ARVINDUS

Het Gospel van Sri Ramakrishna

16 Oktober 1882

16 OKTOBER 1882

Het was maandag, een paar dagen voor de Durgā Pujā, het festival van de Heilige Moeder. Sri Ramakrishna was in een erg blije staat van zijn, want Narendra was bij hem. Narendra had twee of drie jonge leden van de Brāhmo Samāj meegebracht naar de tempeltuin. Naast hen waren Rakhal, Ramlal, Hazra en M. bij de Meester.

Narendra had zijn middagmaal met Sri Ramakrishna. Daarna werd een tijdelijk bed gemaakt op de vloer van de kamer van de Meester zodat de discipelen een tijdje konden rusten. Een mat was gespreid waarover een sprei met een wit laken was gelegd. Een paar kussens completeerde het eenvoudige bed. Als een kind zat de Meester naast Narendranath op het bed. Hij praatte met de toegewijden met veel plezier. Met een stralende glimlach die zijn gezicht verlichtte en zijn ogen gefixeerd op Narendra gaf hij ze diverse spirituele leringen, deze afwisselend met incidenten uit zijn eigen leven.

Meester: “Nadat ik samādhi had ervaren had mijn denken de intense behoefte om alleen over God te horen. Ik zocht altijd naar plaatsen waar ze de heilige boeken reciteerden of uitlegden, zoals de Bhāgavata, de Mahābhārata en de Adhyātma Rāmāyana. Ik ging naar Krishnakishore om hem de Adhyātma Rāmāyana te horen lezen.

“Wat had Krishnakishore een enorm geloof! Eens, terwijl in Vrindāvan, was hij dorstig en ging naar een put. Ernaast zag hij een man staan. Gevraagd om een beetje water voor hem te putten zei de man: ‘Ik behoor tot een lage kaste, mijnheer. U bent een brāhmin. Hoe kan ik water voor u putten?’ Krishnakishore zei: ‘Neem de naam van Śiva. Door Zijn heilige naam te herhalen maak je jezelf zuiver.’ De lage-kaste-man deed wat hem werd verteld en Krishnakishore, orthodox brāhmin dat hij was, dronk dat water. Wat een enorm geloof!

“Er kwam eens een heilige man naar de oever van de Ganges en leefde naast de bad-ghāt bij Āriādaha, niet ver van Dakshineswar. We wilden hem een bezoek brengen. Ik zei tegen Haladhari: ‘Krishnakishore en ik gaan een heilige man bezoeken. Kom je met ons mee?’ Haladhari antwoordde, ‘Wat is het nut van het bezoeken van een gewoon menselijk lichaam, wat niet beter is dan een kooi van klei?’ Haladhari was een student van de Gītā en Vedānta-filosofie en refereerde daarom aan de heilige man als een gewone ‘kooi van klei’. Ik herhaalde dit aan Krishnakishore. Met grote boosheid zei hij: ‘Wat brutaal van Haladhari om zo’n opmerking te maken! Hoe kan hij het lichaam belachelijk maken als een “kooi van klei” van een man die constant aan God denkt, die mediteert op Rāma en alles heeft verzaakt voor de Heer? Weet hij niet dat zo’n man de belichaming is van Geest?’ Hij was zo boos door Haladhari’s opmerkingen dat hij weg keek van hem wanneer hij hem ontmoette in de tempeltuin en hij stopte met hem te spreken.

“Eens vroeg Krishnakishore me, ‘Waarom heb je de heilige draad afgedaan?’ In die dagen van God-visie voelde ik me alsof ik door de grote storm van Āświn1 ging en alles van me weg was gewaaid. Er was geen spoor van mijn oude zelf over. Ik verloor alle bewustzijn van de wereld. Ik kon nauwelijks mijn kleren aan mijn lichaam houden, om maar niet te spreken van de heilige draad! Ik zei tegen Krishnakishore, ‘Ah, je zal het begrijpen als je ooit zo bezeten van God zal zijn als ik was.’

“En het gebeurde zelfs. Hij ging ook door een God-bezeten staat toen hij alleen het woord ‘Om’ herhaalde en zichzelf alleen op sluitte in zijn kamer. Zijn familie dacht dat hij eigenlijk gek was en lieten een dokter komen. ‘Genees me, mijnheer, van mijn ziekte, als u dat wilt, maar niet van mijn Om.’ (Allen lachen.)

“Op een dag ging ik hem bezoeken en vond hem in een peinzende stemming. Toen ik hem ernaar vroeg zei hij: ‘De belastingontvanger was hier. Hij dreigde me mijn koperen potten, mijn koppen en mijn enkele gebruiksvoorwerpen in te nemen als ik hem de belasting niet zou betalen; dus ben ik ongerust.’ Ik zei: ‘Maar waarom zou je er je zorgen over maken? Laat hem je potten en pannen weg nemen. Laat hem zelfs je lichaam arresteren. Hoe zal dat jou beïnvloeden? Want jouw natuur is die van Kha!’ (Narendra en de anderen lachen.) Hij had de gewoonte om tegen me te zeggen dat hij de Geest was, allesdoordringend als de lucht. Hij had dat idee gekregen van de Adhyātma Rāmāyana. Ik plaagde hem nu en dan, hem adresserend als ‘Kha’. Daarom zei ik tegen hem die dag, met een glimlach: ‘Jij bent Kha. Belastingen kunnen je niet bewegen!’

“In die staat van God-bezetenheid gaf ik mijn mening aan allen. Ik was geen respecteerder van personen. Zelfs tegen mannen van statuur was ik niet bang om de waarheid te spreken.

“Op een dag kwam Jatindra2 naar de tuin van Jadu Mallick. Ik was er ook. Ik vroeg hem: ‘Wat zijn de plichten van de mens? Is het niet onze plicht om aan God te denken?’ Jatindra antwoordde: ‘We zijn wereldlijke mensen. Hoe is het mogelijk voor ons om bevrijding te bereiken? Zelfs koning Yudhisthira moest een visioen van de hel hebben.’ Dit maakt me erg boos. Ik zei tegen hem: ‘Wat ben jij voor een man? Van alle incidenten van Yudhisthira’s leven herinner je alleen zijn zien van de hel. Je herinnert niet zijn eerlijkheid, zijn verdraagzaamheid, zijn geduld, zijn onderscheidingsvermogen, zijn dispassie, zijn devotie aan God.’ Ik stond op het punt veel meer dingen te zeggen toen Hriday me stopte. Na even verliet Jatindra de plaats, zeggend dat hij aandacht aan andere zaken moet schenken.

“Veel dagen later ging ik met Captain op bezoek bij Rājā3 Sourindra Tagore. Zo gauw ik hem ontmoette zei ik, ‘Ik kan je niet adresseren als “Rājā”, of enige vergelijkbare titel, want dan zou ik een leugen vertellen.’ Hij sprak een paar minuten met me, maar zelfs toen werd onze conversatie onderbroken door de frequente bezoeken van Europeanen en anderen. Als man met rājasisch temperament was Sourindra van nature druk bezig met veel dingen. Jatindra, zijn oudste broer, was verteld over mijn bezoek, maar hij liet weten dat hij pijn in zijn keel had en niet naar buiten kon gaan.

“Op een dag ging ik in die staat van heilige bezetenheid naar de bad-ghāt aan de Ganges in Barānagore. Daar zag ik Jaya Mukherji de naam van God herhalend; maar zijn denken was bij iets anders. Ik ging omhoog en klapte hem twee keer op de wangen.

“Eens verbleef Rāni Rasmani in de tempeltuin. Ze kwam naar het altaar van de Heilige Moeder, zoals ze frequent deed wanneer ik Kāli aanbad, en vroeg me om enkele liederen te zingen. In dit geval, terwijl ik aan het zingen was, zag ik dat ze afwezig bloemen aan het sorteren was voor aanbidding. Ik sloeg haar onmiddellijk op de wangen. Ze werd nogal beschaamd en zat daar met gevouwen handen.

“Zelf gealarmeerd door deze zijnstoestand zei ik tegen mijn neef Haladhari: ‘Kijk nu eens naar mijn aard! Hoe kan ik er vanaf komen?’ Na enige tijd gebeden te hebben tot de Heilige Moeder met grote hunkering was ik in staat om deze gewoonte af te schudden.

“Wanneer men in zo’n zijnstoestand komt geniet men van geen enkele conversatie dan die over God. Ik huilde wanneer ik mensen hoorde praten over wereldlijke zaken. Toen ik Mathur Babu vergezelde op een pelgrimage spendeerden we een paar dagen in Benares in Raja Babu’s huis. Op een dag was ik gezeten in de zitkamer met Mathur Babu, Raja Babu en anderen. Hen horende praten over diverse wereldlijke dingen, zoals hun zakelijke verliezen en dergelijke, huilde ik bitter en zei tegen de Heilige Moeder: ‘Moeder, waar heeft U me heengebracht? Ik was veel beter af in de tempeltuin in Dashineswar. Hier ben ik op een plaats waar ik moet horen over “vrouwen en goud”. Maar in Dakshineswar kon ik dat vermijden.’”

De Meester vroeg de toegewijden, vooral Narendra, om een tijdje te rusten en ging zelf liggen op de kleinere bank.

Later in de namiddag zong Narendra. Rakhal, Latu,4 M., Hazra en Priya, Narendra’s Brāhmo-vriend, waren aanwezig. Het zingen werd begeleid door de drum:

Mediteer, o mijn denken, op de Heer Hari,
De onbevlekte, pure Geest, door en door.
Hoe weergaloos is het licht dat in Hem schijnt!
Hoe zielenbetoverend is Zijn wonderlijke vorm!
Hoe dierbaar is Hij voor al Zijn toegewijden! …

Na dit lied zong Narendra:

Oh, wanneer zal voor mij die dag komen van zegen
Wanneer Hij die volledig Goedheid, volledig Schoonheid en volledig Waarheid is
Het innerlijkste altaar van mijn hart zal ontsteken?
Wanneer zal ik eindelijk, Hem voor altijd ziend, verzinken
In die Oceaan van Vreugde?
Heer, als Oneindige Wijsheid zult U mijn ziel binnen gaan,
En mijn onrustige denken, sprakeloos gemaakt door Uw aangezicht,
Zal een haven aan voeten vinden.
In het firmament van mijn hart, o Heer, zult U oprijzen
Als gelukzalige onsterfelijkheid;
En zoals, wanneer de chakora de oprijzende maan ziet,
Hij rond speelt uit pure vreugde,
Zo zal ik ook vervuld worden van hemels geluk
Wanneer U aan mij verschijnt.

U, Ene zonder een Tweede, alle Vrede, de Koning van Koningen!
Aan Uw geliefde voeten zal ik mijn leven overgeven
En zo eindelijk het doel van het leven bereiken;
Ik zal de gelukzaligheid van de hemel genieten terwijl nog steeds op aarde!
Waar anders wordt zo’n zeldzame gunst gegeven?
Dan zal ik Uw glorie aanschouwen, puur en onaangeraakt door vlekken;
Zoals duisternis vlucht voor licht, zo zullen mijn duisterste zonden
Me verlaten bij de dagenraad van Uw benadering.
Ontbrand in mij, o Heer, het vlammende vuur van geloof
Om de poolster van mijn leven te zijn;
O Toevlucht van de zwakken, vervul mijn ene wens!
Dan zal ik zowel op de dag als in de nacht baden
In de grenzeloze gelukzaligheid van Uw Liefde, en mezelf
Gewoon vergeten, o Heer, U bereikend.

Narendra zong opnieuw:

Met stralend gezicht; chant de zoete naam van God
Tot in je hart de nectar overstroomt.
Drink er onophoudelijk van en deel het met allen!
Wanneer je hart ooit opdroogt, opgedroogd door de vlammen
Van wereldlijke begeerte, chant dan de zoete naam van God,
En hemelse liefde zal je droge ziel bevochtigen.

Wees er zeker van, o denken, dat je nooit vergeet
Zijn heilige naam te chanten; wanneer je in aangezicht met gevaar bent,
Roep Hem aan, je Mededogende Vader;
Met de donder van Zijn naam, breek je de ketenen van zonde!
Kom, laten we de verlangens van onze harten vervullen
Door diep te drinken van de Altijddurende Vreugde,
Eén gemaakt met Hem in de pure extase van Liefde.

Nu begonnen Narendra en de toegewijden kirtan te zingen, begeleid door de drum en de cymbalen. Ze bewogen rond en rond de Meester terwijl ze zongen:

Dompel jezelf voor altijd onder, o denken,
In Hem die de Pure Kennis en Pure Gelukzaligheid is.

Daarna zongen ze:

Oh, wanneer zal voor mij de dag komen van zegen
Wanneer Hij die volledig Goedheid, volledig Schoonheid en volledig Waarheid wordt genoemd
Het innerlijkste altaar van mijn hart zal verlichten? …

Tenslotte bespeelde Narendra zelf de drums en hij zong met de Meester, vol van vreugde:

Chant met een stralend gezicht de zoete naam van God …

Toen de muziek voorbij was hield Sri Ramakrishna Narendra lange tijd in zijn armen en zei, “Je hebt ons erg blij gemaakt vandaag!” De sluisdeur van het hart van de Meester was zo wijd open die nacht dat hij zichzelf nauwelijks kon inhouden van vreugde. Het was acht uur in de avond. Bedwelmd door heilige liefde stapte hij over de lange veranda ten Noorden van zijn kamer. Nu en dan kon je horen dat hij praatte met de Heilige Moeder. Plotseling zei hij met een opgewonden stem, “Wat kun je me aandoen?” Gaf de Meester een hint dat māyā hulpeloos was tegen hem omdat hij de Heilige Moeder als steun had?

Narendra, M. en Priya gingen de nacht doorbrengen in de tempeltuin. Daar was de Meester erg tevreden over, vooral omdat Narendra bij hem zou zijn. De Heilige Moeder,5 die in de nahabat leefde, had het diner klaargemaakt. Surendra6 droeg het merendeel van de onkosten van de Meester. Het maal was klaar en de borden werden klaargezet op de Zuid-Oost-veranda van de kamer van de Meester.

Nabij de Oost-deur van zijn kamer waren Narendra en de andere toegewijden aan het roddelen.

Narendra: “Wat vind je van de jongemannen vandaag de dag?”

M: “Ze zijn niet slecht; maar ze ontvangen geen enkele religieuze instructies.”

Narendra: “Maar uit mijn ervaring denk ik dat ze naar de knoppen gaan. Ze roken sigaretten, geven toe aan frivole gesprekken, genieten van fatterigheid, hangen doelloos rond en doen vanalles van die aard. Ik heb ze bedenkelijke plaatsen zien bezoeken.”

M: “Ik heb zulke dingen niet gezien tijdens onze studententijd.”

Narendra: Misschien heb je je niet intiem met de studenten ingelaten. Ik heb ze zien praten met mensen met een immoreel karakter. Misschien zijn ze intiem met hen.”

M: “Het is inderdaad vreemd.”

Narendra: “Ik weet dat veel van hen slechte gewoonten vormen. Het zou goed zijn als de hoeders van de jongens en de autoriteiten hun ogen op deze zaken hielden.

Zo waren ze aan het praten toen Sri Ramakrishna naar ze toe kwam en met een glimlach vroeg, “Wel, waar hebben jullie het over?”

Narendra: “Ik vroeg M. over de jongens in de scholen. Het gedrag van studenten is vandaag de dag helemaal niet zoals het zou horen.”

De Meester werd ernstig en zei nogal serieus tegen M.: “Dit soort conversatie is niet goed. Het is niet wenselijk om je in te laten met enige praat behalve over God. Jij bent hun senior en jij bent intelligent. Je had ze niet moeten aanmoedigen om over zulke zaken te praten.”

Narendra was toen ongeveer negentien jaar oud en M. ongeveer achtentwintig.

Zo berispt voelde M. zich beschaamd en de anderen werden ook stil.

Terwijl de toegewijden genoten van hun maal stond Sri Ramakrishna erbij en keek naar ze met een intens plezier. Die nacht was de vreugde van de Meester erg groot.

Na het diner rustten de toegewijden op de mat die op de vloer van de kamer van de Meester was gespreid. Ze begonnen met hem te praten. Het was inderdaad een bal van vreugde. De Meester vroeg Narendra om het lied te zingen dat begint met de regel: “Aan het firmament van Wijsheid rijst de maan van Liefde volledig.”

Narendra zong en andere toegewijden bespeelden de drums en cymbalen:

Aan het firmament van Wijsheid rijst de maan van Liefde volledig,
En de vloed van Liefde vloeit in oprijzende golven overal.
O Heer, zo vol van gelukzaligheid als U bent! Glorie aan U!

Aan alle zijden schijnen toegewijden, als sterren rond de maan;
Hun Vriend, de Heer speelt met hen vol genade en vreugdevol.
Aanschouw! De poorten van het paradijs zijn vandaag wijd open.

De zachte lentewind van de Nieuwe Dag doet verse golven van vreugde opkomen;
Zachtjes dragen ze naar de aarde de geur van God’s Liefde,
Totdat alle yogi’s, dronken van gelukzaligheid, verloren zijn in extase.

Aan de zee van de wereld ontvouwt zich de lotus van de Nieuwe Dag,
En daar zit de Moeder tronend in gelukzalige majesteit.
Zie hoe de bijen gek zijn van vreugde, de nectar daar nippend!

Aanschouw het stralende gezicht van de Moeder die de harten zo betovert
En het universum bekoort! Rond Haar Lotusvoeten
Dansen groepen van extatische heilige mannen met vreugde.

Wat een ongeëvenaarde liefelijkheid bezit Ze! Wat een oneindige inhoud doordringt het hart wanneer Ze verschijnt! O broeders, zegt Premdās,
Ik smeek jullie nederig, allemaal, om de lof aan de Moeder te bezingen!

Sri Ramakrishna zong en danste en de toegewijden dansten rond hem.

Toen het lied klaar was liep de Meester op en neer op de Noord-Oost-veranda waar Hazra met M. zat. De Meester zat daar neer. Hij vroeg een toegewijde, “Heb je ooit dromen?”

Toegewijde: “Ja mijnheer. Laatst droomde ik een vreemde droom. Ik zag de hele wereld ondergedompeld in water. Er was water aan alle zijden. Een paar boten waren zichtbaar, maar plotseling verschenen enorme golven en deden ze zinken. Ik stond op het punt om aan boord van een schip te gaan met een paar anderen toen we een brāhmin over dat uitgebreide water zagen lopen. Ik vroeg hem, ‘Hoe kun je over de diepte lopen?’ De brāhmin zei met een glimlach: ‘Oh, dat is niet moeilijk. Er is een brug onder water.’ Ik zei tegen hem, ‘Waar ga je heen?’ ‘Naar Bhawānipur, de stad van de Heilige Moeder’, antwoordde hij. ‘Wacht even’, riep ik. ‘Ik zal met je mee gaan.’”

Meester: “Oh, ik vind het geweldig om het verhaal te horen!”

Toegewijde: “De brāhmin zei: ‘Ik heb haast. Het zal je wat tijd kosten om uit de boot te komen. Goedendag. Onthoud dit pad en volg me.’”

Meester: “Oh, ik heb kippenvel! Laat je zo snel mogelijk inwijden door een guru.”

Kort voor middernacht lagen Narendra en de andere toegewijden op een bed gemaakt op de vloer van de kamer van de Meester.

Bij zonsopkomst waren enkele van de toegewijden op. Ze zagen de meester, naakt als een kind, op en neer door de kamer stappen, de namen van de diverse goden en godinnen herhalend. Zijn stem was zoet als nectar. Dan keek hij naar de Ganges, dan stopte hij voor de foto’s die aan de muur hingen en boog voor ze, al die tijd de heilige namen chanted met zijn zoete stem. Hij chante: “Veda, Purāna, Tantra: Gītā, Gāyatri; Bhāgavata, Bhakta, Bhagavān.” Refererend aan de Gītā herhaalde hij vele keren, “Tāgi, tāgi, tāgi.”7 Nu en dan zei hij: “O Moeder, U bent waarlijk Brahman, en U bent waarlijk de vierentwintig kosmische principes.”

Intussen was de ochtenddienst begonnen in de tempels van Kāli en Rādhākānta. Geluiden van schelphoorns en cymbalen werden meegevoerd door de wind. De toegewijden gingen buiten de kamer en zagen de priesters en bedienden bloemen verzamelen in de tuin voor de heilige dienst in de tempels. Vanuit de nahabat dreef de zoete melodie van muziekinstrumenten, passend bij de ochtenduren.

Narendra en de andere toegewijden voltooiden hun ochtenddiensten en kwamen bij de Meester. Met een lieve glimlach op zijn lippen stond Sri Ramakrishna op de Noord-Oost-veranda, dicht bij zijn eigen kamer.

Narendra: “We zagen een aantal sannyāsis behorende tot de sekte van Nānak in de Panchavati.”

Meester: “Ja, ze arriveerden hier gisteren. (Tot Narendra) Ik wil jullie graag allemaal samen zien zitten op de mat.”

Terwijl ze op de mat zaten keek de Meester naar hen met duidelijk plezier. Daarna begon hij met ze praten. Narendra vroeg naar spirituele discipline.

Meester: “Bhakti, liefde voor God, is de essentie van alle spirituele discipline. Via liefde verkrijgt men verzaking en onderscheidingsvermogen op natuurlijke wijze.”

Narendra: “Is het niet zo dat de Tantra spirituele discipline voorschrijft in het gezelschap van een vrouw?”

Meester: “Dat is niet wenselijk. Het is een erg moeilijk pad en leidt vaak tot het falen van de aspirant. Er zijn drie van dergelijke disciplines. Men kan de vrouw8 zien als minnares of men kan zichzelf zien als haar dienares of als haar kind. Ik kijk naar een vrouw als mijn moeder. Jezelf zien als haar dienares is ook goed; maar het is extreem moeilijk om spirituele discipline te praktiseren terwijl men de vrouw beziet als minnares. Zichzelf zien als haar kind is een erg zuivere houding.”

De sannyāsis behorende tot de sekte van Nānak traden de kamer binnen en groetten de Meester met “Namo Nārāyanāya.”9 Sri Ramakrishna vroeg ze om te gaan zitten.
Meester: “Niets is onmogelijk voor God. Niemand kan Zijn aard in woorden beschrijven. Alles is mogelijk voor Hem. Op een bepaalde plaats leefden twee yogi’s die spirituele discipline praktiseerden. De wijze Nārada kwam op een dag voorbij. Realiserend wie hij was zei één van de yogi’s: ‘Je bent gewoon van God Zelf gekomen. Wat doet Hij nu?’ Nārada antwoordde: ‘Wel, ik zag Hem kamelen en olifanten door het oog van een naald laten passeren en herpasseren.’ Daarop zei de yogi: ‘Is dat iets verbazingwekkends? Alles is mogelijk voor God.’ Maar de andere yogi zei: ‘Wat? Olifanten door het oog van een naald laten passeren – is dat zelfs mogelijk? Je bent nooit in de verblijfplaats van de Heer geweest.’”

Om negen uur in de ochtend, terwijl de Meester nog steeds in zijn kamer zat, arriveerde Manomohan uit Konnagar met enkele leden van zijn familie. Als antwoord op de vriendelijke vragen van Sri Ramakrishna legde Manomohan uit dat hij ze mee nam naar Calcutta. De Meester zei: “Vandaag is de eerste dag van de Bengali-maand, een ongunstige dag voor het ondernemen van een reis. Ik hoop dat alles goed zal gaan met je.” Met een glimlach begon hij over andere zaken te praten.

Toen Narendra en zijn vrienden klaar waren met baden in de Ganges zei de Meester ernstig tegen ze “Ga naar de Panchavati en mediteer daar onder de banyan-boom. Zal ik je iets geven om op te zitten?”

Rond half elf mediteerden Narendra en zijn Brāhmo-vrienden in de Panchavati. Na een tijdje kwam Sri Ramakrishna bij hen. M. was ook aanwezig.

De Meester zei tegen de Brāhmo-toegewijden: “In meditatie moet men opgenomen zijn in God. Kun je de edelstenen bereiken die op de boden van de zee liggen wanneer je aan het oppervlak blijft drijven?”

Daarna zong hij:

De naam van Kāli nemend, duik diep naar beneden, o denken,
In de ondoorgrondelijke diepten van het hart,
Waar veel kostbare edelstenen verborgen liggen.
Maar geloof nooit dat de bedding van de oceaan edelstenen ontbeert
Wanneer je in de eerste paar duikingen faalt;
Met ferme vastberadenheid en zelfcontrole;
Duik diep en vind je weg naar het domein van Moeder Kāli.

Beneden in de oceaandiepten van hemelse Wijsheid liggen
De wonderbaarlijke paarlen van Vrede, o denken;
En jij kunt ze zelf verzamelen,
Als je maar pure liefde hebt en de schriftuurregels volgt.
Binnen die oceaandiepten loeren ook
De zes alligators10 – lust, boosheid en de rest –
Zwemmend op zoek naar prooi.
Smeer jezelf in met de geelwortel van onderscheidingsvermogen;
De geur daarvan zal je beschermen tegen hun kaken.
Op de oceaanbedding liggen in lijn
Talloze paarlen en waardevolle edelstenen;
Neem een duik, zegt Rāmprasād, en verzamel daar handen vol!

Narendra en zijn vrienden kwam van hun zittingen op het verhoogde platform van de Panchavati en stonden naast de Meester. Hij ging terug met hen naar zijn kamer. De Meester vervolgde: “Wanneer je in het water van de oceaan springt kun je aangevallen worden door alligators. Maar ze zullen je niet aanraken als je lichaam is ingesmeerd met geelwortel. Er zijn zonder twijfel zes alligators – lust, boosheid, gierigheid enzovoort – in je, in de ondoorgrondelijke diepten van het hart. Maar bescherm jezelf met de geelwortel van onderscheidingsvermogen en verzaking, en ze zullen je met rust laten.

“Wat kun je bereiken met slechts lezingen en studie zonder onderscheidingsvermogen en passieloosheid? God alleen is echt, en al het andere is onecht. God alleen is substantie en al het andere is non-entiteit. Dat is onderscheidingsvermogen.

“Installeer ten eerste God in het altaar van je hart en lever dan lezingen af zoveel als je wilt. Wat zal slechts de herhaling van ‘Brahma’ baten als je niet doordrenkt bent met onderscheidingsvermogen en passieloosheid? Het is het lege geluid van een schelphoorn.

“In een dorp leefde een jongeman genaamd Padmalochan. Mensen noemden hem verkort ‘Podo’. In dit dorp was er een tempel in een erg vervallen conditie. Hij bevatte geen beeltenis van God. Aśwattha en andere planten ontspruitten op de ruïnes van zijn muren. Binnen leefde vleermuizen en de vloer was bedekt met stof en de uitwerpselen van de vleermuizen. De mensen uit het dorp waren gestopt met het bezoeken van de tempel. Op een dag na de schemer hoorden de dorpelingen het geluid van een schelphoorn uit de richting van de tempel. Ze dachten dat iemand misschien een beeltenis in het altaar had geïnstalleerd en de avondaanbidding uitvoerde. Eén van hen opende zachtjes de deur en zag Padmalochan in een hoek staan, op de hoorn blazend. Er was geen beeltenis geïnstalleerd. De tempel was niet geveegd of gepoetst. En vuil en viezigheid lagen overal. Toen riep hij naar Podo:

Je hebt hier geen beeltenis geïnstalleerd,
Binnen het altaar, o dwaas!
Blazend op de hoorn maak je eenvoudigweg
De wanorde meer verwarrend.
Dag en nacht schreeuwen daar
Elf vleermuizen onophoudelijk …

“Het heeft geen nut om slechts geluid te maken als je de Godheid in het altaar van je hart wilt installeren, als je God wilt realiseren. Maak ten eerste het denken zuiver. In het zuivere hart neemt God zitting. Men kan de heilige beeltenis niet in de tempel brengen wanneer de uitwerpselen van vleermuizen overal verspreid liggen. De elf vleermuizen zijn onze elf organen: vijf van actie, vijf van perceptie en het denken.

“Roep allereerst de Godheid op en geef dan lezingen zoveel als je wilt. Duik allereerst diep. Duik naar de bodem en verzamel de edelstenen. Daarna kun je andere dingen doen. Maar niemand wil duiken. Mensen zijn zonder spirituele discipline en gebed, zonder verzaking en passieloosheid. Ze leren een paar woorden en beginnen onmiddellijk lezingen te geven. Het is moeilijk om anderen te doceren. Alleen wanneer iemand een opdracht van God krijgt, nadat hij Hem realiseerde, heeft hij het recht om te doceren.”

Zo converserend kwam de Meester bij het West-einde van de veranda. M. stond naast hem. Sri Ramakrishna had steeds opnieuw herhaald dat God niet gerealiseerd kan worden zonder onderscheidingsvermogen en verzaking. Dit maakte M. extreem bezorgd. Hij was getrouwd en was toen een jongeman van achtentwintig, geschoold aan de universiteit op de Westerse manier. Een gevoel van verantwoordelijkheid hebbend vroeg hij zichzelf af, “Betekenen onderscheidingsvermogen en passieloosheid het opgeven van ‘vrouwen en goud’?” Hij voelde zich echt verloren over wat te doen.

M. (tot de Meester): “Wat moet men doen wanneer iemands vrouw zegt: ‘je verwaarloost me. Ik zal zelfmoord plegen’?”

Meester (met een serieuze toon): “Geef zo’n vrouw op als ze bewijst een obstakel te zijn voor de wegen van spiritueel leven. Laat haar zelfmoord plegen of al het andere wat ze wil. De vrouw die het spirituele leven van haar echtgenoot hindert is een ongoddelijke vrouw.”

Ondergedompeld in diepe gedachten stond M. leunend tegen de muur. Narendra en de andere toegewijden bleven een paar minuten stil. De meester wisselde enkele woorden met hen uit; daarna, plotseling naar M. gaand, fluisterde hij in zijn oor: “Maar als een man oprechte liefde voor God heeft dan komen allen onder zijn controle – de koning, slechte personen, en zijn vrouw. Oprechte liefde voor God waar het de echtgenoot betreft kan uiteindelijk de vrouw helpen om een spiritueel leven te leiden. Als de echtgenoot goed is dan kan via de genade van God de vrouw ook zijn voorbeeld volgen.”

Dit had een enorm verzachtend effect op het bezorgde denken van M. Al die tijd had hij gedacht: “Laat haar zelfmood plegen. Wat kan ik doen?”

M. (tot de Meester): Deze wereld is inderdaad een verschrikkelijke plaats.”

Meester (tot de toegewijden): “Dat is de reden dat Chatainya tegen zijn companion Nityānanda zei, ‘Luister broeder, er is geen hoop op redding voor de wereldlijken.’”

Op een ander moment had de Meester privé tegen M. gezegd: “Ja, er is geen hoop voor een wereldlijk mens als hij niet oprecht toegewijd is aan God. Maar hij heeft niets te vrezen wanneer hij in de wereld blijft na de realisatie van God. Noch hoeft een mens enige angst te hebben als hij oprechte devotie bereikt door nu en dan in eenzaamheid spirituele discipline te beoefenen. Chaitanya had een aantal huishouders onder zijn toegewijden, maar zij waren alleen huishouders in naam, want ze leefden onthecht in de wereld.”

Het was middag. De aanbidding was voorbij en de voedseloffers waren in de tempel gedaan. De deuren van de tempel waren gesloten. Sri Ramakrishna zat neer voor zijn maal, en Narendra en de andere toegewijden namen ook van het voedseloffer uit de tempel.

Noten
  1. De Meester verwees naar de grote cycloon van 1864.
  2. Een aristocraat met titel uit Calcutta.
  3. Een titel toegekend aan Sourindra door de overheid van India. Het woord “rājā” betekent in het echt “heerser van een koninkrijk”.
  4. Een jonge discipel van de Meester die later een monnik werd onder de naam van Swami Adbhutananda.
  5. Met deze naam was Sri Ramakrishna’s vrouw bekend onder zijn toegewijden.
  6. De naam waarmee Sri Ramakrishna Suresh Mitra adresseerde, een geliefde huishouder-discipel.
  7. Dit woord is gevormd door de letters van “Gītā” om te keren. “Tāgī” betekent “hij die verzaakt heeft”. Verzaking is het belang van dit heilige boek.
  8. De vrouw is het symbool van de Heilige Moeder.
  9. “Salutaties aan God.” Dit is de manier waarop sādhus elkaar begroeten.
  10. De zes passies: lust, boosheid, gierigheid, misleiding, trots en jaloersheid.