Arvindus

Contemplationam

Algemeenheden en Bijzonderheden in Plato's en Bailey's Filosofieën

Twee mooie witte zwanen kunnen in een vijver zwemmen. Als dit het geval is dan kan een mens deze twee bijzondere zwanen waarnemen met zijn zintuigen. Echter deze twee bijzondere zwanen delen ook met elkaar dezelfde algemeenheden: Ze zijn beide wit en ze zijn beide mooi. En een mens heeft ook de mogelijkheid om deze algemeenheden van witheid en van mooiheid met zijn denken te vatten. Deze beschouwing kan de vraag doen rijzen van hoe bijzonderheden, algemeenheden en mensen aan elkaar relateren.

Deze vraag beantwoordend gaf Aristoteles (384-322 B.C.) voorrang aan de bijzonderheden, vanwaar algemeenheden afhankelijk zouden zijn voor hun bestaan. Het vatten van algemeenheden door het menselijke denken vond dan plaats via zintuiglijke perceptie van vergelijkbare bijzonderheden.1

Dit antwoord stond in contrast met het antwoord dat zijn leraar Plato (427-347 B.C.) had gegeven. Want Plato had voorrang gegeven aan de algemeenheden, ze een onafhankelijk bestaan gevend in een metafysische wereld van ideeën of vormen [Grieks: 'idea' of 'eidos'].2 Het was volgens Plato slechts omdat fysieke bijzonderheden deelnamen in die metaphysische wereld van algemeenheden dat ze door mensen als vergelijkbaar waargenomen konden worden.3 Want de onsterfelijke ziel [Grieks: 'psuche']4, 5, 6 van de mens had zijn oorsprong in die metafysische wereld, en de algemeenheden tegenkomend in de bijzonderheden van de fysieke wereld zou maken dat de ziel ze zou herinneren van vóór zijn fysieke incarnatie.7

Nu beschouwt Plato dat aan de basis van al deze algemeenheden de idee of de vorm van het goede staat. Dit is het hoogste idee om te vatten.8 Dit denken illustreert hij met zijn beroemde allegorie van de grot.9 Gevangenen in een grot zien alleen de schaduwen op een muur die geprojecteerd worden door artefacten die bewegen tussen hun ruggen en licht uitstralende vuren. Als ze echter in staat zouden zijn om los te breken om zich te bewegen in het licht van de dag dan zouden ze de echte vormen, verlicht door de zon, zien. De fysieke bijzonderheden nu zijn als de schaduwen op de muur, zichtbaar gemaakt door de fysieke zon, gerepresenteerd door de vuren in de grot. De echte objecten aan het aardoppervlak dan zijn de algemeenheden die zichtbaar worden gemaakt door de idee van het goede, gerepresenteerd wordend door de zon. Gevangenen die naar de bijzondere schaduwen staren echter zullen de beschrijvingen van de bevrijde gevangene (de filosoof) die de algemene vormen aanschouwde niet begrijpen.10

Bovenstaande academische filosofie van Plato nu kan heel goed vergeleken worden met, of geplaatst worden binnen, de esoterische filosofie van Alice Bailey (1880-1949). In die filosofie worden mensen geponeerd als bestaande uit geest, ziel en persoonlijkheid, corresponderend met het drievoud van geest, bewustzijn en materie.11 De persoonlijkheid wordt daarbij op zijn beurt beschouwd als bestaande uit een (grof- en fijn-)stoffelijk lichaam, emotie en concreet denken, en de ziel als bestaande uit abstract denken, intuïtie en spirituele wil.12

Dit beschouwend kunnen we zien dat Plato's filosofie daar goed in past. De bijzonderheden van Plato's filosofie corresponderen met de wereld van materie en op een menselijk niveau met de persoonlijkheid van Bailey's filosofie. Het is via fysieke zintuigelijke waarneming en het concrete denken dat de bijzonderheden door mensen worden gevat. De algemeenheden, de wereld van ideeën, van Plato's filosofie corresponderen dan met het bewustzijn en op een menselijk niveau met de ziel van Bailey's filosofie. Het is de laagste constituent van de onsterfelijke ziel, het abstract denken, dat de algemeenheden vat, die immers abstractheden betreffen. Deze opvatting van de ziel door Bailey is, in zijn algemeenheid, ook in lijn met Plato's opvatting van de ziel. Want zowel Bailey als Plato beschouwen de ziel als onsterfelijk, en zoals eerder vermeld beschouwt Plato dat algemeenheden gevat worden door de mens op een zielsniveau (via de herinnering aan zijn voorlichamelijk bestaan). De idee van het goede van Plato correspondeert dan met de intuïtie en de spirituele wil in Bailey's denken. Het is via de spirituele wil en de intuïtie dat de mens een begrip vat van wat goed is, dat de mens de idee van het goede vat.

Getabelleerd krijgen we een overzicht als in onderstaande figuur.

Plato Bailey
De idee van het goede Spirituele wil
Intuïtie
Algemeenheden Abstract denken
Bijzonderheden Concreet denken
Emotie
Lichaam

Figuur 1.

In een latere contemplatie kan misschien een vergelijking van de menselijke constitutie binnen Plato's academische filosofie en Bailey's esoterische filosofie toegevoegd worden. Voor nu volstaat bovenstaande vergelijking. De idee van het goede van Plato correspondeert met de spirituele wil en de intuïtie van Bailey, zijn algemeenheden met haar abstract denken, en zijn bijzonderheden met haar concreet denken, emotie en fysiek lichaam.

Noten
  1. Aristotle, 'De Anima', J.A. Smith (translator), in: W.D. Ross (editor), The Works of Aristotle, Volume III, Oxford University Press, London / et alibi, 1931, Book III, Ch. 8, sec. 432a, 1. "Since according to common agreement there is nothing outside and separate in existence from sensible spatial magnitudes, the objects of thought are in the sensible forms, viz. both the abstract objects and all the states and affections of sensible things."
  2. R.M. Dancy, Plato's Introduction of Forms, Cambridge University Press, Cambridge / et alibi, 2004, p. 14.
  3. Socrates, cited by Phaedo, in: Plato, 'Phaedo', G.M.A. Grube (translator), in: John M. Cooper / D.S. Hutchinson (editors), Complete Works, Hackett Publishing Company, Indianapolis / Cambridge, 1997, 100e / p. 86. "This is the safe answer for me or anyone else to give, namely, that it is through Beauty that beautiful things are made beautiful."
  4. Plato, 'Meno', in: W.R.M. Lamb (translator), Plato, With an English Translation, IV, Laches, Protagoras, Meno, Euthydemus, Harvard University Press / William Heinemann Ltd., Cambridge / Massachusetts / London, 1952, p. 302, 303.
  5. 'Contemplationam, Psi', Index: 202103171.
  6. 'Contemplationam, Ψ', Index: 202104131.
  7. Socrates, in: Plato, 'Meno', G.M.A. Grube (translator), in: John M. Cooper / D.S. Hutchinson (editors), Complete Works, Hackett Publishing Company, Indianapolis / Cambridge, 1997, 81c-d / p. 880. "As the soul is immortal, has been born often and has seen all things here and in the underworld, there is nothing which it has not learned; so it is in no way surprising that it can recollect the things it knew before, both about virtue and other things."
  8. Socrates, in: Plato, 'Republic', G.M.A. Grube (translator), C.D.C. Reeve (revisor), in: John M. Cooper / D.S. Hutchinson (editors), Complete Works, Hackett Publishing Company, Indianapolis / Cambridge, 1997, 504e-505a / p. 1125. "And I suspect the latter, for you've often heard it said that the form of the good is the most important thing to learn about and that it's by their relation to it that just things and the others become useful and beneficial."
  9. Ibidem, p. 1132 ff. / sec. 514 ff.
  10. 'Contemplationam, A Small Sketch of the History of Western Spiritualistic and Materialistic Orientations', Index: 201103091, Christian Period, Plato.
  11. 'Ageless Wisdom, Triplicities in Man', Index: 201308292.
  12. Ibidem.
Bibliografie
  • 'Ageless Wisdom, Triplicities in Man', Index: 201308292.
  • 'Contemplationam, A Small Sketch of the History of Western Spiritualistic and Materialistic Orientations', Index: 201103091.
  • 'Contemplationam, Psi', Index: 202103171.
  • 'Contemplationam, Ψ', Index: 202104131.
  • Aristotle, 'De Anima', J.A. Smith (translator), in: W.D. Ross (editor), The Works of Aristotle, Volume III, Oxford University Press, London / et alibi, 1931.
  • R.M. Dancy, Plato's Introduction of Forms, Cambridge University Press, Cambridge / et alibi, 2004.
  • Plato, 'Meno', G.M.A. Grube (translator), in: John M. Cooper / D.S. Hutchinson (editors), Complete Works, Hackett Publishing Company, Indianapolis / Cambridge, 1997.
  • Plato, 'Meno', in: W.R.M. Lamb (translator), Plato, With an English Translation, IV, Laches, Protagoras, Meno, Euthydemus, Harvard University Press / William Heinemann Ltd., Cambridge / Massachusetts / London, 1952.
  • Plato, 'Phaedo', G.M.A. Grube (translator), in: John M. Cooper / D.S. Hutchinson (editors), Complete Works, Hackett Publishing Company, Indianapolis / Cambridge, 1997.
  • Plato, 'Republic', G.M.A. Grube (translator), C.D.C. Reeve (revisor), in: John M. Cooper / D.S. Hutchinson (editors), Complete Works, Hackett Publishing Company, Indianapolis / Cambridge, 1997.