Arvindus

Het gospel van Sri Ramakrishna

27 oktober 1882

  • Titel: Het gospel van Sri Ramakrishna, 27 oktober 1882.
  • Auteur: Mahendranath Gupta.
  • Eerste vertaler: Swami Nikhilananda.
  • Tweede vertaler: Arvindus.
  • Uitgever: Arvindus.
  • Auteursrecht: 2023, Arvindus, alle rechten voorbehouden.
  • Index: 202301091.
  • Editie: html, eerste editie.
  • Hoofdbron: Mahendranath Gupta, The Gospel of Sri Ramakrishna, Swami Nikhilananda (translator), Sri Ramakrishna Math, Chennai.

Het was vrijdag, de dag van Laskhmi Pujā. Keshab Chandra Sen had een bootreis op de Ganges voor Sri Ramakrishna geregeld.

Om ongeveer vier uur in de namiddag ankerde de stoomboot met Keshab en zijn Brāhmo-volgers in de Ganges naast de Kāli-tempel in Dakshineswar. De passagiers zagen voor hen de ghāt om te baden en de chāndni. Links van hen, in het tempelcomplex, stonden zes tempels van de Kāli-tempel, de boomtoppen van de Panchavati, en de silhouetten van naaldbomen stonden hoog tegen de achtergrond van de blauwe herfstlucht. De tuinen tussen de twee nahabats waren gevuld met geurige bloemen en langs de oevers van de Ganges waren er rijen van bloeiende planten. De blauwe lucht werd gereflecteerd in het bruine water van de rivier, de heilige Ganges, geassocieerd met de meest aloude tradities van de Āryan-beschaving. De buitenwereld leek zacht en sereen en de harten van de Brāhmo-toegewijden waren vervuld van vrede.

Sri Ramakrishna was in zijn kamer aan het praten met Vijay en Haralal. Enkele volgelingen van Keshab kwamen binnen. Buigend voor de Meester zeiden ze tegen hem: "Mijnheer, de stoomboot is gearriveerd. Keshab Babu heeft ons gevraagd om u daarheen te brengen." Een kleine boot zou de Meester naar de stoomboot brengen. Hij was nog maar net in de boot gestapt of hij verloor het bewustzijn van de buitenwereld in samādhi. Vijay was bij hem.

M. was onder de passagiers. Toen de boot langs de stoomboot kwam spoedigden allen zich naar de reling om een glimp op te vangen van Sri Ramakrishna. Keshab was bekommerd om hem veilig aan boord te krijgen. Met grote moeite werd de Meester terug tot bewustzijn van de wereld gebracht en meegenomen naar een hut in de stoomboot. Nog steeds in een abstract gemoed liep hij mechanisch, leunend op een toegewijde voor ondersteuning. Keshab en de anderen bogen voor hem, maar hij was zich niet van hen bewust. Binnenin de hut bevonden zich een paar stoelen en een tafel. Hij werd op een van de stoelen gezet, terwijl Keshab en Vijay twee andere bezetten. Enkele toegewijden zaten ook, de meesten van hen op de vloer, terwijl veel anderen buiten moesten staan. Ze loerden gretig door de deur en ramen. Sri Ramakrishna ging weer in een diepe samādhi en werd zich totaal onbewust van de buitenwereld.

Omdat de lucht in de ruimte bedompt was vanwege de menigte mensen opende Keshab de ramen. Hij was beschaamd om Vijay te ontmoeten omdat zij van mening hadden verschild over bepaalde principes van de Brāhmo Samāj, en Vijay had zich afgekeerd van Keshabs organisatie, zich aansluitend bij een ander genootschap.

De Brāhmo-toegewijden keken verwachtend naar de Meester. Geleidelijk kwam hij terug naar zintuiglijk bewustzijn, maar de goddelijke vervoering bleef nog steeds hangen. Hij zei in zichzelf fluisterend: "Moeder, waarom heeft U mij hier gebracht? Ze zijn omheind en niet vrij. Kan ik ze bevrijden?" Vond de Meester dat de daar samengekomen mensen binnen de gevangenismuren van de wereld ingesloten waren? Maakte hun hulpeloosheid dat de Meester deze woorden tot de Goddelijke Moeder richtte?

Sri Ramakrishna werd zich geleidelijk bewust van de buitenwereld. Nilmadhav van Ghāzipur en een Brāhmo-toegewijde zeiden tegen de Meester: "Mijnheer, deze heren bezochten Pāvhāri Bābā. Hij leeft in Ghāzipur. Hij is een heilige man net als uzelf." De Meester kon nauwelijks praten; hij glimlachte alleen maar. De toegewijde vervolgde: "Mijnheer, Pāvhāri Bābā bewaart uw foto in zijn kamer." Naar zijn lichaam wijzend zei de Meester met een glimlach: "Enkel een kussenhoes."

De Meester vervolgde: "Maar je moet in gedachte houden dat het hart van de toegewijde de verblijfplaats van God is. Hij verblijft zonder twijfel in alle wezens, maar Hij manifesteert Zich vooral in het hart van de toegewijde. Een landheer kan op enig moment alle delen van zijn landgoed bezoeken, maar mensen zeggen dat hij in zijn algemeenheid gevonden kan worden in een bepaalde zitkamer. Het hart van de toegewijde is de zitkamer van God.

"Hij die Brahman wordt genoemd door de jnāni's wordt gekend als Ātman door de yogi's en als Bhagavān door de bhakta's. Dezelfde brāhmin wordt priester genoemd wanneer hij in de tempel aanbidt en kok wanneer hij een maaltijd in de keuken bereidt. De jnāni, zich houdend aan het pad van kennis, redeneert altijd over de Realiteit, zeggend 'Niet dit, niet dit'. Brahman is noch 'dit' noch 'dat'; Het is noch het universum, noch zijn levende wezens. Op deze manier redenerend wordt het denken stabiel. Dan verdwijnt het en gaat de aspirant in samādhi. Dit is de Kennis van Brahman. Het is de onwankelbare overtuiging van de jnāni dat Brahman alleen echt is en de wereld illusionair. Al deze namen en vormen zijn illusionair, zoals een droom. Wat Brahman is, kan niet beschreven worden. Je kan niet eens zeggen dat Brahman een Persoon is. Dit is de mening van de jnāni's, de volgers van de Vedānda-filosofie.

Maar de bhakta's accepteren alle staten van bewustzijn. Zij beschouwen de waaktoestand ook als echt. Zij denken niet dat de wereld illusionair is, zoals een droom. Zij zeggen dat het universum een manifestatie van Gods macht en glorie is. God heeft dit allemaal gecreëerd – de lucht, sterren, maan, zon, bergen, oceaan, mensen, dieren. Deze maken Zijn glorie uit. Hij is binnenin ons, in onze harten. Hij is ook buiten. De verst gevorderde toegewijden zeggen dat Hij Zelf dit allemaal geworden is – de vierentwintig kosmische principes, dit universum en alle levende wezens. De toegewijde van God wil suiker eten, niet suiker worden. (Allen lachen.)

Weet je hoe iemand die God liefheeft zich voelt? Zijn houding is 'O God, U bent de Meester en ik ben Uw dienaar. U bent de Moeder, en ik ben Uw kind.' Of ook: 'U bent mijn Vader en Moeder. U bent het Geheel en ik ben een deel.' Hij houdt er niet van om te zeggen 'Ik ben Brahman.'

"De yogi wil de Paramātman, de Hoogste Ziel, realiseren. Hij trekt zijn denken terug van zintuiglijke objecten en probeert het te concentreren op de Paramātman. Daarom trekt hij zich tijdens het eerste stadium van zijn spirituele discipline terug in eenzaamheid en praktiseert hij met onverdeelde aandacht meditatie in een vaste houding.

"Maar de Realiteit is één en hetzelfde. Het verschil is er alleen in naam. Hij die Brahman is, is zeer zeker Ātman, en Hij is ook de Bhagavān. Hij is Brahman voor de volgers van het pad van kennis, Paramātman voor de yogi's en Bhagavān voor hen die God liefhebben."

De stoomboot was in de richting van Calcutta gegaan, maar de passagiers, met hun ogen gericht op de Meester en hun oren open voor zijn nectarachtige woorden waren zich niet bewust van zijn beweging. Dakshineswar, met zijn tempels en tuinen, werd achtergelaten. De schoepen van de boot bewogen de wateren van de Ganges met een murmelend geluid. Maar de toegewijden waren onverschillig voor dit allemaal. Betoverd keken ze naar een groot yogi, zijn gezicht opgelicht met een goddelijke glimlach, zijn verschijning liefde uitstralend, zijn ogen sprankelend van vreugde – een man die alles voor God had verzaakt en die niets dan God kende. Onophoudelijk vloeiden woorden van wijsheid van zijn lippen.

Meester: "De jnāni's, die luisteren naar de non-dualistische filosofie van Vedānta, zeggen dat de daden van schepping, instandhouding en vernietiging, het universum zelf en al zijn levende wezens, de manifestaties zijn van Śakti, de Goddelijke Macht.1 Als je het tot het einde toe beredeneert, zal je je realiseren dat dit allemaal zo illusionair is als een droom. Brahman alleen is de Realiteit, en al het andere is onecht. Zelfs deze Śakti is non-substantieel, zoals een droom.

"Maar zelfs als je je hele leven redeneert kan je tenzij je gevestigd bent in samādhi niet voorbij het gebied gaan waar Śakti heerst. Zelfs wanneer je zegt 'Ik ben aan het mediteren' of 'Ik ben aan het contempleren' beweeg je je nog steeds binnen het gebied van Śakti, binnen Haar macht.

"Brahman en Śakti zijn dus identiek. Als je het ene accepteert, moet je het andere accepteren. Het is als vuur en zijn vermogen om te branden. Als je het vuur ziet, moet je zijn vermogen om te branden ook erkennen. Je kan niet denken aan vuur zonder zijn vermogen om te branden, en evenmin kan je denken aan het vermogen om te branden zonder vuur. Je kan de zonnestralen niet zonder de zon bevatten, en evenmin kan je de zon zonder zijn stralen bevatten.

"Hoe is melk? Oh, zeg je, het is iets wits. Je kan niet denken aan de melk zonder de witheid, en ook kan je niet denken aan de witheid zonder de melk.

"Je kan dus niet denken aan Brahman zonder Śakti, of aan Śakti zonder Brahman. Je kan niet denken aan het Absolute zonder het Relatieve, of aan het Relatieve zonder het Absolute.

"De Oerkracht is altijd in het spel.2 Ze schept, houdt in stand en vernietigt in Haar spel, als het ware. Dit vermogen wordt Kāli genoemd. Kāli is zeer zeker Brahman, en Brahman is zeer zeker Kāli. Het is één en dezelfde Realiteit. Wanneer we eraan denken als inactief, dat wil zeggen: niet geëngageerd in de daden van schepping, instandhouding en vernietiging, dan noemen we Het Brahman. Maar wanneer Het engageert in deze activiteiten dan noemen we Het Kāli of Śakti. De Realiteit is één en hetzelfde; het verschil zit hem in naam en vorm.

"Het is zoals water dat in verschillende talen bij verschillende namen wordt genoemd, zoals 'jal', 'pāni', enzovoort. Er zijn drie of vier ghāts in een meer. De Hindoes die water op de ene plaats drinken noemen het 'jal'. De Moslims op een andere plaats noemen het 'pāni'. En de Engelsen op een derde plaats noemen het 'water'. Alle drie duiden ze één en hetzelfde ding aan, het verschil alleen in naam zijnde. Op dezelfde manier adresseren sommigen de Realiteit als 'Āllāh', sommigen als 'God', sommigen als 'Brahman', sommigen als 'Kāli' en anderen met namen als 'Rāma', 'Jezus', 'Durga', 'Hari'."

Keshab (met een glimlach): "Beschrijf voor ons, mijnheer, op hoeveel manieren Kāli, de Goddelijke Moeder, in deze wereld speelt."

Meester (met een glimlach): "Oh, Ze speelt op verschillende manieren. Het is Zij alleen die gekend wordt als Mahā-Kāli, Nitya-Kāli, Śmaśāna-Kāli, Rakshā-Kāli en Śyāmā-Kāli. Mahā-Kāli en Nitya-Kāli worden genoemd in de Tantra-filosofie. Toen er schepping noch zon, maan, planeten en aarde waren en toen duisternis omhuld was in duisternis was de Moeder, de Vormloze, Mahā-Kāli, de Grote Kracht, één met Mahā-Kāla, het Absolute.

"Śyāmā-Kāli heeft een wat teder aspect en wordt aanbeden in de Hindoe-huishoudens. Zij is de Geefster van gunsten en de Verwijderaar van angst. Mensen aanbidden Rakshā-Kāli, de Beschermster, in tijden van epidemieën, hongersnood, aardbevingen, droogte en overstromingen. Śmaśāna-Kāli is de belichaming van de kracht van vernietiging. Zij verblijft op de crematiegronden, omgeven door lijken, jakhalzen en schrikwekkende vrouwelijke geesten. Uit Haar mond stroomt een stroom van bloed, aan Haar nek hangt een rozenkrans van menselijke hoofden, en rond Haar middel is er een gordel gemaakt van menselijke handen.

"Na de vernietiging van het universum, aan het einde van de grote cyclus, verzamelt de Goddelijke Moeder de zaden voor de volgende schepping. Ze is als de oudere vrouw des huizes die een rommelpot heeft waarin ze verschillende artikelen voor huishoudelijk gebruik bewaart. (Allen lachen.)

"Oh, jazeker! Huisvrouwen hebben zulke potten waarin ze 'zeeschuim',3 blauwe pillen, kleine bundels van zaden van komkommer, pompoen en kalebas, enzovoort, houden. Ze halen die eruit wanneer ze die willen hebben. Op dezelfde manier verzamelt mijn Goddelijke Moeder, de Belichaming van Brahman, na de vernietiging van het universum de zaden voor de volgende schepping. Na de schepping verblijft de Oerkracht in het universum zelf. Ze brengt deze fenomenale wereld voort en doordringt deze dan. In de Veda's wordt schepping vergeleken met de spin en zijn web. De spin haalt het web uit zichzelf en verblijft er dan in. God is de bevatter van het universum en ook wat erin bevat wordt.

"Heeft Kāli, mijn Goddelijke Moeder, een zwarte huidskleur? Ze lijkt zwart omdat Ze gezien wordt vanaf een afstand, maar wanneer intiem gekend, is Ze niet meer zo. De lucht lijkt blauw vanaf een afstand, maar als je er van dichtbij naar kijkt dan zul je merken dat hij geen kleur heeft. Het water van de oceaan lijkt blauw vanaf een afstand, maar wanneer je dichtbij komt en het in je hand neemt, merk je dat het kleurloos is."

De Meester werd bevangen door goddelijke liefde en zong:

Is Kāli, mijn Moeder, echt zwart?
De Naakte, zwart van kleur,
Verlicht de Lotus van het Hart. …

De Meester vervolgde: "Gebondenheid en bevrijding zijn allebei van Haar hand. Door Haar māyā raken wereldse mensen verstrikt in 'vrouwen en goud', en ook bereiken ze via Haar genade hun bevrijding. Ze wordt de Bevrijdster genoemd en de Verwijderaar van de gebondenheid die je aan de wereld bindt."

Daarna zong de Meester het volgende lied4 met zijn melodieuze stem:

In de drukke marktplaats van de wereld, o Śyāmā, laat U vliegers vliegen;
Hoog vliegen ze op de wind van hoop, vastgehouden door māyā's touw.
Hun raamwerken zijn menselijke skeletten, hun zeilen gemaakt van de drie guna's;
Maar al hun curieuze vakmanschap is slechts versiersel.
Op de vliegertrouwen heeft U de mānjā-pasta5 van wereldlijkheid gewreven,
Om iedere strakke lijn des te scherper en sterker te maken.
Van de honderd vliegers breken er op zijn hoogst één of twee vrij;
En U lacht en klapt in Uw handen, o Moeder, terwijl U naar ze kijkt!
Op gunstige winden, zegt Rāmprasād, zullen de vrijgemaakte vliegers snel
Weggedragen worden naar het Oneindige, overheen de zee van de wereld.

De Meester zei: "De Goddelijke Moeder is altijd speels en sportief. Dit universum is Haar spel. Ze heeft een eigen wil en moet altijd Haar zin hebben. Ze is vol van gelukzaligheid. Ze geeft vrijheid aan één iemand uit een honderdduizend."

Een Brāhmo-toegewijde: "Maar mijnheer, als Ze wil, kan Ze vrijheid geven aan allen. Waarom heeft Ze ons dan gebonden gehouden aan de wereld?"

Meester: "Dat is Haar wil. Ze wil doorgaan met spelen met Haar geschapen wezens. In een spel van verstoppertje6 stopt het rondrennen gauw wanneer in het begin alle spelers de 'oma' aanraken. Als iedereen haar aanraakt, hoe kan het spel dan doorgaan? Dat stemt haar ontevreden. Haar plezier zit hem in het doorgaan van het spel. Daarom zei de poëet:

Van de honderd vliegers breken er op zijn hoogst één of twee vrij;
En U lacht en klapt in Uw handen, o Moeder, terwijl U naar ze kijkt!

"Het is alsof de Goddelijke Moeder tegen het menselijk denken in vertrouwen, met een teken van Haar oog, zei 'Ga genieten van de wereld.' Hoe kan het denken de schuld gegeven worden? Het denken kan zichzelf losmaken van wereldlijkheid wanneer, via Haar genade, Ze het naar Zichzelf toekeert. Alleen dan raakt het toegewijd aan de Lotusvoeten van de Goddelijke Moeder."

Daarop zong Sri Ramakrishna, de kwellingen van alle huishouders op hem nemend, een lied, klagend bij de Goddelijke Moeder:

Moeder, dit is het verdriet dat mijn hart pijnlijk verdriet doet,
Dat zelfs met U als Moeder, en hoewel ik klaarwakker ben,
Er een overval in mijn huis plaats moet vinden.
Heel, heel vaak zweer ik U te aanroepen,
Maar wanneer het tijd is voor gebed ben ik het vergeten.
Nu zie ik dat het allemaal Uw truc is.

Omdat U nooit heeft gegeven, ontvangt U niets;
Is dat mijn schuld, o Moeder? Als U maar had gegeven,
Had U voorzeker ontvangen;
Uit Uw eigen giften zou ik aan U gegeven hebben.
Glorie en schaamte, bitterheid en zoetheid, zijn van U alleen;
Deze wereld is niets dan Uw spel.
Waarom dan, o Gelukzalige, veroorzaakt U een scheuring daarin?

Rāmprasād zegt: U heeft dit denken aan mij geschonken,
En met een kennende knipoog van Uw oog
Tegelijkertijd geboden te gaan genieten van de wereld.
En dus dwaal ik hier verloren door Uw schepping,
Verdoemd, als het ware, door iemands kwaadaardige blik,
Het bittere nemend voor het zoete,
Het onechte nemend voor het Echte.

De Meester vervolgde: "Mensen worden misleid door Haar māyā en zijn gehecht geraakt aan de wereld.

Rāmprasād zegt: U heeft dit denken aan mij geschonken,
En met een kennende knipoog van Uw oog
Het tegelijkertijd geboden te gaan genieten van de wereld."

Brāhmo-toegewijde: "Mijnheer, kunnen we God niet realiseren zonder volledige verzaking?"

Meester (met een lach): "Natuurlijk kunnen jullie dat! Waarom zou je alles verzaken? Jullie zijn allemaal goed zoals jullie zijn, het middenpad volgend – zoals melasse half vast en half vloeibaar. Ken je het spel van nax?7 Het maximale aantal punten gescoord hebbend ben ik uit het spel. Ik kan er niet van genieten. Maar jullie zijn heel slim. Sommigen van jullie hebben tien punten gescoord, sommigen zes en sommigen vijf. Jullie hebben precies het juiste aantal gescoord, dus jullie zijn niet uit het spel zoals ik. Het spel kan doorgaan. Wel, dat is prima! (Allen lachen.)

"Ik vertel jullie de waarheid: er is niets mis mee dat jullie in de wereld zijn. Maar je moet je denken naar God richten, anders zul je niet slagen. Vervul je plicht met de ene hand en houd God vast met de andere. Nadat de plicht vervuld is houd je God vast met beide handen.

"Het is allemaal een kwestie van het denken. Gebondenheid en bevrijding zijn van het denken alleen. Het denken neemt de kleur aan waarmee je het verft. Het is als witte kleren die net terugkomen van de wasserij. Als je ze in rode verf dompelt, zullen ze rood zijn. Als je ze in blauw of groen dompelt, zullen ze blauw of groen zijn. Ze zullen alleen de kleur aannemen waarin je ze dompelt, welke dan ook. Is het je niet opgevallen dat als je een beetje Engels leest je meteen Engelse woorden begint uit te spreken: Foot fut it mit?8 Dan doe je laarzen aan en fluit je een deuntje en dergelijke. Het komt allemaal samen. Of als een geleerde Sanskriet studeert, zal hij meteen Sanskriet-verzen afratelen. Als je je in slecht gezelschap bevindt dan zal je praten en denken zoals je metgezellen. Wanneer je daartegenover in het gezelschap bent van toegewijden, zal je alleen aan en over God denken en praten.

"Het denken is alles. Een man heeft zijn vrouw aan de ene kant en zijn dochter aan de andere. Hij toont alleen zijn affectie aan hen op verschillende manieren. Maar zijn denken is één en hetzelfde.

"Gebondenheid is van het denken en vrijheid is ook van het denken. Een mens is vrij als hij constant denkt 'Ik ben een vrije ziel. Hoe kan ik gebonden zijn, of ik nu in de wereld leef of in het bos? Ik ben een kind van God, de Koning van Koningen. Wie kan me binden?' Wanneer gebeten door een slang kan een mens zich ontdoen van zijn gif door empathisch te zeggen 'Er is geen gif in me.' Op dezelfde manier: door radicaal en met vastberadenheid te herhalen 'Ik ben niet gebonden, ik ben vrij' word je echt zo – word je echt vrij.

"Ooit gaf iemand me een boek van de Christenen. Ik vroeg hem om het aan me voor te lezen. Het sprak over niets dan zonde. (Tot Keshab) Zonde is ook het enige waarover je hoort bij jouw Brāhmo Samāj. De stakker die constant zegt 'Ik ben gebonden, ik ben gebonden' slaagt er enkel in gebonden te zijn. Hij die dag en nacht zegt 'Ik ben een zondaar, ik ben een zondaar' wordt zeer zeker een zondaar.

Je moet zulk een brandend geloof in God hebben dat je kan zeggen: 'Wat? Ik heb de naam van God herhaald en kan zonde dan nog steeds zich aan me vastkleven? Hoe kan ik nog een zondaar zijn? Hoe kan ik nog gebonden zijn?'

"Als een mens de naam van God herhaalt worden zijn lichaam, denken en al het andere zuiver. Waarom zou je alleen spreken over zonde en de hel en dergelijke dingen? Zeg slechts eenmalig 'O Heer, ik heb ongetwijfeld slechte dingen gedaan, maar ik zal ze niet herhalen' en heb vertrouwen in Zijn naam."

Sri Ramakrishna werd bevangen door goddelijke liefde en zong:

Als ik enkel maar kon heengaan, Durgā's naam herhalend,
Hoe kunt U dan, o Gezegende,
Mij bevrijding onthouden,
Ellendig als ik mag zijn? …

Vervolgens zei hij: "Tot mijn Goddelijke Moeder bad ik enkel om pure liefde. Ik offerde bloemen aan Haar Lotusvoeten en bad tot Haar: 'Moeder, hier is Uw deugd, hier is Uw ondeugd. Neem ze beide en schenk me enkel pure liefde voor U. Hier is Uw kennis, hier is Uw onwetendheid. Neem ze beide en schenk me enkel pure liefde voor U. Hier is Uw zuiverheid, hier is Uw onzuiverheid. Neem ze beide, Moeder, en schenk me enkel pure liefde voor U. Hier is Uw dharma, hier is Uw adharma. Neem ze beide, Moeder, en schenk me enkel pure liefde voor U.'

(Tot de Brāhmo-toegewijden) "Luister nu naar een lied van Rāmprasād:

Kom, laten we gaan wandelen, o denken, naar Kāli, de Wensvervullende Boom,
En daaronder de vier vruchten van het leven verzamelen.
Breng van je twee vrouwen, Dispassie en Wereldlijkheid,
Enkel Dispassie, op weg naar de Boom,
En vraag haar zoon Onderscheiding naar de Waarheid.

Wanneer zou je leren te liegen, o denken, in de verblijfplaats van Gezegendheid,
Met Zuiverheid en Bevuiling aan je beide zijden?
Alleen wanneer je de weg hebt gevonden
Om deze vrouwen tevreden onder een enkel dak te houden,
Zal je de ongeëvenaarde vorm van Moeder Śyāmā aanschouwen.

Ego en Onwetendheid, je ouders, verdwijnen meteen uit zicht;
En zou Waan je in zijn hol willen trekken,
Klamp je dan dapper vast aan de pilaar van Geduld.
Bind aan de paal van Zorgeloosheid de geiten van Ondeugd en Deugd.
Hen dodend met het zwaard van Kennis als ze rebelleren.

Smeek met de kinderen van Wereldlijkheid, je eerste vrouw, vanaf een goede afstand,
En als ze niet luisteren, verdrink ze dan in de zee van Wijsheid.
Zo zegt Rāmprasād: als je doet wat ik zeg,
Kan je een goede balans overleggen, o denken, aan de Koning van de Dood,
En ik zal goed tevreden over je zijn en je mijn lieveling noemen.

"Waarom zou je niet in staat zijn om God te realiseren in deze wereld? Koning Janaka had zo'n realisatie. Rāmprasād beschreef de wereld als slechts een 'raamwerk van illusie'. Maar als je van Gods geheiligde voeten houdt, dan –

Deze zekere wereld is een huis van vrolijkheid;
Hier kan ik eten, drinken en plezier maken.
Janaka's macht was ongeëvenaard;
Wat ontbrak hem van de wereld of de Geest?
Vasthoudend aan zowel de een als de ander,
Dronk hij zijn melk uit een overvolle beker!

(Allen lachen.)

"Maar je kan niet ineens een Koning Janaka zijn. Janaka beoefende eerst veel ascese in eenzaamheid.

"Zelfs wanneer je in de wereld leeft moet je nu en dan alleen zijn. Het zal van een grote hulp zijn voor een mens wanneer hij weg gaat van zijn familie, alleen leeft, en zelfs maar drie dagen voor God huilt. Ook wanneer hij zelfs maar één dag aan God denkt in eenzaamheid, als hij de vrijetijd heeft, zal hem dat goed doen. Mensen vergieten een hele kruik tranen om vrouw en kinderen. Maar wie huilt er om de Heer? Nu en dan moet je in eenzaamheid gaan en spirituele discipline beoefenen om God te realiseren. Levend in de wereld en verstrikt in veel van zijn plichten ondervindt de aspirant tijdens het eerste stadium van het spirituele leven veel obstakels op het pad van concentratie. Zolang de bomen op het voetpad jong zijn moeten ze omheind worden, anders zullen ze vernietigd worden door vee. De omheining is noodzakelijk wanneer de boom jong is, maar die kan weggehaald worden wanneer de stam dik en sterk is. Dan ondervindt de boom zelfs geen schade wanneer er een olifant aan wordt gebonden.

"De ziekte van wereldlijkheid is als tyfus. En er zijn een grote kruik met water en een kruik met smakelijke augurken in de kamer van de tyfuspatiënt. Als je hem wil genezen van zijn ziekte, moet je hem uit die kamer verwijderen. De wereldlijke mens is als de tyfuspatiënt. De diverse objecten van geneugten zijn de grote kruik met water, en het snakken naar hun genieting is zijn dorst. Alleen al de gedachte aan augurken doet de mond wateren; je hoeft ze niet nabij te brengen. En hij is erdoor omgeven. Het gezelschap van vrouwen is de augurken. Daarom is behandeling in eenzaamheid noodzakelijk.

"Je kan de wereld instappen na het bereiken van onderscheidingsvermogen en dispassie. In de oceaan van de wereld zijn er zes alligators: lust, boosheid, enzovoort. Maar je hoeft de alligators niet te vrezen als je je lichaam in smeert met geelwortel voordat je in het water gaat. Onderscheidingsvermogen en dispassie zijn de geelwortel. Onderscheidingsvermogen is de kennis van wat echt is en wat onecht is. Het is de realisatie dat God alleen het echte en eeuwige Substantie is en dat al het andere onecht, vergankelijk, niet permanent is. En je moet intense geestdrift voor God cultiveren. Je moet liefde voor Hem voelen en tot Hem aangetrokken zijn. De gopi's van Vrindāvan voelden de aantrekking tot Krishna. Laat me een lied voor jullie zingen:

Luister! De fluit heeft zich laten horen ginder in het woud.
Daar moet ik heen vluchten, want Krishna wacht op het pad.
Vertel me, vrienden, komen jullie mee of niet?
Voor jullie is mijn Krishna slechts een lege naam;
Voor mij is Hij de kwelling van mijn hart.
Jullie horen Zijn fluittonen enkel met jullie oren,
Maar, oh, ik hoor ze in mijn diepste ziel.
Ik hoor Zijn fluit roepen: 'Rādhā, kom tevoorschijn!
Zonder jou is het bos ontdaan van zijn heerlijkheid.'"

De Meestert zong het lied met tranen in zijn ogen en zei tot Keshab en de andere Brāhmo-toegewijden: "Of je Rādhā en Krishna nu wel of niet accepteert, accepteer asjeblieft hun aantrekking tot elkaar. Probeer diezelfde hunkering in je hart voor God te creëren. Hunkering is alles wat je nodig hebt om Hem te realiseren."

Geleidelijk zette het eb-getijde in. De stoomboot maakte vaart richting Calcutta. Hij ging onder de Howrah-brug door en kwam in zicht van de botanische tuinen. De kapitein werd gevraagd om wat verder de rivier op te gaan. De passagiers waren betoverd door de woorden van de Meester en de meesten van hen hadden geen idee van de tijd of van hoe ver ze waren gekomen.

Keshab begon wat gepofte rijst en geraspte kokosnoot te serveren. De gasten hielden deze in de vouwen van hun gedragen kleding en begonnen aanstonds te eten. Iedereen was vreugdevol. De Meester merkte echter op dat Keshab en Vijay elkaar nogal mijden, en hij was erom bezorgd hen te verzoenen.

Meester (tot Keshab): "Kijk. Daar is Vijay. Jullie onenigheid lijkt op het gevecht tussen Śiva en Rāma. Śiva was Rāma's guru. Hoewel ze met elkaar vochten maakten ze het snel goed. Maar de grimassen van de geesten, de volgers van Śiva, en het gekwek van de apen, de volgers van Rāma, kwamen niet tot een einde! (Hard gelach.) Zulke onenigheden vinden zelfs plaats onder de eigen vrienden en familieleden. Vocht Rāma niet met zijn eigen zonen, Lava en Kuśa? Je moet ook opgemerkt hebben hoe een moeder en dochter, samenwonend en hetzelfde spirituele doel voor ogen hebbend, apart religieus vasten op dinsdagen, elk voor zichzelf – alsof het welzijn van de moeder anders zou zijn dan het welzijn van de dochter. Maar wat goed is voor de een is ook goed voor de ander. Op dezelfde manier heb jij een religieus genootschap, en Vijay vindt dat hij er ook een moet hebben. (Gelach.) Maar ik vind dat dit allemaal nodig is. Terwijl Sri Krishna, Zelf God in incarnatie, speelde met de gopi's in Vrindāvan, verschenen probleemmakers zoals Jatilā en Kutilā op het toneel. Je kan je afvragen waarom. Het antwoord is dat het spel zich niet ontvouwt zonder de probleemmakers. (Allen lachen.) Er is geen plezier zonder Jatilā en Kutilā. (Luid gelach.)

Allen verheugden zich in het gezelschap en de woorden van de Meester.

Meester (tot Keshab): "Jij kijkt niet naar de aard van mensen voordat je ze tot je discipelen maakt, en daarom breken ze van je weg.

"Alle mannen zien er hetzelfde uit, zeer zeker, maar ze zijn verschillend van aard. Sommigen hebben een overdaad aan sattva, anderen een overdaad aan rajas, en weer anderen een overdaad aan tamas. Je moet opgemerkt hebben dat de puli-gebakjes er allemaal hetzelfde uit zien. Maar hun inhouden zijn heel verschillend. Sommige bevatten gecondenseerde melk, sommige kokosnoot-vruchtvlees en andere enkel gekookte kalāi-peulen. (Allen lachen.)

"Weet je wat mijn houding is? Wat mezelf betreft: ik eet, drink en leef gelukkig. De rest weet de Goddelijke Moeder. Inderdaad, er zijn drie woorden die me prikkelen: 'goeroe', 'meester' en 'vader'.

"Er is slechts één Goeroe, en dat is Satchidānanda. Hij alleen is de Leraar. Mijn houding naar God is die van een kind naar zijn moeder. Je kan miljoenen menselijke goeroes krijgen. Allen willen leraar zijn. Maar wie geeft erom een discipel te zijn?

"Het is extreem moeilijk om anderen te onderwijzen. Een mens kan alleen onderwijzen wanneer God Zich aan hem openbaart en het bevel geeft. Nārada, Śukadeva en wijzen zoals hen hadden zulk een bevel van God, en Śankara had het ook. Wie zal naar je woorden luisteren tenzij je een bevel van God hebt?

Weet je niet hoe gemakkelijk de mensen van Calcutta opgewonden raken? De melk in de ketel kookt en borrelt alleen omhoog zolang het vuur eronder brandt. Neem de brandstof weg en alles wordt stil. De mensen van Calcutta vinden sensaties geweldig. Je kan ze een put zien graven op een bepaalde plaats. Ze zeggen dat ze water willen. Maar als ze een steen tegen komen geven ze die plaats op; ze beginnen op een andere plaats. En daar vinden ze misschien zand; ze geven de tweede plaats ook op. Vervolgens beginnen ze op een derde. En zo gaat dat. Maar het is niet genoeg wanneer een mens zich enkel inbeeldt dat hij Gods bevel heeft.

"Weldegelijk openbaart God Zich aan en spreekt Hij tot de mens. Alleen dan kan je Zijn bevel ontvangen. Hoe krachtig zijn de woorden van zulk een leraar! Ze kunnen bergen verzetten. Maar enkel lezingen? Mensen zullen enkele dagen naar ze luisteren en ze dan vergeten. Ze zullen nooit naar enkel woorden handelen.

"In Kāmārpukur is er een klein meer genaamd het Hāldārpukur. Bepaalde mensen plachten zijn oevers iedere dag te bevuilen. Anderen die daar in de ochtend kwamen om te baden plachten de overtreders luid een uitbrander te geven. Maar de volgende ochtend vonden ze dezelfde situatie. De overlast stopte niet. (Allen lachen.) De dorpsbewoners lichtten uiteindelijk de autoriteiten erover in. Er werd een agent gestuurd die een bord op de oever zette dat zei: 'Geen overlast plegen.' Dit stopte de overlast onmiddellijk. (Allen lachen.)

"Om anderen te onderwijzen heb je een penning van autoriteit nodig, anders wordt onderwijzen een bespotting. Een mens die zelf onwetend is start met het onderwijzen van anderen – zoals de blinde de blinden leidt! In plaats van goed te doen, doet zo'n onderwijzen schade. Na de realisatie van God krijg je een innerlijke visie. Alleen dan kan je iemands spirituele kwaal diagnosticeren en instructies geven.

"Zonder de opdracht van God wordt een mens verwaand. Hij zegt tegen zichzelf 'Ik onderwijs mensen.' Deze verwaandheid komt voort uit onwetendheid, want alleen een onwetend persoon voelt dat hij de doener is. Een mens wordt zeer zeker bevrijd in het leven als hij voelt: 'God is de Doener. Hij alleen doet alles. Ik doe niets.' Het lijden en de zorgen van de mens ontspringen enkel uit zijn persistente gedachte dat hij de doener is.

"Jullie mensen spreken over goede dingen doen voor de wereld. Is de wereld zo'n klein ding? En wie ben jij, in hemelsnaam, om goede dingen voor de wereld te doen? Realiseer eerst God, zie Hem door middel van spirituele discipline. Als Hij je macht geeft dan kan je goede dingen voor anderen doen, anders niet."

Een Brāhmo-toegewijde: "Mijnheer, moeten we dan onze activiteiten opgeven totdat we God realiseren?"

Meester: "Nee. Waarom zou je? Je moet je engageren in activiteiten als contemplatie, het bezingen van Zijn glorie en andere dagelijkse devoties."

Brāhmo: "Maar wat met onze wereldlijke plichten – plichten geassocieerd met ons verdienen van geld en dergelijke?"

Meester: "Ja, je kan die ook uitvoeren, maar alleen zoveel als nodig is voor je levensonderhoud. Tegelijkertijd moet je bidden tot God in eenzaamheid, met tranen in je ogen, dat je in staat zal zijn om die plichten uit te voeren op een onzelfzuchtige manier. Je moet tegen Hem zeggen: 'O God, maak mijn wereldlijke plichten minder en minder, anders, o Heer, merk ik dat ik U vergeet – wanneer ik betrokken ben bij teveel activiteiten. Ik kan denken dat ik onzelfzuchtig werk doe, maar het blijkt zelfzuchtig te zijn.' Mensen die teveel aalmoezen geven of voedsel onder de armen uitdelen vallen ten prooi aan de begeerte om naam en faam te verkrijgen.

"Sambhu Mallick sprak eens over het vestigen van ziekenhuizen, hulpposten en scholen, het maken van wegen, het graven van publieke reservoirs, enzovoort. Ik zei tegen hem: 'Wees niet te enthousiast met het zoeken naar dergelijke werken. Onderneem alleen die werken die zichzelf bij je aandienen en van een drukkende noodzakelijkheid zijn – en alleen in een geest van onthechting.' Het is niet goed om betrokken te raken in veel activiteiten. Dat maakt dat je God vergeet. Naar de Kālighāt-tempel komend spenderen sommigen misschien hun hele tijd aan het geven van aalmoezen aan de armen. Ze hebben geen tijd om de Moeder in het binnenste altaar te zien! (Gelach.) Slaag er eerst in om op de een of andere manier de beeltenis van de Goddelijke Moeder te zien, zelfs door je doorheen de menigte te murwen. Daarna kan je wel of niet aalmoezen geven, als je dat wil. Je kan naar hartenlust geven aan de armen, als je dat zo voelt. Werk is slechts een middel tot het realiseren van God. Daarom zei ik tegen Sambhu 'Veronderstel dat God voor je verschijnt; ga je Hem dan vragen om ziekenhuizen en hulpposten voor je te bouwen?' (Gelach.) Een liefhebber van God vraagt dat nooit. Hij zal eerder zeggen 'O Heer, geef me een plek aan Uw Lotusvoeten. Houd me altijd in Uw gezelschap. Geef me oprechte en pure liefde voor U.'

"Karmayoga is inderdaad heel moeilijk. In het Kaliyuga is het extreem moeilijk om de rituelen uit de geschriften uit te voeren. Vandaag de dag is het leven van de mens gecentreerd in enkel voedsel. Hij kan niet veel schriftuurrituelen uitvoeren. Stel dat een mens neerligt met koorts. Als je een langzame genezing probeert met de ouderwetse inheemse remedies, kan zijn leven al lang uitgedoofd zijn. Hij kan niet veel uitstel verdragen. Vandaag de dag is de drastische 'D. Gupta'9 receptuur toepasselijk. In het Kaliyuga is de beste manier bhaktiyoga, het pad van devotie – het bezingen van de glorie van de Heer en gebed. Het pad van devotie alleen is de religie van dit tijdperk. (Tot de Brāhmo-toegewijden) Jullie pad is ook dat van devotie. Jullie zijn inderdaad gezegend dat jullie de naam van Hari scanderen en de glories van de Goddelijke Moeder bezingen. Ik houd van jullie houding. Jullie noemen de wereld geen droom, zoals de non-dualisten. Jullie zijn geen Brahmajnāni's zoals hen; jullie zijn bhakta's, liefhebbers van God. Dat jullie over Hem spreken als een Persoon is ook goed. Jullie zijn toegewijden. Jullie zullen Hem zeker realiseren als je Hem met oprechtheid en ernst aanroept."

De boot ging voor anker bij Kayalāghāt en de passagiers bereidden zich voor om aan land te gaan. Buiten komend merkten ze op dat de volle maan scheen. De bomen, de gebouwen en de boten op de Ganges werden gebaad in haar zachte licht. Een rijtuig werd aangehouden voor de Meester, en M. en een paar toegewijden stapten met hem in. De Meester vroeg naar Keshab. Die laatste kwam aanwezig en vroeg naar de regelingen die waren gemaakt voor de terugkeer van de Meester naar Dakshineswar. Daarna boog hij diep en nam hij afscheid van Sri Ramakrishna.

Het rijtuig reed door het Europese deel van de stad. De Meester genoot van het uitzicht op de mooie herenhuizen aan beide zijden van de goedverlichte straten. Plotseling zei hij: "Ik heb dorst. Wat kunnen we doen?" Nandalal, Keshabs neef, stopte het rijtuig voor de India-club en ging naar boven om wat water te halen. De Meester vroeg of het glas goed was gewassen. Toen hem werd verzekerd dat dit het geval was dronk hij het water.

Terwijl het rijtuig voortging stak de Meester zijn hoofd uit het raam en keek hij met het plezier van een kind naar de mensen, de voertuigen, de paarden en de straten, allemaal badend in maanlicht. Nu en dan hoorde hij Europese dames zingen aan de piano. Hij was in een heel blije stemming.

Het rijtuig arriveerde bij het huis van Suresh Mitra die een groot toegewijde van de Meester was en die hij met affectie aansprak als Surendra. Hij was niet thuis.

De leden van het huishouden openden een kamer op de begane grond voor de Meester en zijn gezelschap. De taxikosten moesten worden betaald. Surendra zou daarvoor gezorgd hebben als hij er was geweest. De Meester zij tegen een toegewijde: "Waarom vraag je de dames niet om te betalen voor de kosten? Ze weten vast dat hun meester ons bezoekt in Dakshineswar. Ik ben geen vreemde voor hen." (Allen lachen.)

Narendra, die in dat deel van de stad woonde, werd gehaald. In de tussentijd werden Sri Ramakrishna en de toegewijden uitgenodigd in de zitkamer boven. De vloer van de kamer was bedekt met een tapijt en een wit laken. Verspreid lagen er een paar kussens. Aan de muur hing een olieverfschilderij, speciaal geschilderd voor Surendra, waarin Sri Ramakrishna aan Keshab de harmonie uitlegde van Christendom, Islam, Boeddhisme, Hindoeïsme en andere religies. Bij het zien van het schilderij had Keshab ooit gezegd "Gezegend is de man die dat idee ontving."

Sri Ramakrishna sprak vreugdevol met de toegewijden toen Narendra arriveerde. Dit maakte de Meester dubbel blij. Hij tegen zij jonge discipel "We hadden een bootreis met Keshab vandaag. Vijay en veel andere Brāhmo-toegewijden waren er. (Naar M. wijzend.) Vraag hem wat ik zei tegen Keshab en Vijay over de moeder en dochter die hun religieus vasten op dinsdag houden, elk voor zichzelf hoewel het welzijn van de een het welzijn van de ander betekende. Ik zei tegen Keshab dat probleemmakers zoals Jatilā en Kutilā noodzakelijk waren om levendigheid aan het spel te geven. (Tot M.) Is dat niet zo?"

M: "Ja mijnheer. Zo is dat."

Het was laat. Surendra was nog niet terug. De Meester moest vertrekken naar de tempeltuin en een taxi werd voor hem gehaald. M. en Narendra groetten hem en vertrokken. Sri Ramakrishna's rijtuig vertrok naar Dakshineswar door de maanbeschenen straten.