ARVINDUS

Het Gospel van Sri Ramakrishna

13 Augustus 1882

13 AUGUSTUS 1882

De Meester was aan het converseren met Kedar en enkele andere toegewijden in zijn kamer in de tempeltuin. Kedar was een overheidsfunctionaris en had een aantal jaren in Dacca verbleven, in Oost-Bengalen, waar hij een vriend was geworden van Vijay Goswami. De twee spendeerden een groot deel van hun tijd samen, pratend over Sri Ramakrishna en zijn spirituele ervaringen. Kedar was ooit een lid van de Brāhmo Samāj. Hij volgde het pad van bhakti. Spirituele praat bracht altijd tranen in zijn ogen.

Het was vijf uur in de namiddag. Kedar was heel blij die dag, een religieus festival geregeld hebbend voor Sri Ramakrishna. Een zanger was gehuurd door Ram en de hele dag was voorbij gegaan in vreugde.

De Meester legde aan de toegewijden het geheim uit van communie met God.

Meester: “Met de realisatie van Satchidānanda gaat men in samādhi. Plichten vallen dan weg. Stel dat ik aan het praten was over de ostād en hij arriveert. Wat voor nood is er dan om over hem te praten? Hoe lang zoemt de bij rond? Zo lang als hij niet op een bloem zit. Maar het volstaat niet voor de sādhaka om plichten te verzaken. Hij moet zijn plichten uitvoeren, zoals aanbidding, japa, meditatie, gebed en pelgrimage.

“Als je iemand bezig ziet met redeneren zelfs nadat hij God heeft gerealiseerd kun je hem voor een bij houden die ook een beetje zoemt zelfs wanneer honing van een bloem nippend.”

De Meester was heel tevreden met de ostād’s muziek. Hij zei tegen de muzikant, “Er is een speciale manifestatie van Gods kracht in een mens die een zekere uitgesproken gave heeft, zoals bekwaamheid in muziek.”

Muzikant: “Mijnheer, wat is de manier om God te realiseren?”

Meester: “Bhakti is het enige essentiële ding. Wees er zeker van, God bestaat in alle wezens. Wie dan is een toegewijde? Hij wiens denken op God gericht is. Maar dit is niet mogelijk zolang als men egoïsme en ijdelheid heeft. Het water van Gods genade kan zich niet verzamelen op de hoge bult van egoïsme. Het stroomt naar beneden. Ik ben slechts een machine.

(Aan Kedar en de andere toegewijden) “God kan gerealiseerd worden door alle paden. Alle religies zijn waarachtig. Het belangrijke ding is het dak te bereiken. Je kunt het bereiken met stenen trappen of met houten trappen of met bamboe trappen of met een touw. Je kunt ook omhoog klimmen met een bamboe paal.

“Je kunt zeggen dat er veel fouten en bijgeloven zijn in een andere religie. Ik zou reageren: Stel dat die er zijn. Iedere religie heeft fouten. Iedereen denkt dat zijn horloge alleen de juiste tijd aangeeft. Het is genoeg om te smachten naar God. Het is genoeg Hem te liefhebben en je tot Hem aangetrokken te voelen. Weet je niet dat God de Innerlijke Gids is? Hij ziet het verlangen van onze harten en het smachten van onze ziel. Stel dat een man verscheidene zonen heeft. De oudere jongens spreken hem duidelijk aan met ‘Bābā’ of ‘Pāpā’, maar de baby’s kunnen hem op hun best ‘Bā’ of ‘Pā’ noemen. Zal nu de vader boos zijn op hen die hem aanspreken op deze onduidelijke manier? De vader weet dat ook zij hem roepen, alleen kunnen zij zijn naam niet goed uitspreken. Alle kinderen zijn hetzelfde voor de vader. Op dezelfde manier, de toegewijden roepen God alleen aan, ofschoon met verschillende namen. Ze roepen slechts één Persoon aan. God is één, maar Zijn namen zijn vele.”