ARVINDUS

Het Gospel van Sri Ramakrishna

24 Augustus 1882

24 AUGUSTUS 1882

Sri Ramakrishna was aan het praten tegen Hazra op de lange Noordwest veranda van zijn kamer toen M. arriveerde. Hij saluteerde de Meester met eerbied.

Meester: “Ik zou Iswar Chandra Vidyāsāgar nog een paar keer willen bezoeken. De schilder tekent eerst de algemene schetsen en vult dan de details en kleuren in op zijn gemak. De beeldengieter maakt eerst het beeld van klei, pleistert het, geeft het dan een laag van witkalk en schildert het als laatste met een penseel. Al deze stappen moeten succesvol genomen worden. Vidyāsāgar is helemaal klaar, maar zijn innerlijke kern is bedekt met een dunne laag. Hij is nu bezig met het doen van goede werken; maar hij weet niet wat binnenin hem is. Goud ligt in hem verborgen. God woont binnenin ons. Wanneer men dat weet wil men alle activiteiten opgeven en tot God bidden met een smachtende ziel.”

Aldus sprak de Meester met M. – dan staande, dan op en neer de lange veranda stappend.

Meester: “Een beetje spirituele discipline is noodzakelijk om te weten wat binnenin ligt.”

M: “Is het noodzakelijk om discipline het hele leven door te beoefenen?”

Meester: “Nee. Maar men moet alert en actief zijn in het begin. Daarna hoeft men niet hard te werken. De stuurman staat op en grijpt het roer ferm beet zolang de boot door golven, stormen, hoge winden of door de bochten van een rivier gaat, maar hij ontspant nadat hij door deze heen gestuurd heeft. Zo gauw de boot de bochten passeert zit hij comfortabel en raakt het roer alleen aan. Daaropvolgend bereidt hij zich voor om het zeil te ontrollen en maakt zich klaar voor een rokertje. Op dezelfde manier geniet de aspirant vrede en kalmte na het passeren van de golven en stormen van ‘vrouwen en goud’.

“Sommigen worden geboren met de karakteristieken van de yogi; maar zij moeten ook voorzichtig zijn. Het is ‘vrouwen en goud’ alleen wat het obstakel is; het doet hen afdwalen van het pad van yoga en sleept hen in wereldlijkheid. Misschien hebben ze wat begeerte voor plezier. Na hun begeerte vervuld te hebben richten zij opnieuw hun denken op God en herstellen zo hun eerdere staat van zijn, geschikt voor het beoefenen van yoga.

“Heb je ooit de klapval voor vissen gezien, genaamd de ‘satkā-kal’?”

M: “Nee mijnheer, die heb ik niet gezien.”

Meester: “Ze gebruiken hem in ons deel van het land. Eén einde van een bamboestok wordt bevestigd in de grond en het andere wordt over een klem gebogen. Aan dit einde hangt een lijn met een haak over het water, met aas aan de haak gebonden. Wanneer de vis het aas doorslikt springt plotseling de bamboe omhoog en verkrijgt opnieuw zijn rechte positie.

“Opnieuw, neem een waag, bijvoorbeeld. Wanneer een gewicht aan één zijde wordt geplaatst beweegt de lagere naald weg van de hogere. De lagere naald is het denken en de hogere God. Het ontmoeten van de twee is yoga.

“Tenzij het denken standvastig wordt kan er geen yoga zijn. Het is de wind van wereldlijkheid die altijd het denken verstoort, welk vergeleken kan worden met een kaarsvlam. Wanneer die vlam helemaal niet beweegt dan heeft men volgens zeggen yoga bereikt.

“’Vrouwen en goud’ alleen is het obstakel voor yoga. Analyseer altijd wat je ziet. Wat is er in het lichaam van een vrouw? Alleen zulke dingen als bloed, vlees, vet, ingewanden en dergelijke. Waarom zou men zulk een lichaam liefhebben?

“Soms had ik de gewoonte een rājasic stemming aan te nemen om verzaking te beoefenen. Eens had ik de begeerte om een goudverfraaid gewaad aan te doen, een ring om mijn vinger te dragen en een waterpijp met lange pijp te roken. Mathur Babu verkreeg al deze dingen voor me. Ik droeg het goudverfraaide gewaad en zei tegen mezelf na een tijdje, ‘Denken! Dit is wat een goudverfraaid gewaad wordt genoemd.’ Toen deed ik het uit en gooide het weg. Ik kon het gewaad niet meer uitstaan. Opnieuw zei ik tegen mezelf. ‘Denken! Dit wordt een shawl genoemd, en dit een ring, en dit een waterpijp roken met een lange pijp.’ Ik gooide deze dingen voorgoed weg, en de begeerte om ze te genieten verscheen in mijn denken nooit meer opnieuw.”

Het was bijna schemerdonker. De Meester en M. stonden alleen pratend naast de deur op de Zuidoost veranda.

Meester (aan M.): “Het denken van de yogi is altijd gericht op God, altijd geabsorbeerd in het Zelf. Je kunt zulk een man herkennen door slechts naar hem te kijken. Zijn ogen zijn ver open, met een doelloze blik, zoals de ogen van de moedervogel die haar eieren uitbroedt. Haar gehele denken is gericht op de eieren, en er is een lege blik in haar ogen. Kun je me zulk een afbeelding tonen?”

M: “Ik zal proberen er een te krijgen.”

Toen de avond opkwam werden de tempels opgelicht. Sri Ramakrishna zat op zijn smalle bank, mediterend op de Heilige Moeder. Daarna chantte hij de namen van God. Wierook werd gebrand in de kamer, waar een olielamp was aangestoken. Geluiden van schelphoorns en gongen kwamen drijvend op de lucht toen de avondaanbidding begon in de tempel van Kāli. Het licht van de maan overspoelde alle windrichtingen. De Meester sprak opnieuw tot M.

Meester: “Voer je taken uit met een onzelfzuchtige geest. Het werk waarmee Vidyāsāgar zich bezighoudt is heel goed. Probeer je taken altijd te verrichten zonder enig resultaat te begeren.”

M: “Ja mijnheer. Maar mag ik weten of men God kan realiseren terwijl men zijn taken verricht? Kunnen ‘Rāma’ en ‘begeerte’ samengaan? Laatst las ik in een Hindi couplet: ‘Waar Rāma is daar kan begeerte niet zijn; waar begeerte is daar kan Rāma niet zijn.’”

Meester: “Allen, zonder uitzondering, voeren werk uit. Zelfs de naam en glories van God te chanten is werk, zoals ook de meditatie van de non-dualist op ‘Ik ben Hem’. Ademen is ook een activiteit. Er is geen manier om werk volledig te verzaken. Dus doe je werk, maar geef de resultaten over aan God.”

M: “Mijnheer, mag ik moeite doen om meer geld te verdienen?”

Meester: “Het is toegestaan dit te doen om een religieuze familie te onderhouden. Je mag proberen je inkomen te vermeerderen, maar op een eerlijke manier. Het doel van het leven is niet het verdienen van geld maar de dienst van God. Geld is niet schadelijk wanneer het toegewijd wordt aan de dienst van God.”

M: “Hoe lang moet een mens zich verplicht voelen zijn plichten te vervullen naar zijn vrouw en kinderen?”

Meester: “Zolang ze zich beklemd voelen voor voedsel en kleding. Maar men hoeft niet de verantwoordelijkheid te nemen voor een zoon wanneer hij in staat is zichzelf te voorzien. Wanneer de jonge uitgevlogene zijn eigen voedsel leert te kiezen pikt zijn moeder hem wanneer hij bij haar komt voor voedsel.”

M: “Hoe lang moet men zijn plichten vervullen?”

Meester: “De bloesem valt weg wanneer het fruit verschijnt. Men hoeft zijn plichten niet meer te doen na het bereiken van God, noch heeft men er zin in ze dan te doen.

“Wanneer een dronkaard teveel drank neemt kan hij geen bewustzijn handhaven. Wanneer hij alleen twee of drie glazen neemt kan hij doorgaan met zijn werk. Wanneer je dichter en dichter God nadert zal Hij je activiteiten beetje bij beetje reduceren. Heb geen angst.

“Maak de weinige taken die je op handen hebt af en dan zul je vrede hebben. Wanneer de vrouw des huizes gaat baden na het afmaken van haar koken en andere huishoudelijke taken komt ze niet terug, hoe je haar ook naroept.”

M: “Mijnheer, wat is de betekenis van de realisatie van God? Wat bedoelt U met God-visie? Hoe bereikt men het?”

Meester: Volgens de Vaishnava’s kunnen de aspiranten en de zienders van God verdeeld worden in verschillende groepen. Deze zijn de pravartaka, de sādhaka, de siddha en de siddha van de siddha. Hij die net voet heeft gezet op het pad kan een pravartaka genoemd worden. Hij mag een sādhaka genoemd worden die een tijdlang spirituele disciplines heeft beoefend, zoals aanbidding, japa, meditatie en het chanten van Gods naam en glories. Hij mag een siddha genoemd worden die uit zijn innerlijke ervaring te weten kwam dat God bestaat. Een analogie wordt gegeven in de Vedānta om dit uit te leggen. De meester van het huis is in slaap in een donkere kamer. Iemand tast in het donker om hem te vinden. Hij raakt de bank aan en zegt, ‘Nee, het is niet hem.’ Hij raakt het raam aan en zegt, ‘Nee, het is niet hem.’ Hij raakt de deur aan en zegt, ‘Nee, het is niet hem.’ Dit wordt gekend in de Vedānta als het proces van ‘Neti, neti’, ‘Niet dit, niet dit’. Uiteindelijk raakt zijn hand het lichaam van de meester aan en hij roept uit, ‘Hier is hij!’ In andere woorden, hij is nu bewust van het ‘bestaan’ van de meester. Hij heeft hem gevonden, maar hij kent hem nog niet intiem.

“Er is een ander type, gekend als de siddha van de siddha, de ‘ultiem perfecte’. Het is nogal iets anders wanneer men intiem tegen de meester praat, wanneer men God zeer intiem kent via liefde en devotie. Een siddha heeft ongetwijfeld God bereikt, maar de ‘ultiem perfecte’ heeft God zeer intiem gekend.

“Maar om God te realiseren moet men één van deze houdingen aannemen: śānta, dāsya, sakhya, vātsalya of madhur.

“Śānta, de serene houding. De rishis van oude tijden hadden deze houding naar God toe. Zij begeerden geen enkel wereldlijk plezier. Het is als de standvastige devotie van een echtgenote naar haar echtgenoot. Ze weet dat haar echtgenoot de belichaming is van schoonheid en liefde, een waarachtige Madan.

“Dāsya, de houding van een dienaar naar zijn meester. Hanumān had deze houding naar Rāma. Hij voelde de kracht van een leeuw wanneer hij voor Rāma werkte. Een echtgenote voelt deze stemming ook. Ze dient haar echtgenoot met heel haar hart en ziel. Een moeder heeft ook een beetje van deze houding, zoals Yaśodā had naar Krishna.

“Sakhya, de houding van vriendschap. Vrienden zeggen tegen elkaar, ‘Kom hier en zit naast me.’ Śridāma en andere vrienden voedden Krishna soms met fruit, waarvan ze gedeeltelijk alreeds hadden gegeten, en klommen soms op Zijn schouders.

“Vātsalya, de houding van een moeder naar haar kind. Dit was Yaśodā’s houding naar Krishna. De echtgenote heeft ook een beetje van dit. Ze voedt haar echtgenoot met haar eigen levensbloed, als het ware. De moeder is alleen gelukkig wanneer het kind zoveel gegeten heeft als hij wil. Yaśodā dwaalde rond met boter in haar hand om Krishna te voeden.

“Madhur, de houding van een vrouw naar haar minnaar. Rādhā had deze houding naar Krishna. De echtgenote voelt het ook voor haar echtgenoot. Deze houding bevat al de andere vier.”

M: “Wanneer men God ziet, ziet men hem dan met deze ogen?”

Meester: “God kan niet gezien worden met deze fysieke ogen. In het verloop van spirituele discipline krijgt men een ‘liefdeslichaam’, begiftigd met ‘liefdesogen’, ‘liefdesoren’, enzovoort. Men ziet God met die ‘liefdesogen’. Met hoort de stem van God met die ‘liefdesoren’. Men krijgt zelfs een geslachtsorgaan gemaakt van liefde.”

Bij deze woorden barstte M. uit in lachen. De Meester ging door, ongeërgerd, “Met dit ‘liefdeslichaam’ communieert de ziel met God.”

M. werd opnieuw serieus.

Meester: “Maar dit is niet mogelijk zonder intense liefde voor God. Men ziet overal niets dan God wanneer men van Hem houdt met grote intensiteit. Het is als een persoon met geelzucht die alles geel ziet. Dan voelt men, ‘Ik ben waarachtig Hem.’

“Een dronkaard, diep bedwelmd, zegt, ‘Waarachtig ben ik Kāli!’ De gopi’s, bedwelmd met liefde, riepen uit, ‘Waarachtig ben ik Krishna!’

“Men denkt aan God, dag en nacht, aanschouwt hem overal. Het is als een mens die aan alle kanten vlammen ziet nadat hij een tijdlang gefixeerd naar één vlam gestaard heeft.

“Maar dat is niet de echte vlam”, flitste door M.’s denken.

Sri Ramakrishna, die de diepste gedachten van een mens kon lezen, zei: “Men verliest het bewustzijn niet door te denken aan Hem die alle Geest, alle Bewustzijn is. Shivanath merkte eens op dat teveel denken over God het brein verwart. Daarop zei ik tegen hem, ‘Hoe kan men bewusteloos raken door aan Bewustzijn te denken?’”

M: Ja mijnheer, ik realiseer me dat. Het is niet zoals denken aan een onecht object. Hoe kan een mens zijn intelligentie verliezen als hij zijn denken altijd fixeert op Hem wiens waarachtige aard eeuwige Intelligentie is?”

Meester (met plezier): “Het is door Gods genade dat je dat begrijpt. De twijfel van het denken zal niet verdwijnen zonder Zijn genade. Twijfels verdwijnen niet zonder Zelfrealisatie.

“Maar men hoeft niets te vrezen wanneer men de genade van God heeft ontvangen. Het is nogal gemakkelijk voor een kind om te struikelen wanneer hij de hand van zijn vader vasthoudt; maar er kan zulk een vrees niet zijn wanneer de vader de hand van het kind vasthoudt. Een mens hoeft niet meer te lijden wanneer God, in Zijn genade, zijn twijfels verwijdert en Zichzelf aan hem openbaart. Maar deze genade daalt alleen op hem neer nadat hij tot God heeft gebeden met een intens verlangen van het hart en spirituele discipline heeft beoefend. De moeder voelt compassie voor haar kind wanneer ze hem ademloos rond ziet rennen. Ze had zich verstopt; nu verschijnt ze voor het kind.”

“Maar waarom zou God ons laten rondrennen?” dacht M.

“Onmiddellijk zei Sri Ramakrishna: “Het is Zijn wil dat we een beetje moeten rondrennen. Dan is er groot plezier. God heeft de wereld geschapen als spel, als het ware. Dit wordt Mahāmāyā genoemd, de Grote Illusie. Daarom moet men toevlucht nemen in de Heilige Moeder, de Kosmische Kracht Zelf. Het is Zij die ons gebonden heeft met de ketens van illusie. De realisatie van God is alleen mogelijk wanneer die ketens verbroken worden.”

De Meester ging verder: “Men moet de Heilige Moeder, de Oorspronkelijke Energie, gunstig stemmen om Gods genade te verkrijgen. God Zelf is Mahāmāyā die de wereld misleidt met Haar illusie en de magie tevoorschijn tovert van creatie, behoud en vernietiging. Ze heeft deze sluier van onwetendheid voor onze ogen gespreid. We kunnen alleen in de binnenste kamer gaan wanneer Zij ons door de deur laat passeren. Buiten levend zien we alleen uiterlijke objecten, maar niet dat Eeuwige Wezen, Bestaan-Kennis-Gelukzaligheid, het Absolute. Daarom wordt beweerd in de Purāna dat goden zoals Brahmā Mahāmāyā prezen vanwege de vernietiging van de demonen Madhu en Kaitabha.

“Śakti alleen is de wortel van het universum. Die Oorzakelijke Energie heeft twee aspecten: vidyā en avidyā. Avidyā misleidt. Avindyā tovert ‘vrouwen en goud’ tevoorschijn, die de toverspreuk uitspreken. Vidyā veroorzaakt devotie, vriendelijkheid, wijsheid en liefde, welke men tot God leiden. Deze avidyā moet gunstig gestemd worden, en dat is het doel van de riten van Śakti aanbidding.1

“De toegewijde neemt diverse houdingen aan naar Śakti om Haar gunstig te stemmen: de houding van een dienares, een ‘held’, of een kind. De houding van een held is om Haar te behagen zoals een man een vrouw behaagt via gemeenschap.

“De aanbidding van Śakti is uitermate moeilijk. Het is geen grap. Ik spendeerde twee jaren als de dienares en metgezel van de Heilige Moeder. Maar mijn natuurlijke houding is altijd die geweest van een kind naar zijn moeder. Ik beschouw de borsten van iedere vrouw als die van mijn eigen moeder.

“Vrouwen zijn, allemaal, de waarachtige evenbeelden van Śakti. In Noordwest India houdt de bruid een mes in haar hand op het tijdstip van huwelijk; in Bengalen een notensplitser. De betekenis is dat de bruidegom, met behulp van de bruid, die de belichaming van de Heilige Kracht is, de bondage van illusie verbreekt. Dit is de ‘heldhaftige’ houding. Ik heb de Heilige Moeder nooit op die manier aanbid. Mijn houding naar Haar is die van een kind naar zijn moeder.

“De bruid is de waarachtige belichaming van Śakti. Is het je niet opgevallen, tijdens de huwelijksceremonie, hoe de bruidegom achter zit als een idioot? Maar de bruid – zij is zo krachtig!

“Na het bereiken van God vergeet men Zijn uiterlijke pracht, de glories van Zijn schepping. Men denkt niet aan Gods glories nadat men Hem heeft gezien. De toegewijde, eens verzonken in Gods Gelukzaligheid, denkt niet meer over uiterlijke dingen. Wanneer ik Narendra zie hoef ik hem niet te vragen: ‘Wat is jouw naam? Waar leef je?’ Waar is de tijd voor zulke vragen? Eens vroeg een man Hanumān welke dag van de veertien dagen2 het was. ‘Broeder’, zei Hanumān, ‘Ik weet niets over de dag van de week, of de veertien dagen, of de positie van de sterren. Ik denk aan Rāma alleen.’”

Noten
  1. In deze aanbidding wordt een vrouw beschouwd als representatie van de Heilige Moeder.
  2. Het Engelse woord  betreft ‘fortnight’.