ARVINDUS

Contemplationam

Waarheid (vanuit Heideggers Denken)

WAARHEID (VANUIT HEIDEGGERS DENKEN)

Heidegger

In Vom Wesen Der Wahrheit thematiseert Martin Heidegger (1889-1976) zijn notie van waarheid.1 Hij denkt deze notie uit vanuit zijn interpretatie van de Griekse termen ‘alètheia’, ‘pseudos’ en ‘lèthè’. ‘Alètheia’ is het Griekse woord voor waarheid. Heidegger leest dit woord echter als ‘a-lèthè’. ‘Lèthè’ is het Griekse woord voor verborgenheid, en Heidegger denkt waarheid oorspronkelijk dan ook als onverborgenheid. Deze onverborgenheid is gelijkoorspronkelijk met de ontslotenheid en de openbaarheid.2 Het is de modus waarin het zijn van de zijnden (ofwel de dingen) voor de mens (die Heidegger ‘het daarzijn’ noemt) onverborgen, ontsloten en openbaar is. Dit is de eigenlijke waarheid. Er is echter ook een oneigenlijk waarheidsbegrip. In de alledaagsheid wordt waarheid namelijk begrepen als de overeenstemming van een uitdrukking met een zaak. In deze modus is het zijn voor het daarzijn niet ontsloten en onverborgen maar wordt dit verdekt en verdraaid door de zijnden. Deze verdekking en verdraaiing worden door Heidegger aangeduid met de term ‘pseudos’. Omdat de eigenlijke waarheid als ‘alètheia’ nu volgens Heidegger is afgeleid van ‘lèthè’ stelt hij dat waarheid als onverborgenheid is gegrond in de verborgenheid. Dit noemt Heidegger ‘onwaarheid’. Deze onwaarheid moet niet verward worden met de onjuistheid. De onjuistheid als tegenstelling van waarheid als overeenstemming is niet hetzelfde als de onwaarheid als grond voor waarheid als onverborgenheid.

Nu thematiseert Heidegger in (onder andere) Sein und Zeit dat het zijn van de zijnden gelijkoorspronkelijk is met het zijn van het daarzijn.3 Dat wil zeggen dat als het zijn van de zijnden voor het daarzijn onverborgen is dat ook zijn eigen zijn voor hem ontsloten is. En andersom geldt dat wanneer het daarzijn verloren is in de hem omringende zijnden die hun zijn verdekken ook zijn eigen zijn wordt verdekt.4 Wat nu bepaalt of het zijn zich als zijn geeft of dat het zich verdekt geeft als zijnden is volgens Heidegger het spel van zijn zelf.5 Het is wat hij het ‘geheim’ noemt. De onverborgenheid is niet iets dat het daarzijn geïsoleerd in zichzelf kan bewerkstelligen, want het is uiteindelijk een gift van zijn. Wat het daarzijn echter wel kan doen is zich open houden voor de onverborgenheid, voor het zijn om zich als zijn te geven. Deze houding noemt Heidegger ‘gelatenheid’.6

Schematisch kan Heideggers denken over waarheid weergegeven worden als in figuur 1. Dit figuur is natuurlijk verre van compleet maar kan bovenstaande samenvatten.

Onwaarheid als verborgenheid / lèthè
Waarheid als onverborgenheid / alètheia
Geheim
Gelatenheid
Verdraaiing / pseudos
Waarheid als overeenstemming Onwaarheid als onjuistheid

Figuur 1.

In figuur 1 zien we hoe de waarheid als overeenstemming en de onwaarheid als onjuistheid het gevolg zijn van een verdraaiing. Het daarzijn kan zich in de gelatenheid echter open houden voor de aan de verdraaiing ten grondslag liggende waarheid als onverborgenheid, die zelf als grondlag de onwaarheid als verborgenheid heeft.

Vertalingen

In ‘Academische Filosofie, Singularisering’ werden de oneigenlijkheid en de eigenlijkheid gethematiseerd vanuit de termen ‘wat er is’ en ‘dat er is’.7 Er zou hier ook gesproken kunnen worden van ‘watheid’ en ‘datheid’. In de watheid is de mens begaan met wat er is (de hem omringende zijnden) en in de datheid is hij begaan met dat er is (het zijn van de zijnden). De mens nu is volgens Heidegger als daarzijn altijd al begaan met dat er is en, weergegeven in zijn benaming, met daar er is. Daar kan dan gezien worden als gelijkoorspronkelijk met dat. En waar kan dan gezien worden als gelijkoospronkelijk met wat. Dus datheid is gelijkoorspronkelijk met daarheid en watheid is gelijkoorspronkelijk met waarheid. Hier stuiten we op het woord ‘waarheid’. In deze huidige terminologie wordt ‘waarheid’ begrepen als waarheid als overeenstemming.

Nu kan waarheid als overeenstemming ook begrepen worden als waarheid als representatie. Immers in de overeenstemming van een uitdrukking met een zaak wordt die zaak door de uitdrukking gerepresenteerd. Onwaarheid als onjuistheid kan dan begrepen worden als derepresentatie omdat hier geen representatie aan de orde is. In deze terminologie kan waarheid als onverborgenheid dan begrepen worden als presentatie, want hetgeen onverborgen is wordt gepresenteerd. Verborgen echter kan er zonder presentatie toch een presentie zijn, en dit is dan hoe we de grond van onverborgenheid, verborgenheid, zullen begrijpen.

Waar het verder de term ‘daarheid’ betreft moeten we in ogenschouw houden dat volgens Heidegger het zijn van de zijnden (de dingen) gelijkoorspronkelijk is met het zijn van het daarzijn (de mens). Met ‘daarheid’ verwijzend naar het zijn van de dingen kan de gelijkoorspronkelijke term ‘hierheid’ dan gereserveerd worden voor de verwijzing naar het zijn van de mens.8 De daarheid en hierheid zijn de gelijkoorspronkelijke waarheid als onverborgenheid. Beide termen samengevoegd zou ook gesproken kunnen worden van een ‘hierdaarheid’. Het voegwoord ‘en’ tussen ‘hier’ en ‘daar’ wordt hier bewust vermeden omdat dit voegwoord niet slechts de termen ‘hier’ en ‘daar’ samenvoegt maar ook een gescheidenheid tussen die twee indiceert. Een gescheidenheid die in hun gelijkoorspronkelijkheid bij Heidegger niet aan de orde is. Dus ofschoon 'hierdaarheid' accurater is in zijn verwijzing zal in deze contemplatie niettemin vooral de term 'daarheid' gebruikt worden omdat deze beter aansluit bij de geschetste taalkundige verhoudingen van 'watheid', 'datheid' en 'waarheid'.

‘Waarheid’ wordt hier dus begrepen als waarheid als overeenstemming en ‘daarheid’ als waarheid als onverborgenheid. Het verschil in deze twee termen maakt het gemakkelijk om hun tegentermen te bepalen. Voor de onwaarheid als onjuistheid kan eenvoudigweg de term ‘onwaarheid’ gebezigd worden terwijl voor de onwaarheid als verborgenheid de term ‘ondaarheid’ gebruikt kan worden (waarbij termen als ‘ondaarheid’ en ‘onhierheid’ gelijkoorspronkelijk ook passend zijn).

Wat de verdraaiing in Heideggers denken betreft is het belangrijk om te zien dat deze wegleidt van onverborgenheid. Er zou ook gesproken kunnen worden van afleiding omdat in de verdraaiing het daarzijn wordt afgeleid door de hem omringende zijnden. Aansluitend op de termen ‘waarheid’ en ‘daarheid’ kan hier ook de term ‘vaarheid’ gebezigd worden, waarbij ‘vaar’ wordt begrepen in zijn betekenis van ‘weggaan’.

De verdraaiing leidt weg van onverborgenheid maar er is ook een gegeven dat daar naar toeleidt. Dit is namelijk het geheim. Het geheim is de toeleiding naar zijn. Er kan ook gesproken worden van ‘aanleiding’ omdat het zijn voor de mens de oorspronkelijke aanleiding is. Aansluitend op de eerdere termen kan hier van naarheid gesproken worden. Wanneer ‘naar’ begrepen wordt als voorzetsel kan ‘naarheid’ begrepen worden als een toeleiding. Echter wanneer ‘naar’ begrepen wordt als bijvoeglijk naamwoord dan moet ‘naarheid’ gerelateerd worden aan het Heideggeriaanse begrip van ‘unheimisch’, wat een naar gevoel betreft dat zich gelijkoorspronkelijk met het geheim bij een toeleiding naar zijn voordoet. (Heidegger relateert ‘unheimisch’ aan ‘geheim’ via het woord ‘heim’).

Of zijn zich nu wel of niet onverdraaid en onverborgen geeft kan door het daarzijn volgens Heidegger zelf niet bewerkstelligd worden. Het daarzijn kan zich echter wel terugnemen uit de verlorenheid in de hem omringende zijnden en zich open houden voor het zijn, en dit noemt Heidegger ‘gelatenheid’. Aansluitend op de eerder genoemde ‘afleiding’ of ‘wegleiding’ en ‘aanleiding’ of ‘toeleiding’ kan hier de term ‘geleiding’ gebezigd worden omdat het de gelatenheid is die de gift van zijn tot uitdrukking geleidt. En aansluitend op ‘waarheid’, ‘daarheid’, ‘vaarheid’ en ‘naarheid’ kan er hier gesproken worden van ‘klaarheid’. Want de gelatenheid is als openheid de ‘transparantie’ uit het alledaagse taalgebruik.

Laten we bovengenoemde vertalingen opnieuw schematiseren.

Onwaarheid als verborgenheid / lèthè / ondaarheid / presentie
Waarheid als onverborgenheid / alètheia / daarheid / presentatie
Geheim / naarheid / aanleiding / toeleiding
Gelatenheid / klaarheid / geleiding
Verdraaiing / pseudos / vaarheid / afleiding / wegleiding
Waarheid als overeenstemming / waarheid / representatie Onwaarheid als onjuistheid / onwaarheid / depresentatie

Figuur 2.

Implicatie

Het zijn waar het het daarzijn in zijn zijn om gaat is zijn daar te zijn, aldus Heidegger. De mens is begaan met (zijn) zijn. Dit begaan zijn met zijn kan op eigenlijke en op oneigenlijke wijze geschieden, waarbij het eigenlijke begaan zijn het oneigenlijke begaan zijn onderligt zoals zijn de zijnden onderligt. Oneigenlijk apprecieert de mens de waarheid als representatie van zijn en deprecieert hij de onwaarheid als depresentatie van zijn, terwijl hij eigenlijk de onderliggende presentatie van zijn precieert.

Bovenstaande maakt duidelijk dat ofschoon het als relatief belangrijk wordt geacht om in waarheid zijn te representeren in plaats van zijn in onwaarheid te depresenteren het als absoluut belangrijk wordt geacht om in daarheid zijn te presenteren. Het onderscheid tussen presentatie en representatie is belangrijker dan het onderscheid tussen representatie en depresentatie. Dit geldt zelfs zo wanneer een depresentatie zou presenteren. Deze terminologie klinkt tegenstrijdig maar is het niet. Een onware uitdrukking kan oneigenlijk beschouwd depresenteren terwijl deze eigenlijk presenteert. Wat het geval zal zijn bepalen het spel en het geheim van zijn, dat gelijkoorspronkelijk ook het zijn van het daarzijn betreft. In meer alledaagse bewoording kan gesteld worden dat een leugen een mens kan beliegen maar hem ook tot realisatie van iets diepers kan brengen. Wat van die twee het geval zal zijn is afhankelijk van de leugen, de mens, het moment, en alle andere contextafhankelijke factoren. Dat is vooraf niet te bepalen en blijft daarom het geheim en het spel van zijn.

Dat een toeleidende onwaarheid als belangrijker kan worden beschouwd dan een wegleidende waarheid kan mogelijk enige verbazing wekken. Echter iedereen is wel bekend met de spreekwoordelijke ‘leugen om bestwil’. En we hebben waarschijnlijk allemaal wel eens een politicus op een prangende vraag horen antwoorden met woorden die weliswaar waarheid kunnen zijn maar die toch afleiden van de werkelijke stand van zaken waarnaar werd gevraagd.

Moge we daarom allemaal komen tot uitdrukkingen die ongeacht hun aard (ons) zijn present stellen.

Noten
  1. Martin Heidegger, Gesamtausgabe, Band 34, Vom Wesen der Wahrheit, Zu Platons Höhlengleichnis und Theätet, Vittorio Klostermann, Frankfurt am Main, 1988.
  2. ‘Academische Filosofie, Een Heideggeriaanse Mystiek ‘, Index: 200908281.
  3. Martin Heidegger, Sein und Zeit, 1927, uitgave: Max Niemeyer Verlag, Tübingen, 1967.
  4. ‘Contemplationam, Heidegger's Denken Gesymboliseerd’, Index: 201404181.
  5. ‘Academische Filosofie, Heidegger's Play of Being', Index: 200901151.
  6. Martin Heidegger, Gelassenheit, Verlag Günther Neske, Pfullingen, 1959.
  7. ‘Academische Filosofie, Singularisering’, Index: 200906071.
  8. 'Citations, 'Nowhere'', Index: 201902251.
Bibliografie
  • ‘Academische Filosofie, Een Heideggeriaanse Mystiek ‘, Index: 200908281.
  • ‘Academische Filosofie, Heidegger's Play of Being', Index: 200901151.
  • ‘Academische Filosofie, Singularisering’, Index: 200906071.
  • 'Citations, 'Nowhere'', Index: 201902251.
  • ‘Contemplationam, Heidegger's Denken Gesymboliseerd’, Index: 201404181.
  • Martin Heidegger, Gelassenheit, Verlag Günther Neske, Pfullingen, 1959.
  • Martin Heidegger, Gesamtausgabe, Band 34, Vom Wesen der Wahrheit, Zu Platons Höhlengleichnis und Theätet, Vittorio Klostermann, Frankfurt am Main, 1988.
  • Martin Heidegger, Sein und Zeit, 1927, uitgave: Max Niemeyer Verlag, Tübingen, 1967.