ARVINDUS

Contemplationam

Nazi Analogieën

NAZI ANALOGIEËN

In Nazi analogieën worden situaties vergeleken met die van het Nazi regiem. Vaak worden dergelijke vergelijkingen tegemoet getreden met hevige tegenstand. Drie van dergelijke tegenstanden zijn goed bekend geworden.

De eerste van de goed bekende typen van tegenstand tegen Nazi analogieën betreft het ‘reductio ad Hitlerum’ zoals geëxpliceerd door de Joodse politiek filosoof Leo Strauss (1899-1973). Hij expliceerde deze term voor het eerst in 19511 en legde deze verder uit in 1953.2 De term ‘reductio ad Hitlerum’ werd afgeleid van ‘reductio ad absurdum’. Dat laatste betreft een argument voor de waarheid van een bewering door de absurditeit te tonen van wat gereduceerd wordt van zijn ontkenning.3 Dat haren geen zenuwen hebben omdat ze knippen anders pijn zou doen is zulk een argument. Letterlijk kan ‘reductio ad absurdum’ vertaald worden als ‘reductie tot absurditeit’.4 ‘Reductio ad Hitlerum’ kan dan vertaald worden als ‘reductie tot Hitler’. En dit betreft een argument dat een assumptie verwerpt op basis van dat het eveneens gevonden wordt bij Hitler of de Nazi’s.5 Het ideaal van de overmens of supermens (of ‘Übermensch’ in het Duits)6 wordt bijvoorbeeld vaak verworpen door het aan te wijzen als een ideaal in Nazi Duitsland. Het punt dat Strauss wilde maken met zijn ‘reductio ad Hitlerum’ term was dat “een visie niet verworpen wordt door het feit dat het toevallig gedeeld werd door Hitler”.7 Want dat kan leiden tot de absurde conclusie bijvoorbeeld dat omdat Hitler slecht was en een snor droeg alle snor dragende mannen beschouwd moeten worden als slecht. Het is aldus correct wanneer dit type Nazi analogie tegen wordt gestaan.

De tweede van de goed bekende typen van tegenstand tegen Nazi analogieën betreft ‘Godwins wet’ zoals geëxpliceerd door de auteur Michael Wayne ‘Mike’ Godwin (1956). De wet werd gedefinieerd door Godwin op het internet in 1990 als volgt: “Wanneer een online discussie langer wordt, nadert de waarschijnlijkheid van een vergelijking met Nazi’s of Hitler één.”8 Dit klinkt redelijk en erg descriptief maar het was eigenlijk normatief bedoeld tegen Nazi vergelijkingen.9 Godwin vond Nazi vergelijkingen zowel onlogisch als beledigend.10 Hij vond ze onlogisch omdat zij die vergeleken werden met Nazi’s zelf duidelijk geen Nazi’s waren. Hier lijkt het dat Godwin faalde om een helder onderscheid te maken tussen een vergelijking en een gelijkstelling. Hij verwerpt vergelijkingen met de logica van gelijkstelling. Het is inderdaad onlogisch om bijvoorbeeld de Amerikaanse politicus Michael Dukakis gelijk te stellen aan Adolf Hitler, echter het is niet onlogisch om hem te vergelijken met Adolf Hitler. De formule d=h (Dukakis is Hitler) is apriori onwaar, echter de formule Hh∧Hd (Hitler heeft Hitler kwaliteiten en Dukakis heeft Hitler kwaliteiten) is niet apriori onwaar en kan alleen mogelijk als onwaar bevonden worden a posteriori. De laatste formule heeft een verdere analyse nodig voor de bepaling van zijn waarheidswaarde en kan niet op voorhand verworpen worden. Zulk een formule kan alleen op voorhand verworpen worden wanneer geponeerd wordt dat geen kwaliteit die bij Hitler gevonden wordt bij iemand anders gevonden kan worden. En dit kan niet waarlijk geponeerd worden want dat zou betekenen dat bijvoorbeeld Hitler de enige snor dragende persoon was.

Zoals boven getoond kan het gemakkelijk verworpen worden dat Nazi analogieën of vergelijkingen onlogisch zijn. Ze zijn logisch niet minder coherent dan iedere andere analogie. Echter Godwin vindt ook dat zulke analogieën beledigend zijn. Dit derde goed bekende type van tegenstand tegen Nazi analogieën wordt sterk gesteund door Joden in het algemeen. Het moet duidelijk gesteld worden dat in dit type van tegenstand degenen die beschouwd worden als zijnde beledigd niet degenen zijn die vergeleken worden met Nazi’s maar de Joden in het algemeen. Het wordt beschouwd als beledigend voor Joden omdat een vergelijking hen ontdoet van het hebben van een unieke positie van lijden. Hun lijden wordt beschouwd als zijnde zo uniek dat niemand anders kan lijden zoals zij deden. Zonder nu de immense schade die is aangericht aan de Joden door de Nazi’s te trivialiseren is het opnieuw niet logisch om de kwaliteit van immens lijden te isoleren als het Joodse lijden onder het Nazi regiem. De Jood lijdde immens maar anderen kunnen ook immens lijden. Op een logisch niveau is er dus geen reden om Nazi analogieën te vermijden. Op het niveau van emotie echter kan er een reden zijn. Want het ontstellen van de emoties van anderen moet vermeden worden wanneer mogelijk. Niettemin zijn gevoelens van een ondergeschikte aard waar redelijkheid in het spel is. Soms kan het redelijk zijn om Nazi analogieën te gebruiken ondanks opgewekte emoties van anderen. De aanstoot genomen door het gebruik van Nazi analogieën moet uiteindelijk geen emotionele chantage worden voor het behoud van een unieke positie van lijden.

Wanneer is het dan redelijk om Nazi analogieën te gebruiken? Eerst moet gemeld worden dat Nazi analogieën hun nut kunnen hebben. In zijn algemeenheid ontbloten vergelijkingen en analogieën zekere innerlijke structuren van situaties. Hiermee kunnen ze de nauwkeurigheid van interpolatie en inferentie vergroten. Wanneer bijvoorbeeld het voorbeeld van Hitler genomen wordt als hebbende dezelfde kleur haar als zijn wenkbrauwen en snor dan kan het voorbeeld door analogie dienen om voor een persoon met een blonde snor en blonde wenkbrauwen ook blond haar te infereren. Als zodanig kunnen Nazi analogieën net zo nuttig zijn als iedere andere analogie. In feite kunnen Nazi analogieën zelfs dienen als belangrijke waarschuwingen voor hedendaagse situaties. Ieder jaar herdenken vele landen die betrokken waren bij de Tweede Wereldoorlog zijn slachtoffers, stellend dat zulk een horror nooit meer opnieuw mag plaatsvinden. Als zulk een situatie nooit meer opnieuw mag plaatsvinden is het heel belangrijk om te leren van dat verschrikkelijke verleden. En dit betekent de structuren te aanschouwen die aanwezig waren in Nazi Duitsland en in staat te zijn vergelijkbare structuren te herkennen die vorm nemen in hedendaagse situaties. Dus Nazi analogieën kunnen dienen om ons te vrijwaren van het maken van de vergissingen die gemaakt werden door de Nazi’s. En dit is in principe de toetssteen van het redelijke gebruik van Nazi analogieën. Waar ze niet dienen als een waarschuwing en als een vrijwaring moeten de emoties van anderen gespaard worden door ze achterwege te laten. Waar situaties en mensen echter neigen tot het vormen van structuren die gelijken op de typische structuren van de Nazi’s dan is het naar voren brengen van Nazi analogieën op zijn plaats en zelfs te adviseren.

Noten
  1. Robert Maynard Hutchins, Measure: A Critical Journal, Volume 2. H. Regnery Company, Washington, 1951.
  2. Leo Strauss, Natural Right and History, The University of Chicago Press, London, 1953, p. 42-43. “Unfortunately, it does not go without saying that in our examination we must avoid the fallacy that in the last decades has frequently been used as a substitute for the reductio ad absurdum: the reductioad Hitlerum. A view is not refuted by the fact that it happens to have been shared by Hitler.”
  3. Roy T. Cook, A Dictionary of Philosophical Logic, Edinburgh University Press, Edinburg, 2009, p. 244.
  4. Oxford Latin Dictionary, Oxford University Press, London, 1968, p. 1595, 32, 15.
  5. See note 2.
  6. Encyclopædia Britannica Ultimate Reference Suite, Encyclopædia Britannica, Chicago, 2013, superman.
  7. See note 2.
  8. Mike Godwin, ‘Meme, Counter-meme’, Wired Digital, 1994-2003. "As an online discussion grows longer, the probability of a comparison involving Nazis or Hitler approaches one."
  9. Ibidem. “So, I set out to conduct an experiment – […] and perhaps to curtail the glib Nazi comparisons.”
  10. Ibidem. “And, invariably, the comparisons trivialized the horror of the Holocaust and the social pathology of the Nazis. It was a trivialization I found both illogical (Michael Dukakis as a Nazi? Please!) and offensive (the millions of concentration-camp victims did not die to give some net.blowhard a handy trope).”
Bibliografie
  • Roy T. Cook, A Dictionary of Philosophical Logic, Edinburgh University Press, Edinburg, 2009.
  • Mike Godwin, ‘Meme, Counter-meme’, Wired Digital, 1994-2003.
  • Robert Maynard Hutchins, Measure: A Critical Journal, Volume 2. H. Regnery Company, Washington, 1951.
  • Leo Strauss, Natural Right and History, The University of Chicago Press, London, 1953.
  • Encyclopædia Britannica Ultimate Reference Suite, Encyclopædia Britannica, Chicago, 2013.
  • Oxford Latin Dictionary, Oxford University Press, London, 1968.