ARVINDUS

Contemplationam

De Karmische Spiraal

DE KARMISCHE SPIRAAL

In eerdere contemplaties zijn relaties gelegd tussen toeval en de persoonlijkheid, keuze en de ziel en lot en de monade.1 Ook werd keuze gelijkgesteld aan karma en lot aan dharma.2 Voor toeval werd geen Oosters concept met vergelijkbaar belang gevonden. Met betrekking tot karma en keuze werd getoond dat deze bestaan uit een subjectieve oorzaak, een objectieve oorzaak, een objectief effect en een subjectief effect.3 Dit terwijl in hedendaagse algemene opvattingen keuze vaak als enkel subjectieve oorzaak wordt gezien en karma enkel als objectief effect. Dat in zijn hedendaagse algemeenheid keuze wordt beschouwd als subjectieve oorzaak en karma als objectief effect betekent dat in die hedendaagse algemeenheid keuze als niet identiek aan karma wordt gezien en dat daarmee beide onafhankelijk van elkaar beschouwd kunnen worden. Wanneer keuze dan onafhankelijk als subjectieve oorzaak beschouwd wordt dan resulteert dit veelal in het beschouwen van de objectieve oorzaak als objectief effect. Dit is moreel problematisch. Want wanneer iemand met zulke opvattingen er voor kiest om bijvoorbeeld een persoon te beroven dan zal hij het verkrijgen van de buit zien als het directe objectieve effect van zijn keuze. Dit terwijl dit verkrijgen van de buit in werkelijkheid slechts de objectieve oorzaak betreft van wat zich later zal uitwerken in werkelijke objectieve en subjectieve effecten. Met het beschouwen van keuze als enkel bestaande uit een subjectieve oorzaak en karma als enkel bestaande uit een objectief effect worden deze twee begrippen dus losgekoppeld van elkaar waarbij ook de mogelijkheid ontstaat om de een of de ander te ontkennen. Dit zien we vooral bij materialisten en empiristen die metafysische terugslag (en daarmee hun hedendaags algemene conceptie van karma) verwerpen. Hier willen we echter nogmaals benadrukken dat hetgeen wordt waargenomen als direct objectief effect van een subjectieve keuze in werkelijkheid slechts een objectieve oorzaak betreft. Het werkelijke objectieve effect doet zich doorgaans niet direct voor. Deze interval tussen oorzaak en effect in keuze is doorgaans zelfs zo groot dat oorzaken van de ene incarnatie pas effectief worden in de andere incarnatie.

Deze gedachte is vervat in de Hindoeïstische opvattingen over karma. Daar wordt onderscheid gemaakt tussen samchit, prārabdha en āgāmi karma.4 Samchit karma betreft al het karma dat nog moet worden uitgewerkt, prārabdha is het karma dat bezig is met uitgewerkt te worden, en āgāmi karma is het karma dat in de toekomst nog gemaakt zal worden. Dit concept van samchit karma toont dat de mens doorgaans nog een en ander aan karma op de plank heeft liggen. Dit wordt ook bevestigd door de filosofie van Alice Bailey. De weg van de mens die begint bij individualisering en eindigt bij intreding in het spirituele rijk,5, 6 ofwel de weg van karma naar dharma, is lang. En het is te veronderstellen dat op die lange weg veel karma is veroorzaakt en dat niet al het veroorzaakte karma direct geeffectueerd zal zijn. Het is met name in de lange fase alvorens het spirituele pad betreden wordt dat karma wordt gemaakt, en in de fase op het spirituele pad dat karma wordt afgewerkt.7 Laten we dit visualiseren in een figuur (dat mogelijk doet denken aan figuur 3 uit ‘The Spiral of Realization’).8

De Karmische Spiraal 1

Figuur 1.

In figuur 1 zien we een spiraal op een horizontale en verticale as. De horizontale as geeft de tijd ‘t’ aan. De verticale as duidt het karma ‘k’ aan. Goed / plezierig karma wordt aangeduid met ‘k+’ en slecht / onplezierig karma met ‘k-‘. Het nulpunt van karma, dat gelijk staat aan dharma, wordt aangeduid met ‘d’. We zien dat tussen de punten 1 en 2 er een maximaal negatief karma wordt veroorzaakt of aangemaakt. Tussen de punten 2 en 3 wordt dit maximaal negatieve karma geeffectueerd of uitgewerkt. Tussen 3 en 4 wordt een maximaal positief karma aangemaakt en tussen 4 en 5 uitgewerkt. Tussen 5 en 6 wordt een modaal negatief karma aangemaakt en tussen 6 en 7 uitgewerkt. Tussen 7 en 8 wordt een modaal positief karma aangemaakt en tussen 8 en 9 uitgewerkt. Tussen de punten 9 en X tenslotte wordt geen karma aangemaakt of uitgewerkt maar is dharma aan de orde.

Hier moet benadrukt worden dat figuur 1 hier gebruikt wordt als symbool en niet als statistiek. Hierbij symboliseert punt 1 het moment van individualisatie en intrede in het mensenrijk. De periode tussen 1 en 5 symboliseert de mens alvorens hij het spirituele pad heeft betreden. Dit betreft de langstdurende periode. In die periode zijn karma en de afstand tot dharma (de amplitude) maximaal. De periode waarin de mens het spirituele pad begaat, gesymboliseerd door de periode tussen 5 en 9, is aanzienlijk korter. Gedurende die periode is de aanmaak en uitwerking van karma modaal en wordt dharma genaderd. Punt 9 symboliseert de overgang van het mensenrijk naar het spirituele rijk. Daar, als meester van wijsheid, wordt geen nieuw karma aangemaakt of uitgewerkt maar is continue dharma aan de orde.

Verder geeft figuur 1 goed weer dat goed / plezierig karma wordt voorafgegaan door slecht / onplezierig karma, en dat op goed / plezierig karma dharma volgt. Dit ligt in lijn met de ontwikkeling die de mens volgt doorheen de guṇa’s naar nirguṇa.9 Hierbij correspondeert slecht / onplezierig karma met tamas en rajas, goed / plezierig karma met sattva, en dharma met nirguṇa. De mens neigt er eerst toe om uit onwetendheid slecht karma te veroorzaken. Wanneer dit karma dan wordt geeffectueerd wordt pijn ervaren en leert de mens het veroorzaken van slecht karma te vermijden. Wat volgt is dan het veroorzaken van goed karma. Dit levert weliswaar plezierige ervaringen op, doch de vluchtigheid ervan doet de mens de relativiteit van goed karma inzien. De mens betreedt dan het spirituele pad om karma te vermijden en af te werken en dharma te realiseren.

Nu kan opgemerkt worden dat figuur 1 niet goed weergeeft dat tijdens de periode voor het spirituele pad betreden wordt vooral karma wordt gemaakt en dat tijdens het spirituele pad dit vooral wordt afgewerkt. Die opmerking is op zich terecht, want dit valt niet goed af te lezen in figuur 1. Wat dat betreft is figuur 2 meer accuraat.

De Karmische Spiraal 2

Figuur 2.

Figuur 2 toont hoe de mens op punt 4 het spirituele pad al heeft betreden terwijl hij tussen 4 en 6 nog karma moet afwerken dat hij heeft gemaakt tussen 3 en 4, voordat hij het spirituele pad betrad.10 Wat verder opgemerkt moet worden, en dit was ook al in figuur 1 te zien, is dat de amplitude van karma op het spirituele pad afneemt maar dat de frequentie toe neemt. Dit houdt in dat hoewel er minder karma wordt gemaakt het karma wel sneller wordt afgewerkt. Er zullen zich bijgevolg op het spirituele pad minder levenscyclussen voordoen waarbij helemaal geen karma wordt afgewerkt. Voor het spirituele pad betreden werd was de frequentie laag en konden hele levens geleefd worden waarbij alleen maar karma werd aangemaakt. Dit zal zich op het spirituele pad dus minder gauw voordoen. Stel bijvoorbeeld dat de lengte tussen de punten 1 en 2 op lijn t één incarnatie voorstelt. Dan zien we hoe iemand voordat hij het spirituele pad betreedt een hele incarnatie kan wijden aan het maken van keuzes, ofwel aan het vrijelijk veroorzaken van karma, maar dat iemand op het spirituele pad in iedere incarnatie minstens enige hoeveelheid karma uit zal werken, en soms, zoals in geval van de incarnatie die lijn t tussen 4 en 6 beslaat, heel veel. Tenslotte moet bedacht worden dat karmische lijnen in werkelijkheid niet zo rechtlijnig lopen als dat ze in de figuren gesymboliseerd worden waardoor een perfect overzicht onmogelijk is te tekenen. Zo lijkt figuur 2 weer te geven dat tijdens het spirituele pad enkel positief (dus plezierig) karma wordt afgewerkt, maar dat is zeker niet het geval. De figuren zijn dan ook alleen getekend om begripsvorming van enkele algemene principes met betrekking tot keuze en karma te ondersteunen.

Moge dat laatste met het tekenen van deze karmische spiraal dan worden bereikt.

Noten
  1. ‘Destiny, Choice and Accidence Contextualized in the ageless wisdom’, Index: 201309091.
  2. ‘Karma and Dharma and Choice and Fate’, Index: 201608291.
  3. ‘Choice and Karma’, Index: 201607111.
  4. Sri Swami Sivananda, All About Hinduism, The Divine Life Society, Shivanandanagar,1999,  p. 47.
  5. Alice A. Bailey, ‘Initiation, Human and Solar’, in: Twenty-Four Books of Esoteric Philosophy, (CD-ROM, Release 3), Lucis Trust, London / New York, 2001, Ch. XVII, Major and Minor Initiations. “In dealing with this question of the diversities of initiations it may be of value to the student to remember that the great moment in which a man passed out of the animal kingdom into the human, which is called in many occult textbooks the "moment of individualisation," was in itself one of the greatest of all initiations.  Individualisation is the conscious apprehension by the self of its relation to all that constitutes the not-self, and in this great initiatory process, as in all the later ones, the awakening of consciousness is preceded by a period of gradual development; the awakening is instantaneous at the moment of self-realisation for the first time, and is always succeeded by another period of gradual evolution.  This period of gradual evolution, in its turn leads up to a later crisis which is called Initiation.  In the one case, we have initiation into self-conscious existence, in the other, initiation into spiritual existence.”
  6. Zie ook: ‘Ageless Wisdom, Classifications of Humanity’, Index: 201404081.
  7. Alice A. Bailey, ‘A Treatise on Cosmic Fire’, in: Twenty-Four Books of Esoteric Philosophy, (CD-ROM, Release 3), Lucis Trust, London / New York, 2001, Section Two, Introductory Questions, IX, f. “As man progresses and as he enters upon the Probationary Path and the subsequent Path of Initiation, he succeeds in bringing about some further noticeable developments. […]. 3. He ceases to make karma in the three worlds, but begins to work it off, or, literally, to "wind up his affairs."”
  8. ‘The Spiral of Realization’, Index: 201109261.
  9. Sri Ramakrishna in: Mahendranath Gupta, The Gospel of Sri Ramakrishna, Volume I, translated by Swami Nikhilananda, Sri Ramakrishna Math, Chennai, undated, p. 267. “But Brahman is beyond the three gunas. It is beyond Prakriti. "None of the three gunas can reach Truth; they are like robbers, who cannot come to a public place for fear of being arrested. Sattva, rajas, and tamas are like so many robbers.”
  10. The Gospel of Sri Ramakrishna, Volume I, p. 477. “A DEVOTEE: "Does the body remain even after the realization of God?"
    MASTER: "The body survives with some so that they may work out their prarabdha karma or work for the welfare of others.”
Bibliografie
  • ‘Choice and Karma’, Index: 201607111.
  • ‘Destiny, Choice and Accidence Contextualized in the Secret Wisdom Teaching’, Index: 201309091.
  • ‘Karma and Dharma and Choice and Fate’, Index: 201608291.
  • ‘Ageless Wisdom, Classifications of Humanity’, Index: 201404081.
  • ‘The Spiral of Realization’, Index: 201109261.
  • Alice A. Bailey, ‘A Treatise on Cosmic Fire’, in: Twenty-Four Books of Esoteric Philosophy, (CD-ROM, Release 3), Lucis Trust, London / New York, 2001.
  • Alice A. Bailey, ‘Initiation, Human and Solar’, in: Twenty-Four Books of Esoteric Philosophy, (CD-ROM, Release 3), Lucis Trust, London / New York, 2001.
  • Mahendranath Gupta, The Gospel of Sri Ramakrishna, Volume I, translated by Swami Nikhilananda, Sri Ramakrishna Math, Chennai, undated.
  • Sri Swami Sivananda, All About Hinduism, The Divine Life Society, Shivanandanagar,1999.