indicaties van heiligheid. Maar hij kent niets dan God. Dag en nacht denkt hij alleen aan God.”

Op de namiddag van 5 augustus verliet de Meester Dakshineswar in een huurrijtuig, vergezeld door Bhavanath, M., en Hazra. Vidyāsāgar leefde in Bādurbāgan, in centraal Calcutta, ongeveer zes mijlen van Dakshineswar. Op weg praatte Sri Ramakrishna met zijn metgezellen; maar toen het rijtuig Vidyāsāgar naderde veranderde plotseling zijn stemming. Hij was overrompeld met heilige extase. Dit niet opmerkend wees M. het tuinhuis aan waar Rājā Rammohan Roy had geleefd. De Meester was geërgerd en zei, “ik geef nu niet om dat soort dingen.” Hij ging in een extatische toestand.

Het rijtuig stopte voor Vidyāsāgar’s huis. De Meester stapte uit, ondersteund door M., die daarna de weg leidde. Op de binnenplaats waren veel bloeiende planten. Terwijl de Meester naar het huis liep zei hij tegen M., als een kind, wijzend naar zijn shirtknoop: “Mijn shirt is losgeknoopt. Zal dat Vidyāsāgar beledigen?” “Oh nee!” zei M. “Wees er niet over bezorgd. Niets aan u zal beledigend zijn. U hoeft uw shirt niet dicht te knopen.” Hij accepteerde de verzekering eenvoudig, als een kind.

Vidyāsāgar was ongeveer tweeënzestig jaar oud, zestien of zeventien jaar ouder dan de Meester. Hij leefde in een huis met twee verdiepingen gebouwd op de Engelse manier, met gazonnen aan alle zijden en omgeven door een hoge muur. Na de trappen naar de eerste verdieping beklommen te hebben gingen Sri Ramakrishna en zijn toegewijden een kamer binnen waar aan het uiterste einde Vidyāsāgar, hen toegewend, was gezeten met een tafel voor hem. Rechts van de tafel was een bank. Enkele vrienden van hun gastheer bezetten stoelen aan de andere twee zijden.

Vidyāsāgar stond op om de Meester te ontvangen. Sri Ramakrishna stond voor de bank, met één hand rustend op de tafel. Hij tuurde naar Vidyāsāgar, alsof ze elkaar kenden, en glimlachte in een extatische stemming. In die stemming bleef hij een paar minuten staan. Nu en dan, om zijn denken terug te brengen naar normaal bewustzijn, zei hij, “ik zal wat water drinken.”

In de tussentijd hadden de jonge leden van het huishouden en een paar vrienden en bekenden van Vidyāsāgar zich rondom verzameld. Sri Ramakrishna, nog steeds in een extatische stemming, zat op de bank. Een jongeman, zeventien of achttien jaar oud, die naar Vidyāsāgar was gekomen om financiële hulp te zoeken voor zijn scholing, was daar gezeten. De Meester zat neer op een kleine afstand van de jongen, zeggend in een abstracte stemming: “Moeder, deze jongen is heel erg gehecht aan de wereld. Hij behoort tot Uw domein van onwetendheid.”

Vidyāsāgar vertelde iemand water te brengen en vroeg M. of de Meester ook wat snoepgoed zou willen. Aangezien M. niet tegensprak ging Vidyāsāgar zelf gretig naar de binnenkamers en bracht de snoepjes. Ze werden voor de Meester geplaatst. Bhavanath en Hazra ontvingen ook hun deel. Toen ze aangeboden werden aan M. zei Vidyāsāgar: “Oh, hij is als iemand van de familie. We hoeven ons geen zorgen om hem te maken.” Refererend aan een jonge toegewijde zei de Meester tot Vidyāsāgar: “Hij is een fijne jongeman en is deugdelijk in de kern. Hij is als de rivier Phalgu. Het oppervlak is bedekt met zand; maar als je een beetje graaft zul je daaronder stromend water vinden.”

Na enkele van de snoepjes genomen te hebben begon de Meester, met een glimlach, te spreken tot Vidyāsāgar. Intussen was de kamer vol geraakt met mensen; sommigen stonden en anderen waren gezeten.

Meester: “Ah! Vandaag, eindelijk, ben ik naar de oceaan gekomen. Tot nu toe heb ik alleen kanalen, moerassen, of op zijn best een rivier gezien. Maar vandaag ben ik oog in oog met de sāgar, de oceaan.” (Allen lachen).

Vidyāsāgar (glimlachend): “Neem dan asjeblief wat zout water mee naar huis.” (Gelach).

Meester: “Oh nee! Waarom zout water? Jij bent niet de oceaan van onwetendheid. Jij bent de oceaan van vidyā, kennis. Jij bent de oceaan van gecondenseerde melk.” (Allen lachen).

Vidyāsāgar: “Wel, je zou het zo kunnen zeggen.”

De pundit werd stil. Sri Ramakrishna zei: “Je activiteiten zijn geïnspireerd door sattva. Hoewel ze rājasic zijn, zijn ze beïnvloed door sattva. Compassie ontspringt aan sattva. Hoewel werk voor het welzijn van anderen tot rajas behoort, echter deze rajas heeft sattva als zijn basis en is niet schadelijk. Śuka en andere wijzen koesterden compassie in hun denken om mensen religieuze instructies te geven, om hen te leren over God. Jij distribueert voedsel en kennis. Dat is ook goed. Wanneer deze activiteiten gedaan worden met onzelfzuchtige geest leiden ze naar God. Maar de meeste mensen werken voor roem of om voordeel te verkrijgen. Hun activiteiten zijn niet onzelfzuchtig. Bovendien ben je alreeds een siddha.”1

Vidyāsāgar: “Hoe is dat bedoeld, mijnheer?”

Meester (lachend): “Wanneer aardappelen en andere groenten goed gekookt zijn worden ze zacht en mals. En jij hebt zulk een zachte aard! Jij bent zo compassioneel!” (Gelach).

Vidyāsāgar (lachend): “Maar wanneer de pasta van kalāi peulen wordt gekookt wordt het des te harder.”

Meester: “Maar jij behoort niet tot die klasse. Enkel pundits zijn als ziek fruit dat hard wordt en helemaal niet zal rijpen. Zulk fruit heeft noch de versheid van groen fruit noch de smaak van rijp. Gieren vliegen heel hoog in de lucht, maar hun ogen zijn gevestigd op rottend aas op de grond. De boekgeleerden hebben de reputatie wijs te zijn, maar ze zijn gehecht aan ‘vrouwen en goud’. Zoals de gieren zijn ze op zoek naar aas. Ze zijn gehecht aan de wereld van onwetendheid. Compassie, liefde voor God, en onthechting zijn de glories van echte kennis.”

Vidyāsāgar luisterde naar deze woorden in stilte. De anderen, evengoed, staarden naar de Meester en namen acht op elk woord dat hij sprak.

Vidyāsāgar was heel terughoudend in het geven van religieuze instructies aan anderen. Hij had Hindoefilosofie gestudeerd. Eens, toen M. zijn mening erover had gevraagd, had Vidyāsāgar gezegd, “Ik denk dat de filosofen hebben gefaald om uit te leggen waar ze aan dachten.” Maar in zijn dagelijkse leven volgde hij alle rituelen van de Hindoereligie en droeg de heilige draad van een brāhmin. Over God had hij ooit verklaard: “Het is inderdaad onmogelijk om Hem te kennen. Wat moet dan onze plicht zijn? Het schijnt mij toe dat we moeten leven op zulk een manier dat, als anderen ons voorbeeld volgden, deze aarde de hemel zou zijn. Iedereen moet proberen goed te doen aan de wereld.”

Sri Ramkrishna’s gesprek richtte zich nu naar de Kennis van Brahman.

Meester: “Brahman is voorbij vidyā en avidyā, kennis en onwetendheid. Het is voorbij māyā, de illusie van dualiteit.

“De wereld bestaat uit de illusionaire dualiteit van kennis en onwetendheid. Hij bevat kennis en devotie, en ook gehechtheid aan ‘vrouwen en goud’; rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid; goed en kwaad. Maar Brahman is ongehecht aan deze. Goed en kwaad hebben betrekking op de jīva, de individuele ziel, zoals rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid; maar Brahman is helemaal niet aangedaan door deze.

“De ene mens kan de Bhāgavata lezen bij het licht van een lamp en een andere kan een vervalsing maken bij exact datzelfde licht; maar de lamp is onaangedaan. De zon schijnt zijn licht op de slechten zowel als de deugdzamen.

“Je kunt vragen, ‘Hoe kan men ellende en zonde en ongelukkigheid verklaren?’ Het antwoord is dat deze enkel betrekking hebben op de jīva. Brahman is onaangedaan door deze. Er is gif in een slang; maar hoewel anderen kunnen sterven wanneer erdoor gebeten is de slang zelf niet aangedaan door het gif.

“Wat Brahman is kan niet beschreven worden. Alle dingen in de wereld – de Vedas, de Purānas, de Tantras, de zes systemen van filosofie – zijn ontheiligd, zoals voedsel dat is aangeraakt door de tong, want ze zijn gelezen of uitgesproken door de tong. Alleen één ding is niet ontheiligd op die manier en dat is Brahman. Niemand is ooit in staat geweest om te zeggen wat Brahman is.”

Vidyāsāgar (aan zijn vrienden): “Oh! Dat is een opmerkelijke uiteenzetting. Ik heb iets nieuws geleerd vandaag.”

Meester: “Een man had twee zonen. De vader stuurde hen naar een leermeester om de Kennis van Brahman te leren. Na een paar jaar keerden ze terug van hun leermeesters huis en bogen laag voor hun vader. De diepte van hun kennis over Brahman willend te meten bevroeg hij eerst de oudste van de twee jongens. ‘Mijn kind,’ zei hij, ‘je hebt alle geschriften bestudeerd. Vertel me nu, wat is de aard van Brahman?’ De jongen begon Brahman uit te leggen door diverse teksten van de Veda’s te reciteren. De vader zei niets. Toen vroeg hij de jongere zoon de zelfde vraag. Maar de jongen bleef stil en stond met zijn ogen naar beneden gericht. Geen woord ontsnapte van zijn lippen. De vader was behaagd en zei tegen hem: ‘Mijn kind, jij hebt een beetje van Brahman begrepen. Wat Het is kan niet uitgedrukt worden in woorden.’

“Mensen denken vaak dat ze Brahman volledig begrepen hebben. Eens ging een mier naar een heuvel van suiker. Eén korrel vulde zijn maag. Een andere korrel in zijn mond nemend ging hij op weg naar huis. Op zijn weg dacht hij, ‘Volgende keer zal ik de hele heuvel naar huis dragen.’ Dat is de manier waarop oppervlakkige denkers denken. Ze weten niet dat Brahman voorbij iemands woorden gedachten zijn. Hoe groots een mens ook kan zijn, hoeveel kan hij weten over Brahman? Śukadeva en wijzen zoals hij kunnen grote mieren zijn geweest; maar zelfs zij konden hoogstens acht of tien korrels suiker dragen!

“Wat betreft wat in de Veda’s en de Purāna’s werd gezegd, weet je hoe het is? Stel dat een mens de oceaan heeft gezien, en iemand vraagt hem, ‘Wel, hoe is de oceaan?’ De eerste mens opent zijn mond zo ver als hij kan en zegt: ‘Wat een zicht! Wat een geweldige golven en geluiden!’ De beschrijving van Brahman in de heilige boeken is zoals dat. Het wordt gezegd in de Veda’s dat Brahman de aard heeft van Gelukzaligheid – Het is Satchidānanda.

“Śuka en andere wijzen stonden aan de kust van deze Oceaan van Brahman en zagen en beroerden het water. Volgens één school van denken sprongen ze er nooit in. Zij die dit doen kunnen niet opnieuw terug komen naar de wereld.

“In samādhi bereikt men de Kennis van Brahman – men realiseert Brahman. In die toestand stopt het redeneren volledig, en de mens wordt stil. Hij heeft geen kracht om de aard van Brahman te beschrijven.

“Eens ging een zoutpop de diepte van de oceaan meten. (Allen lachen). Hij wilde de anderen vertellen hoe diep het water was. Maar dit kon hij nooit doen, want niet eerder ging hij in het water of hij smolt. Wie was er nu om de diepte van de oceaan te rapporteren?”

Een toegewijde: “Stel dat een mens de Kennis van Brahman heeft verkregen in samādhi. Spreekt hij niet meer?”

Meester: “Śankarācharya2 behield het ‘ego van Kennis’ om anderen te onderwijzen. Na het visioen van Brahman wordt een mens stil. Hij redeneert Er over zolang als hij Het niet heeft gerealiseerd. Wanneer je boter verhit in een pan op het fornuis maakt het een sissend geluid zolang als het water dat het bevat niet is opgedroogd. Maar wanneer geen spoor van water over is maakt de geklaarde boter geen geluid. Als je een ongekookte koek van bloem in die boter doet sist het opnieuw. Maar nadat de koek gekookt is stopt al het geluid. Evenzo, een mens gevestigd in samādhi komt naar beneden naar het relatieve gebied van bewustzijn om anderen te onderwijzen, en dan praat hij over God.

“De bij zoemt zolang als hij niet op een bloem zit. Hij wordt stil wanneer hij aan de honing begint te nippen. Maar soms, bedwelmd door de honing, zoemt hij opnieuw.

“Een lege kruik maakt een murmelend geluid wanneer hij in water wordt gedoopt. Wanneer hij vol raakt wordt hij stil. (Allen lachen). Maar als het water geschonken wordt in een andere kruik dan hoor je het geluid weer. (Gelach).

“De rishis van weleer bereikten de Kennis van Brahman. Men kan dit niet hebben zolang als er ook maar het kleinste spoor van wereldlijkheid is. Hoe hard de rishis hebben gearbeid! Vroeg in de morgen gingen ze weg van de hermitage en spendeerden de hele dag in eenzaamheid, mediterend op Brahman. ’s Nachts kwamen ze terug bij de hermitage en aten een beetje fruit of wortels. Ze hielden hun denken afzijdig van de objecten van zicht, gehoor, tast en andere dingen van een wereldlijke aard. Alleen zo realiseerden zij Brahman als hun eigen innerlijke bewustzijn.

Maar in de Kaliyuga kan de mens, zijnde volledig afhankelijk van voedsel om te leven, niet volledig het idee afschudden dat hij het lichaam is. In deze staat van zijn is het niet gepast voor hem om te zeggen, ‘Ik ben Hem.’ Wanneer een mens allerlei wereldlijke dingen doet moet hij niet zeggen, ‘Ik ben Brahman.’ Zij die gehechtheid aan wereldlijke dingen niet kunnen opgeven, en die geen manieren vinden om het gevoel van ‘ik’ af te schudden, moeten eerder het idee koesteren, ‘Ik ben Gods dienaar; ik ben Zijn toegewijde.’ Men kan God ook realiseren door het pad van devotie te volgen.

“De jnāni geeft zijn identificatie met wereldlijke dingen op, onderscheidend, ‘Niet dit, niet dit’. Alleen dan kan hij Brahman realiseren. Het is als het dak van een huis te bereiken door de treden achter te laten, één voor één. Maar de vijnāni die meer intiem bekend is met Brahman realiseert iets meer. Hij realiseert dat de treden gemaakt zijn van hetzelfde materiaal als het dak: stenen, kalk en steengruis. Dat wat intuïtief gerealiseerd wordt als Brahman, door het eliminerende proces van ‘Niet dit, niet dit’, wordt dan bevonden als het geworden universum en al zijn levende wezens. De vijnāni ziet dat de Realiteit die nirguna is, zonder eigenschappen, ook saguna is, met eigenschappen.

“Een mens kan niet lang op het dak leven. Hij komt opnieuw naar beneden. Zij die Brahman realiseren in samādhi komen ook naar beneden en zien dat het Brahman is die het universum en zijn levende wezens is geworden. In de muziekladder zijn er de noten sā, re, gā, mā, pā, dhā en ni; maar je kunt je stem niet voor een lange tijd op ‘ni’ houden. Het ego verdwijnt niet volledig. De mens die terug naar beneden komt uit samādhi neemt waar dat het Brahman is die het ego, het universum en alle levende wezens is geworden. Dit wordt gekend als vijnāna.

“Het pad van kennis leidt naar Waarheid, zoals het pad dat kennis en liefde combineert. Het pad van liefde leidt ook naar dit doel. De weg van liefde is even waarachtig als de weg van kennis. Alle paden leiden uiteindelijk naar dezelfde Waarheid. Maar zolang als God het gevoel van ego in ons houdt is het het gemakkelijkst om het pad van liefde te volgen.

“De vijnāni ziet dat Brahman onbeweeglijk en dadeloos is, zoals de berg Sumeru. Dit universum bestaat uit de drie guna’s – sattva, rajas en tamas. Zij zijn in Brahman. Maar Brahman is onaangedaan.

“De vijnāni ziet verder dat wat Brahman is, Bhagavān is, de Persoonlijke God. Hij die voorbij de drie guna’s is, is de Bhagavān, met Zijn zes bovennatuurlijke krachten. Levende wezens, het universum, denken, intelligentie, liefde, onthechting, kennis – al deze zijn de manifestaties van Zijn kracht. (Met een lach) Als een aristocraat noch huis noch bezit heeft, of als hij gedwongen is deze te verkopen, noemt men hem geen aristocraat meer. (Allen lachen). God is begiftigd met de zes bovennatuurlijke krachten. Was Hij dit niet, wie zou Hem dan gehoorzamen? (Allen lachen).

“Kijk eens hoe pittoresk dit universum is! Hoeveel dingen er zijn! De zon, maan en sterren; en hoeveel variëteiten van levende wezens! – grote en kleine, goede en slechte, sterke en zwakke – sommige begiftigd met meer kracht, andere met minder.”

Vidyāsāgar: “Heeft Hij sommige met meer kracht begiftigd en andere met minder?”

Meester: “Als de Allesdoordringende Geest bestaat Hij in alle wezens, zelfs in de mier. Maar de manifestaties van Zijn Kracht zijn verschillend in verschillende wezens; hoe kan anders de ene persoon er tien laten vluchten terwijl de andere er niet eens één kan nemen? En waarom respecteren alle mensen jou? Heb je een paar hoorns gegroeid? (Gelach). Jij hebt meer compassie en geleerdheid. Daarom eren mensen jou en komen ze om hun respect aan jou te uiten. Ben je het niet met me eens?

Vidyāsāgar glimlachte.

De Meester vervolgde: “Er zit niets in enkel geleerdheid. Het doel van studie is manieren te vinden om God te kennen en Hem te realiseren. Een heilige man had een boek. Toen gevraagd wat het bevatte opende hij het en toonde dat op alle pagina’s de woorden ‘Om Rāma’ waren geschreven, en anders niets.

“Wat is het belang van de Gītā? Het is wat je vindt door het woord tien keer te herhalen. Het wordt dan omgekeerd in ‘tāgi’, wat een persoon betekent die alles voor God heeft opgegeven. En de les van de Gītā is: ‘O mens, geef alles op en zoek alleen God.’ Of een man een monnik is of een huishouder, hij moet alle gehechtheid van zijn denken afschudden.

“Chaitanyadeva ging op weg op een pelgrimage naar Zuidelijk India. Op een dag zag hij een man de Gītā lezen. Een andere man, gezeten op een afstand, luisterde en huilde. Zijn ogen zwommen in tranen. Chatanyadeva vroeg hem, ‘Begrijp je dit allemaal?’ De man zei, ‘Nee, geachte mijnheer, ik versta geen woord van de tekst. ‘Waarom huil je dan?’ vroeg Chaitanya. De toegewijde zei: ‘Ik zie Arjuna’s strijdwagen voor me. Ik zie Heer Krishna en Arjuna ervoor gezeten, pratend. Ik zie dit en ik huil.’

“Waarom behoudt een vijnāni een houding van liefde naar God? Het antwoord is dat ‘ik-bewustzijn’ voortduurt. Het verdwijnt in de toestand van samādhi, geen twijfel, maar het komt terug. In het geval van gewone mensen verdwijnt de ‘ik’ nooit. Je kunt een aśwattha boom neerhakken, maar de volgende dag spruit hij uit. (Allen lachen).

“Zelfs na het bereiken van Kennis komt dit ‘ik-bewustzijn’ op, niemand weet van waar. Je droomt van een tijger. Dan word je wakker; maar je hart gaat door met bonzen! Al ons lijden is vanwege dit ‘ik’. De koe roept ‘Hāmbā!’, wat ‘ik’ betekent. Daarom lijdt zij zoveel. Ze wordt gejukt aan de ploeg en gedwongen te werken in regen en zon. Daarna kan ze gedood worden door de slager. Van haar huid worden schoenen gemaakt, en ook trommels, die genadeloos geslagen worden. (Gelach). Nog steeds ontsnapt ze het lijden niet. Uiteindelijk worden draden gemaakt van haar ingewanden voor de bogen gebruikt bij het kaarden van katoen. Dan zegt het niet langer, ‘Hāmbā! Hāmbā!, ‘Ik! Ik!’, maar ‘Tuhu! Tuhu!’, ‘U! U!’ Alleen dan zijn haar problemen voorbij. O Heer, ik ben de dienaar; U bent de Meester. Ik ben het kind; U bent de Moeder.

“Eens vroeg Rāma aan Hanumān, ‘Hoe kijk je naar Mij?’ En Hanumān antwoordde: ‘O Rāma, zolang ik het gevoel heb van “ik”, zie ik dat U het geheel bent en ik een deel; U bent de Meester en ik ben Uw dienaar. Maar wanneer, O Rāma, ik de kennis van de Waarheid heb, dan realiseer ik dat U ik bent, en ik ben U.’

“De relatie van meester en dienaar is de juiste. Laat, aangezien dit ‘ik’ moet blijven, de deugniet Gods dienaar zijn.

“’Ik’ en ‘mijn’ – deze constitueren onwetendheid. ‘Mijn huis’, ‘mijn rijkdom’, ‘mijn geleerdheid’, ‘mijn bezittingen’ – de houding die iemand beweegt zulke dingen te zeggen komt uit onwetendheid. Daarentegen, de houding geboren uit Kennis is: ‘O God, U bent de Meester, en al deze dingen behoren toe aan U. Huis, familie, kinderen, dienaren, vrienden zijn van U.’

“Men moet constant de dood herinneren. Niets zal de dood overleven. We worden geboren in deze wereld om zekere taken uit te voeren, zoals de mensen die van het platteland naar Calcutta komen voor zaken. Als een bezoeker naar de tuin van een rijke man gaat zegt de toezichthouder, ‘Dit is onze tuin’, ‘Dit is ons meer’, enzovoort. Maar als de toezichthouder ontslagen is vanwege een wandaad kan hij niet eens zijn mangohouten kist meenemen. Hij stuurt hem heimelijk voorbij de poortwachter. (Gelach).

“God lacht op twee gelegenheden. Hij lacht wanneer de dokter tegen de moeder van de patiënt zegt, ‘Wees niet bang, moeder; ik zal zeker je jongen genezen.’ God lacht, zeggend tegen Zichzelf, ‘Ik ga zijn leven nemen, en deze man zegt dat hij het zal redden!’ De dokter denkt dat hij de meester is, vergetend dat God alleen de Meester is. God lacht opnieuw wanneer twee broers hun land verdelen met een touw, zeggend tegen elkaar, ‘Deze kant is van mij en die kant is van jou.’ Hij lacht en zegt tegen Zichzelf, ‘Het hele universum behoort toe aan Mij, maar zij zeggen dat ze dit deel of dat deel bezitten.’

“Kun je God kennen via redenering? Wees Zijn dienaar, geef jezelf over aan Hem, en bid dan tot Hem.

(Aan Vidyāsāgar, met een glimlach). “Wel, wat is jouw houding?”

Vidyāsāgar (glimlachend): “Op een dag zal ik het aan u toevertrouwen.” (Allen lachen).

Meester (lachend): “God kan niet gerealiseerd worden via enkel scholastische redenering.”

Bedwelmd met heilige liefde zong de Meester:

Wie is er die kan begrijpen wat Moeder Kāli is?
Zelfs de zes darśanas zijn machteloos om Haar te onthullen.
Het is Zij, zeggen de geschriften, die het Innerlijke Zelf is
Van de yogi, die in [het] Zelf al zijn vreugde ontdekt;
Zij die, uit Haar eigen zoete wil, ieder levend ding inwoont.

De macrocosmos en microcosmos rusten in de Moeders baarmoeder;
Zie je nu hoe immens die is? In de Mulādhāra
Mediteren de yogi’s op Haar, en in de Sahasrāra:
Wie anders dan Śiva heeft Haar bevat zoals Ze werkelijk is?
Binnenin de lotuswildernis speelt ze naast Haar Partner, de Zwaan.3

Wanneer een mens aspireert Haar te begrijpen, moet Rāmprasād glimlachen;
Denken Haar te kennen, zegt hij, is net zo belachelijk
Als te verbeelden dat je over de grenzeloze zee kan zwemmen.
Maar terwijl mijn denken het heeft begrepen, helaas! heeft mijn hart dat niet;
Hoewel slechts een dwerg, zou het nog steeds streven om van de maan een gevangene te maken.

Vervolgend, zei de Meester: “Heb je het opgemerkt?

De macrocosmos en microcosmos rusten in de Moeders baarmoeder;
Zie je nu hoe immens die is?

“Opnieuw zegt de poëet:

Zelfs de zes darśanas zijn machteloos om Haar te onthullen.

Ze kan niet gerealiseerd worden door middel van enkel geleerdheid.

“Men moet geloof en liefde hebben. Laat me je vertellen hoe krachtig geloof is. Een man stond op het punt om de zee van Ceylon naar India over te steken. Bibhishana zei tegen hem: ‘Bind dit ding in een hoek van je draagkleed en je zal de zee veilig oversteken. Je zult in staat zijn om over het water te lopen. Maar wees er zeker van het niet te onderzoeken, anders zul je zinken.’ De man liep gemakkelijk op het water van de zee – zodanig is de kracht van geloof – toen, na een deel van de weg te hebben afgelegd, hij dacht, ‘Wat is dit wonderlijke ding Bibhishana aan mij heeft gegeven, dat ik zelfs op het water kan lopen?’ Hij ontknoopte de knoop en vond alleen een blad met de naam van Rāma erop geschreven. ‘Oh, alleen dit!!’ dacht hij, en onmiddellijk zonk hij.

“Er is een populair gezegde dat Hanumān over de zee sprong door zijn geloof in Rāma’s naam maar Rāma zelf een brug moest bouwen.

“Als een mens geloof heeft in God dan hoeft hij niet bang te zijn, hoewel hij een zonde – nee, de laagste zonde – begaan kan hebben.”

Toen zong Sri Ramakrishna een lied, de kracht van geloof glorificerend:

Als ik toch eens kon heengaan, Durgā’s naam herhalend,
Hoe kunt U dan, O Gezegende,
Mij verlossing onthouden,
Ellendig als ik ben? …

De Meester vervolgde: “Geloof en devotie. Men realiseert God gemakkelijk door devotie. Hij wordt begrepen door extase van liefde.”

Met deze woorden zong de Meester opnieuw:

Hoe probeer je, O denken, de aard van God te kennen?
Je tast als een waanzinnige opgesloten in een donkere kamer.
Hij wordt begrepen door extatische liefde; hoe kun je Hem doorgronden zonder dat?
Alleen door affirmatie, nooit negatie, kun je Hem kennen;
Noch door Veda noch door Tantra noch de zes darśana’s.

Het is in het elixir van de liefde alleen dat Hij Zich verheugt, O denken;
Hij woont in het de diepste diepten van het lichaam, in Altijddurende Vreugde.
En, voor die liefde, praktiseren de machtige yogi’s yoga van tijdperk tot tijdperk;
Wanneer liefde ontwaakt trekt de Heer, als een magneet, de ziel tot Hem.

Hij is het, zegt Rāmprasād, die ik benader als Moeder;
Maar moet ik hier op de marktplaats het geheim weggeven?
Vanuit de hints die ik heb gegeven, O denken, raad wat dat Wezen is!

Wijl zingend ging de Meester in samādhi. Hij was gezeten op de bank, naar het Westen gericht, de palmen van zijn handen samengevouwen, zijn lichaam recht en bewegingsloos. Iedereen keek verwachtend naar hem. Vidyāsāgar was ook sprakeloos en kon zijn ogen niet van de Meester afhouden.

Na een tijd toonde Sri Ramakrishna tekenen van herwinning van de normale toestand. Hij nam een diepe ademhaling en zei met een glimlach: “De middelen om God te realiseren zijn extase van liefde en devotie – dat wil zeggen, men moet God liefhebben. Hij die Brahman is wordt aangesproken als de Moeder.

Hij is het, zegt Rāmprasād, die ik benader als Moeder;
Maar moet ik hier op de marktplaats het geheim weggeven?
Vanuit de hints die ik heb gegeven, O denken, raad wat dat Wezen is!

“Rāmprasād vraagt het denken alleen te raden naar de aard van God. Hij wenst het [denken] te begrijpen dat wat Brahman genoemd wordt in de Veda’s wordt aangesproken door hem als de Moeder. Hij die eigenschaploos is heeft ook eigenschappen. Hij die Brahman is, is ook Śakti. Wanneer bedacht als inactief wordt Hij Brahman genoemd, en wanneer bedacht als de Schepper, Behouder, en Vernietiger, wordt Hij de Oorspronkelijke Energie, Kāli, genoemd.

“Brahman en Śakti zijn identiek, zoals vuur en zijn kracht om te verbranden. Wanneer we over vuur praten bedoelen we automatisch ook zijn kracht om te verbranden. Opnieuw, de kracht van vuur om te verbranden impliceert het vuur zelf. Als je het ene accepteert moet je het andere accepteren.

“Brahman alleen wordt aangesproken als de Moeder. Dit is omdat een moeder een object is van grote liefde. Men is in staat God te realiseren enkel door liefde. Extase van gevoel, devotie, liefde en geloof – deze zijn de middelen. Luister naar een lied:

Zoals iemands meditatie is, zo is zijn gevoel van liefde;
Zoals iemands gevoel van liefde is, zo is zijn winst;
En geloof is de wortel van alle.
Als in het Nectar Meer van Moeder Kāli’s voeten
Mijn denken onondergedompeld blijft,
Van weinig nut zijn [dan] aanbidding, offeringen of opofferingen.

“Wat nodig is, is absorptie in God – Hem intens liefhebbend. Het ‘Nectar Meer’ is het Meer van Onsterfelijkheid. Een mens die Er in zinkt sterft niet maar wordt onsterfelijk. Sommige mensen geloven dat door teveel aan God te denken het denken gestoord wordt; maar dat is niet waar. God is het Meer van Nectar, de Oceaan van Onsterfelijkheid. Hij wordt de ‘Onsterfelijke’ genoemd in de Veda’s. Er in zinkend sterft men niet maar transcendeert zeker de dood.

Van weinig nut zijn [dan] aanbidding, offeringen of opofferingen.

Als een mens er toe komt God lief te hebben hoeft hij zich niet heel druk te maken over deze activiteiten. Men heeft een waaier nodig enkel wanneer er geen bries is. De waaier kan aan de kant gelegd worden wanneer de Zuiderlijke bries waait. Wat voor nood is er dan aan een waaier?

(Aan Vidyāsāgar) “De activiteiten waarmee je je bezig houdt zijn goed. Het is heel goed als je ze kunt verrichten met een onzelfzuchtige geest, egoïsme verzakend, het idee opgevend dat jij de doener bent. Door zulke actie ontwikkelt men liefde en devotie voor God, en realiseert Hem uiteindelijk.

“Hoe meer je er toe komt God lief te hebben hoe minder je de neiging zal hebben om actie te verrichten. Wanneer de schoondochter zwanger is geeft haar schoonmoeder haar minder werk te doen. Als de tijd voorbij gaat wordt haar minder en minder werk gegeven. Wanneer de tijd van bevalling nadert is het haar helemaal niet toegestaan om enig werk te doen, anders zou het het kind schaden of moeilijkheden veroorzaken op het moment van geboorte.

“Met deze filantropische activiteiten doe je in werkelijkheid goed aan jezelf. Als je ze ongeïnteresseerd kunt doen zal je denken puur worden en je zult liefde voor God ontwikkelen. Zo gauw je die liefde hebt zul je Hem realiseren.

“De mens kan de wereld niet echt helpen. God alleen doet dat – Hij die de zon en de maan geschapen heeft, die liefde voor hun kinderen in de harten van ouders gestopt heeft, nobele zielen begiftigd met compassie en heilige mensen en toegewijden met heilige liefde. De mens die voor anderen werkt, zonder enig zelfzuchtig motief, doet in werkelijkheid goed aan zichzelf.

“Er is goud begraven in je hart, maar je bent je er nog niet van bewust. Het is bedekt met een dunne laag klei. Eens je je er van bewust bent zullen al deze activiteiten van je verminderen. Na de geboorte van haar kind houdt de schoondochter in de familie zichzelf daarmee alleen bezig. Alles wat ze doet is enkel voor het kind. Haar schoonmoeder laat haar geen huishoudelijke taken doen.

“Ga voorwaarts. Een houthakker ging eens een woud binnen om hout te verzamelen. Een brahmachāri zei tegen hem, ‘Ga voorwaarts.’ Hij gehoorzaamde het bevel en ontdekte wat sandelbomen. Na een paar dagen bedacht hij, ‘De heilige man vroeg me voorwaarts te gaan. Hij vertelde me niet hier te stoppen.’ Dus ging hij voorwaarts en vond een zilvermijn. Na een paar dagen ging hij nog verder en ontdekte een goudmijn, en daarna mijnen met diamanten en kostbare stenen. Met deze werd hij immens rijk.

“Door onzelfzuchtig werk, groeit liefde voor God in het hart. Dan, door Zijn genade, realiseert men Hem na verloop van tijd. God kan gezien worden. Men kan met Hem praten zoals ik met jou praat.”

In stille verwondering zaten allen te luisteren naar de Meesters woorden. Het scheen hen toe dat de Godin van Wijsheid Zelf, gezeten op Sri Ramakrishna’s tong, deze woorden niet enkel richtte aan Vidyāsāgar, maar aan de gehele mensheid voor haar welzijn.

Het was bijna negen uur in de avond. De Meester stond op het punt te vertrekken.

Meester (aan Vidyāsāgar, met een glimlach): “De woorden die ik heb gesproken zijn in werkelijkheid overbodig. Jij weet dit allemaal; je bent je er eenvoudig niet bewust van. Er zijn ontelbare edelstenen in de koffers van Varuna. Maar hij zelf is zich daarvan niet bewust.”

Vidyāsāgar (met een glimlach): “U mag zeggen wat u wil.”

Meester (glimlachend): “Oh ja. Er zijn veel rijke mensen die de namen van al hun dienaren niet kennen, en zelfs onbewust zijn van veel van de kostbare dingen in hun huizen.” (Allen lachen).

Iedereen was verheugd met de Meesters conversatie. Opnieuw Vidyāsāgar adresserend zei hij met een glimlach: “Bezoek asjeblief de tempeltuin een keer – ik bedoel de tuin van Rasmani. Het is een charmante plaats.”

Vidyāsāgar: “Oh, natuurlijk zal ik gaan. U bent zo vriendelijk geweest om me hier te komen zien, en zal ik uw bezoek niet beantwoorden?”

Meester: “Mij bezoeken? Oh, denk nooit aan zulke dingen!”

Vidyāsāgar: “Waarom mijnheer? Waarom zegt u dat? Mag ik u vragen om uitleg?”

Meester (glimlachend): “Zie je, we zijn als kleine vissersboten. (Allen glimlachen). We kunnen laveren in kleine kanalen en ondiepe wateren en ook in grote rivieren. Maar jij bent een schip. Jij kunt op weg vastlopen!” (Allen lachen).

Vidyāsāgar bleef stil. Sri Ramakrishna zei met een lach, “Maar zelfs een schip kan daar heen gaan in dit seizoen.”

Vidyāsāgar (glimlachend): “Ja, het is moessonseizoen.” (Allen lachen).

M. zei tegen zichzelf: “Dit is inderdaad het moessonseizoen van nieuw ontwaakte liefde. Op zulke tijden geeft men niet om prestige of formaliteiten.”

Sri Ramakrishna nam toen afscheid van Vidyāsāgar die met zijn vrienden de Meester escorteerde naar de hoofdpoort, de weg leidend met een aangestoken kaars in zijn hand. Voor de kamer te verlaten bad de Meester voor het welzijn van de familie, in een extatische stemming gaande terwijl hij dit deed.

Zo gauw de Meester en de toegewijden de poort bereikten zagen ze een onverwacht gezicht en stonden stil. Voor hen was een bebaarde heer met een lichte huidkleur, ongeveer zesendertig jaar oud. Hij droeg zijn kleren als een Bengali, maar op zijn hoofd was een witte tulband geknoopt volgens de mode van de Śikhs. Niet eerder zag hij de Meester of hij viel aan zijn voeten, tulband en alles.

Toen hij op stond zei de Meester: “Wie is dit? Balaram? Waarom zo laat in de avond?

Balaram: “Ik heb hier een lange tijd gewacht mijnheer.”

Meester: “Waarom kwam je niet binnen?”

Balaram: “Allen waren naar u aan het luisteren. Ik wilde u niet storen.”

De Meester stapte in het rijtuig met zijn metgezellen.

Vidyāsāgar (tegen M., zachtjes): “Zal ik de rijtuighuur betalen?”

M.: “Oh, maak je geen zorgen asjeblief. Dat is geregeld.”

Vidyāsāgar en zijn vrienden bogen voor Sri Ramakrishna en het rijtuig ging op weg naar Dakshineswar. Maar de kleine groep, met de eerbiedwaardige Vidyāsāgar aan hun hoofd de ontstoken kaars vasthoudend, stond aan de poort en tuurde de Meester na tot hij uit zicht was.

Noten
  1. Letterlijk, “volmaakt” of “gekookt”; het woord wordt toegepast zowel voor de vervolmaakte ziel als voor gekookte dingen.
  2. Een van de grootste filosofen van India.
  3. Śiva, het Absolute.