ARVINDUS

Het Gospel van Sri Ramakrishna

22 Oktober 1882

22 OKTOBER 1882

Het was de dag van Vijayā, de laatste dag van de viering van de aanbidding van Durgā, wanneer het kleien beeld in het water van een meer of rivier wordt ondergedompeld.

Rond negen uur in de ochtend zat M. op de vloer van de kamer van de Meester in Dakshineswar, naast Sri Ramakrishna die rustte op de kleine bank. Rakhal leefde toen bij de Meester, en Narendra en Bavanath bezochten hem frequent. Baburam had hem slechts één of twee keer gezien.

Meester: “Hadden jullie vakantie tijdens Durgā Pujā?”

M: “Ja mijnheer. Ik ging dagelijks naar Keshab’s huis tijdens de eerste drie dagen van de aanbidding.”

Meester: “Is dat zo?”

M: “Ik hoorde daar een erg interessante interpretatie van Durgā Pujā.”

Meester: “Vertel me er asjeblieft alles over.”

M: “Keshab Sen hield dagelijks ochtendgebeden in zijn huis die duurden tot tien of elf uur. Tijdens deze gebeden gaf hij de innerlijke betekenis van Durgā Pujā. Hij zei dat als iemand de Heilige Moeder zou kunnen realiseren, dat wil zeggen; Moeder Durgā zou installeren in het altaar van zijn hart, Lakshmi, Sarasvati, Kārtika en Ganeśa1 daar vanzelf zouden komen. Lakshmi betekent rijkdom, Sarasvati kennis, Kārtika kracht en Ganeśa succes. Door de Heilige Moeder in je hart te realiseren krijg je al dezen zonder enige moeite.”

Sri Ramakrishna luisterde naar de beschrijving, M. nu en dan bevragend over de uitgevoerde gebeden bij Keshab. Tenslotte zei hij tegen M.: “Ga niet hier en daar. Kom alleen hier. Zij die tot de innerlijke cirkel van mijn toegewijden behoren komen alleen hier. Jongens als Narendra, Bhavanath en Rakhal zijn mijn erg intieme discipelen. Men moet niet te lichtzinnig over hen denken. Voed2 ze op een dag. Wat vind je van Narendra?”

M: “Ik heb hem erg hoog zitten mijnheer.”

Meester: “Heb je zijn vele deugden niet gezien? Hij is niet alleen goed in muziek, zingen en instrumenten, maar hij is ook heel geleerd. Daarbij heeft hij zijn passies gecontroleerd en verklaard dat hij een celibatair leven zal leven. Hij is toegewijd aan God sinds zijn jongensjaren.

“Hoe gaat het met je meditaties tegenwoordig? Welk aspect van God trekt je aan – met vorm of zonder vorm?”

M: “Mijnheer, ik kan op het moment mijn denken niet op god met vorm richten. Aan de andere kant kan ik niet gestaag concentreren op God zonder vorm.”

Meester: “Nu zie je dat het denken niet uit het niets op het vormloze aspect gericht kan worden. Het is wijs om te denken aan God met vorm tijdens de eerste stadia.”

M: “Suggereert u dat men moet mediteren op kleien beelden?”

Meester: “Waarom klei? Deze beelden zijn de belichamingen van bewustzijn.”

M: “Niettemin moet men denken aan handen, voeten en de andere delen van het lichaam. Maar nogmaals; ik realiseer me dat het denken niet geconcentreerd kan worden tenzij men, in het begin, mediteert op God met vorm. Dat heeft u me verteld. Wel, God kan gemakkelijk verschillende vormen aannemen. Mag je mediteren op de vorm van je eigen moeder?”

Meester: “Ja, de moeder moed geadoreerd worden. Ze is inderdaad een belichaming van Brahman.”

M. zat in stilte. Na een paar minuten vroeg hij de Meester: “Wat voelt men terwijl men denkt aan God zonder vorm? Is het niet onmogelijk om het te beschrijven?” Na enige reflectie zei de Meester: “Weet je hoe het is?” Hij bleef een moment stil en sprak toen een paar woorden tot M. over de ervaringen op het moment van de visie van god met en zonder vorm.

Meester: “Kijk, men moet spirituele discipline beoefenen om dit correct te begrijpen. Veronderstel dat er schatten in een kamer zijn. Als je ze wilt zien en ze te pakken wilt krijgen moet je de moeite doen om de sleutel te krijgen en de deur te ontsluiten. Daarna moet je de schatten naar buiten brengen. Maar stel dat de kamer op slot is en je buiten de deur tegen jezelf zegt: ‘Daar; ik heb de deur geopend. Nu heb ik het slot van de kost gebroken. Nu heb ik de schat eruit gehaald.’ Zo’n gepeins nabij de deur zal je niet in staat stellen om iets te bereiken.

“Je moet discipline beoefenen.

“De jnāni’s denken aan God zonder vorm. Zij accepteren de Heilige Incarnatie niet. Sri Krishna prijzend zei Arjuna; ‘Gij zijt het Absolute Brahman.’ Sri Krishna antwoordde; ‘Volg Me, en je zult weten of ik wel of niet het Absolute Brahman ben.’ Dit zeggend leidde Sri Krishna Arjuna tot een bepaalde plaats en vroeg hem wat hij daar zag. ‘Ik zie een enorme boom’, zei Arjuna, ‘en daaraan zie ik vruchten hangen als trossen zwarte bessen.’ Vervolgens zei Krishna tot Arjuna, ‘Kom dichter bij en je zult zien dat dit geen trossen van zwarte bessen zijn, maar trossen van ontelbare Krishna’s zoals Mij, hangend aan de boom.’ In andere woorden; Er verschijnen en verdwijnen Heilige Incarnaties zonder aantal aan de boom van het Absolute Brahman.

“Kavirdāas neigde sterk naar de vormloze God. Bij het noemen van krishna’s naam zei hij: ‘Waarom zou ik Hem aanbidden? De gopi’s klapten in hun handen terwijl hij een apendans uitvoerde.’ (Met een glimlach) Maar ik accepteer God met vorm wanneer ik in het gezelschap ben van mensen die in dat ideaal geloven, en ik ben het ook eens met hen die geloven in de vormloze God.”

M (glimlachend): “U bent zo oneindig als Hij over wie we hebben gesproken. Waarlijk kan niemand uw diepte doorgronden.”

Meester (glimlachend): “Ah! Ik zie dat je erachter bent gekomen. Laat me je één ding vertellen. Men moet diverse paden volgen. Men moed elk soort een tijdje beoefenen. In een spel van satrancha kan een stuk het centrale vierkant niet bereiken tot het de cirkel heeft voltooid; maar eenmaal in het vierkant kan het niet ingehaald worden door enig ander stuk.”

M: “Dat is waar mijnheer.”

Meester: “Er zijn twee klassen van yogi’s: De vahudaka’s en de kutichaka’s. De vahudaka’s zwerven rond, diverse heilige plaatsen bezoekend, en hebben nog geen rust gevonden. Maar de kutichaka’s, alle heilige plaatsen bezocht hebbend, hebben hun denken tot rust gebracht. Zich sereen en vredig voelend vestigen ze zich op één plaats en gaan niet langer rond. In die ene plaats zijn ze gelukkig; ze hebben niet de behoefte om naar enige heilige plaats te gaan. Wanneer één van hen ooit een plaats van pelgrimage bezoekt is het alleen voor nieuwe inspiratie.

“Ik moest iedere religie een tijdje beoefenen – Hindoeïsme, Islam, Christendom. Verder volgde ik de paden van de Śākta’s, Vaishnava’s en Vedāntisten. Ik realiseerde me dat er slechts één God is waarnaar alleen reizen; maar de paden zijn verschillend.

“Terwijl ik de heilige plaatsen bezocht leed ik soms aan grote kwellingen. Ik ging eens met Mathur naar Raja Babu’s woonkamer in Benares. Ik ontdekte dat ze daar alleen spraken over wereldlijke zaken – geld, vastgoed en dergelijke. Daarbij barstte ik in tranen uit. Ik zei tegen de Heilige Moeder, al huilende: ‘Moeder! Waar heeft U me heen gebracht? Ik was veel beter af in Dakshineswar.' In’Allāhābād zag ik dezelfde dingen die ik elders zag – dezelfde poelen, hetzelfde gras, dezelfde bomen, dezelfde tamarindebladeren.

“Maar men vindt ongetwijfeld inspiratie op een heilige plaats. Ik vergezelde Mathur Baba naar Vrindāvan. Hriday en de dames van Mathur’s familie bevonden zich in ons gezelschap. Zo gauw ik de Kāliyadaman Ghāt zag rees een heilige emotie in me op. Ik werd volledig overweldigd. Hriday baadde me daar alsof ik een klein kind was.

“In de ochtendschemer liep ik aan de oevers van de Jamunā als het vee terugkeerde langs de zanderige oevers van hun weiden. Bij het zicht van deze koeien flitste de gedachten aan Krishna door mijn denken. Ik rende mee als een waanzinnige, roepend: ‘Oh, waar is Krishna? Waar is mijn Krishna?’

“Ik ging naar Śyāmakunda en Rādhākunda3 in een palankijn en stapte uit om de heilige berg Govardhan te bezoeken. Bij het zicht van de berg werd ik overweldigd door heilige emotie en rende naar de top. Ik verloor alle bewustzijn van de wereld om me heen. De inwoners van de plaats hielpen me naar beneden te komen. Op weg naar de heilige poelen van Śyāmakunda en Rādhākunda werd ik overvallen met extase bij het zien van de weiden, de bomen, de struiken, de vogels en het hert. Mijn kleren werden nat van de tranen. Ik zei: ‘O Krishna! Alles hier is zoals het was in de dagen van toen. U alleen bent afwezig.’ Gezeten in de palankijn verloor ik alle kracht om te spreken. Hriday volgde de palankijn. Hij had de dragers gewaarschuwd voorzichtig met me te zijn.

“Gangāmāyi werd erg dol op me in Vrindāvan. Ze was een oude vrouw die alleen leefde in een hut nabij de Nidhuvan. Refererend aan mijn spirituele toestand en extase zei ze; ‘Hij is de waarlijke belichaming van Rādhā.’ Ze adresseerde me als ‘Dulāli’. Wanneer ik bij haar was vergat ik mijn eten en drinken, mijn bad en alle gedachten aan naar huis gaan. Op sommige dagen bracht Hriday me eten van thuis en voedde me. Gangāmāyi bediende me ook eten, bereid met haar eigen handen.

“Gangāmāyi ervaarde trances. Op zulke momenten kwam een groot publiek haar bezoeken. Op een dag, in een staat van extase, klom ze op Hriday’s schouders.

“Ik wilde haar niet achter laten en terug gaan naar Calcutta. Alles was voor me geregeld om bij haar te blijven. Ik zou dubbelgekookte rijst eten en we zouden onze bedden aan beide zijden van de hut hebben. Alles was geregeld toen Hriday zei: ‘Je hebt zo’n zwakke maag. Wie zal voor je zorgen?’ ‘Wel’, zei Gangāmāyi, ‘ik zal voor hem zorgen. Ik zal hem verplegen.’ Terwijl Hriday me aan één hand trok en zij aan de andere herinnerde ik mijn moeder die toen alleen hier leefde in de nahabat van de tempeltuin. Ik vond het onmogelijk om van haar weg te blijven en zei tegen Gangāmāyi; ‘Nee, ik moet gaan.’ Ik hield van de atmosfeer van Vrindāvan.”

Rond elf uur nam de Meester zijn maal, de offers van de tempel van Kāli. Na zijn middagrust genomen te hebben ging hij door met zijn gesprek met de toegewijden. Nu en dan sprak hij het heilige woord “Om” uit of herhaalde hij de heilige namen van de godheden.

Na zonsondergang werd de aanbidding uitgevoerd in de tempels. Omdat het de dag van Vijayā was groetten de toegewijden eerst de Heilige Moeder en namen daarna het stof4 van de voeten van de Meester.

Noten
  1. Volgens de Hindoe-mythologie zijn Lakshmi en Sarasvati de dochters en Kārtika en Ganeśa de zonen van Durgā. Geassocieerd met het beeld van Durgā bezetten ze plaatsen aan beide zijden van de Heilige Moeder.
  2. Het voeden van een heilig mens wordt beschouwd als een goede daad.
  3. Plaatsen nabij Mathurā die geassocieerd worden met de episode van Krishna en Rādhā.
  4. Een vorm van eerbiedige begroeting waarbij men de voeten van een superieur aanraakt met het voorhoofd.