ARVINDUS

Contemplationam

De Uitzonderingsklasse

DE UITZONDERINGSKLASSE

Er zijn drie typen van klassen die door demografen vaak genoemd worden. Dit zijn de klassentypen van opleiding, van functie en van inkomen. In zijn algemeenheid kan elk van voorgenoemde klassentype onderverdeeld worden in drie klassen, namelijk in die van de bovenklasse, de middenklasse en de onderklasse. In de opleidingsklassen betreffen de individuen in de bovenklasse de hoger opgeleiden, in de middenklasse de middelbaar opgeleiden en in de onderklasse de lager opgeleiden. In de functieklassen betreffen de individuen in de bovenklasse hen die werkzaam zijn in leidinggevende functies, in de middenklasse hen die werkzaam zijn als vaklui en in de onderklasse hen die werkzaam zijn als handarbeiders of werkers. In de inkomensklassen betreffen de individuen in de bovenklasse hen met een bovenmodaal inkomen, in de middenklasse hen met een modaal inkomen en in de onderklasse hen met een benedenmodaal inkomen. Voorgenoemde klassen en klassentypen vormen de kern van de maatschappij.

In alle drie de klassentypen kan echter ook nog een vierde klasse onderscheiden worden, namelijk die van de buitenklasse. Deze kan geplaatst worden onder de onderklasse. In het klassentype van opleiding betreft dit een onopgeleide klasse, in die van functie een functie- of baanloze klasse en in die van inkomen een inkomensloze klasse. ‘Inkomensloos’ wil hier zeggen dat zij geen zelfstanding inkomen hebben en dus afhankelijk zijn van de aalmoezen van de maatschappij. In elk van deze klassentypen wordt deze klasse ‘buitenklasse’ genoemd omdat individuen uit deze klasse in zekere zin buiten de maatschappij staan, of in ieder geval buiten de kern daarvan. Ze zijn onopgeleid, baanloos en inkomensloos.

Het zal duidelijk zijn dat uit de drie klassentypen de bovenklassen aan elkaar gerelateerd zijn, de middenklassen aan elkaar, de onderklassen aan elkaar en de buitenklassen aan elkaar. Hoogopgeleiden bekleden veelal leidinggevende functies en hebben veelal een bovenmodaal inkomen. Middel opgeleiden zijn veelal vaklui met modale inkomens. Lager opgeleiden zijn vooral handarbeiders met benedenmodale inkomens. En onopgeleiden zijn vaak baanloos en daarmee inkomensloos. Het moet echter duidelijk zijn dat deze relaties die de voorgenoemde klassen met elkaar onderhouden correlatie betreffen en niet causaliteit. Dat er een correlatie bestaat tussen bijvoorbeeld de bovenklassen van de drie genoemde klassentypen wil zeggen dat statistisch meer hoogopgeleide individuen leidinggevende dan andere functies bekleden en dat zij statistisch vaker een bovenmodaal inkomen hebben dan een ander inkomen. Dit geldt mutatis mutandis ook voor de middenklassen, de onderklassen en de buitenklassen. Deze correlatie is echter geen causaliteit. Wanneer hier causaliteit aan de orde zou zijn dan zou iedere hoogopgeleide een leidinggevende functie bekleden en een bovenmodaal inkomen genieten. En dit zou mutatis mutandis ook voor ieder individu uit de middenklassen, de onderklassen en de buitenklassen gelden. Dit is echter niet het geval. Een eenvoudig tegenvoorbeeld kan dit aanduiden. Zelfs iemand die geplaatst is in de buitenklassen van opleidingsloosheid, baanloosheid en inkomensloosheid kan een loterij winnen en plotseling als rentenier wat betreft inkomen tot de bovenklasse gaan behoren. Dit is een theoretisch voorbeeld, maar in de praktijk kennen de meesten van ons wel tegenvoorbeelden van individuen die niet in alle klassentypen tot dezelfde klasse behoren. Het is bijvoorbeeld niet ongewoon om hoger, middelbaar of laag opgeleide baanlozen tegen te komen. De relaties tussen de klassenniveaus in klassentypen zijn dus correlatief en niet causaal.

Dat de relaties tussen klassenniveaus in klassentypen correlatief zijn en niet causaal is belangrijk om in ogenschouw te nemen wanneer we de twee klassentypen van sociale klassen en psychische klassen gaan toevoegen. Zoals ook in de eerder genoemde klassentypen kunnen we in deze nieuw genoemde klassen vier niveaus onderscheiden. In de sociale klassen zien we bijvoorbeeld hoe iedere klasse zijn eigen omgangsvormen en –normen heeft. Arbitrair kan bijvoorbeeld gezegd worden dat in de bovenklasse objectieve correctheid van omgang de norm is, dat de middenklasse zich sociaal richt op ‘normaal’ doen in omgang en dat in de onderklasse subjectieve loyaliteit aan elkaar de norm is. In de buitenklasse vinden we veelal de asocialen terug die zich onaangepast aan enige klasse gedragen.

Het is dus belangrijk om bij het beschouwen van de sociale klassen te bedenken dat de relatie van de bovenklasse in dit klassentype met de bovenklassen in andere klassentypen correlatief in plaats van causaal van aard is. En dit is waarschijnlijk nog belangrijker in het beschouwen van de psychische klassen. Want ook in een psychische typering kunnen verschillende klassen onderscheiden worden. De individuen uit de bovenklasse van het psychische klassentype kennen we als de hoogintelligenten, die uit de middenklasse als de middelintelligenten en die uit de onderklasse als de laagintelligenten. In de buitenklasse vinden we veel individuen met psychische deficiënties. Dat het met name bij het beschouwen van dit klassentype zo belangrijk is om correlatieve in plaats van causale relaties met klassenniveaus uit andere klassentypen te bedenken komt omdat het erg verleidelijk is om de klassenniveaus van het psychische klassentype causaal te relateren aan de klassenniveaus van de andere klassentypen. Het is verleidelijk om te stellen dat een hoge intelligentie causaal gerelateerd is aan een hoge opleiding. Echter het tegenvoorbeeld van examenfraude toont aan dat causaliteit ook hier niet gehandhaafd kan worden.

Het bedenken van correlatie in plaats van causaliteit bij het beschouwen van de psychische klassen kent echter nog een veel belangrijkere reden. En dat is dat nog een klassenniveau kan worden toegevoegd. Dit klassenniveau kan boven de bovenklasse geplaatst worden en de ‘uitzonderingsklasse’ genoemd worden. Deze uitzonderingsklasse van het psychische klassentype wordt gekenmerkt door een uitzonderlijke intelligentie.

De vraag kan rijzen hoe deze uitzonderingsklasse in het psychische klassentype zich verhoudt tot andere klassentypen. Vinden we ook daar uitzonderingsklassen? Dit is in ieder geval tot op zekere hoogte zo in het sociale klassentype. Want er is wel degelijk een sociale uitzonderingsklasse. De sociale omgangsvormen-  en normen daar zullen gekenmerkt worden door noties van broeder- en zusterschap en dienstbaarheid. Omdat de aantallen van uitzonderlijk intelligenten naar verhouding klein is, is deze sociale klasse echter weinig bekend bij demografen. Zoals psychologen, zelf hooguit tot de psychische klasse van de hoogintelligenten behorend (maar meestal tot de klasse van de middelintelligenten), moeite hebben om de uitzonderlijk intelligenten te duiden, zo blijft de sociale uitzonderingsklasse vaag en onduidelijk voor de gemiddelde demograaf. Dat uitzonderlijk intelligenten, klein in aantal als zij zijn, elkaar echter vinden in broeder- en zusterschap is wel degelijk een gegeven.

Maar hoe zit dat met wat demografen als de kern van onze maatschappij beschouwen? Hoe vinden we de uitzonderlijk intelligenten terug in de klassentypen van opleiding, functie en inkomen? Zijn er uitzonderlijke opleidingen, uitzonderlijke functies en uitzonderlijke inkomens te vinden? Het antwoord op deze vragen is gematigd positief. Een uitzonderlijke opleiding wordt door uitzonderlijk intelligenten namelijk veelal genoten via diepgaande zelfstudie van onderwerpen die de gevestigde opleidingen overstijgen. Hier en daar kan een (semi-)geïnstitutionaliseerde uitzonderlijke opleiding gevonden worden, doch dat deze veelal buiten de radars van de demografen zullen blijven spreekt voor zich.

Vanuit hun bevindingen uit hun uitzonderlijke studie kunnen uitzonderlijk intelligenten ook uitzonderlijke functies bekleden. Dit zullen dan echter functies zijn die zich buiten het spectrum van de gangbare bestuurs- vak- en arbeidsfuncties bevinden. Ook deze functies worden door demografen slechts sporadisch opgemerkt.

De inkomensklasse die met de psychische klasse van de uitzonderlijk intelligenten correspondeert kan ook ‘uitzonderlijk’ worden genoemd. Vanuit hun sociale noties van broeder- en zusterschap en dienstbaarheid zal veelal op vrijwillige donatiebasis worden gewerkt. Dit maakt het uitzonderlijke inkomen bijzonder variabel en buiten de klassen vallend van bovenmodaal, modaal, benedenmodaal en inkomensloos.

Laten we bovenstaande informatie samenvatten in een overzichtelijke tabel.

  Opleiding Functie Inkomen Sociaal Psychisch
Uitzonderingsklasse Zelf / uitzonderlijk opgeleid Uitzonderlijke functie Inkomen uit donaties Broeder- en zusterschap / dienstbaarheid Uitzonderlijk intelligent
Bovenklasse Hoog opgeleid Leidinggevende functie Bovenmodaal inkomen Objectieve correctheid Hoog intelligent
Middenklasse Middelbaar opgeleid Vakfunctie Modaal inkomen Normaal doen Middel intelligent
Onderklasse Laag opgeleid Arbeidsfunctie Benedenmodaal inkomen Subjectieve loyaliteit Laag intelligent
Buitenklasse Niet opgeleid Baanloos Geen inkomen / inkomen uit aalmoezen Asociaal Psychische deficiëntie

Figuur 1.

In figuur 1 zien we hoe in de buitenklassen onopgeleidheid, baanloosheid, inkomensloosheid dan wel inkomen uit aalmoezen, asociale omgangsnormen en psychische deficiënties met elkaar corresponderen, hoe in de onderklasse lage opleiding, handarbeid, benedenmodaal inkomen, subjectieve loyaliteit en lage intelligentie met elkaar corresponderen, hoe in de middenklasse middelbare opleiding, vakfuncties, modaal inkomen, normaal doen en middelmatige intelligentie met elkaar corresponderen, hoe in de bovenklasse hoge opleiding, leidinggevende functies, bovenmodaal inkomen, objectieve correctheid en hoge intelligentie met elkaar corresponderen, en hoe in de uitzonderingsklasse, zelf- of uitzonderlijke opleiding, uitzonderlijke functies, inkomen uit donaties, broeder- en zusterschap en dienstbaarheid en uitzonderlijke intelligentie met elkaar corresponderen. De hedendaags demografische kern van de maatschappij wordt gevormd door de klassentypen van opleiding, functie en inkomen en door de klassen van bovenklasse, middenklasse en onderklasse, dit alles weergegeven door donkere accenten.

Bij bovenstaande overzicht moet nogmaals benadrukt worden dat de correspondentie tussen de klassen van de verschillende klassentypen correlatief en niet causaal van aard is. En dit is dus met name belangrijk om te bedenken wanneer de uitzonderingsklasse in ogenschouw wordt genomen. Want hoewel de uitzonderlijke intelligentie van individuen kan corresponderen met een uitzonderlijke functie en een uitzonderlijke opgeleidheid is het waarschijnlijk dat zij ook in andere opleidings- en functieklassen gevonden zullen worden. Dit heeft er onder meer mee te maken dat de kern van de maatschappij is ingericht door en voor de boven-, midden en onderklasse. Daar wordt weinig plaats gelaten voor een uitzonderingsklasse. Dit heeft ook te maken met het gegeven dat functie-uitoefenaars als psychologen en demografen zelf deel uit maken van de kern van de maatschappij en daarmee weinig oog hebben voor de uitzonderingsklasse. Deze ontgaat hen gemakkelijk. Dit is meer het geval voor de uitzonderingsklasse dan voor de buitenklasse omdat het hogere het lagere begrijpt, maar het lagere niet het hogere. Functie-uitoefenaars als psychologen en demografen zullen uit onbegrip geneigd zijn om de uitzonderingsklasse als buitenklasse te categoriseren. Immers van wat niet tot de kern van de maatschappij behoort kent die kern zelf alleen als buitenmaatschappelijk, en niet als uitzonderingsmaatschappelijk.

Moge dan bij deze de uitzonderingsklasse, zelfs al zij het onbegrepen, in beeld zijn gebracht.