Arvindus

Het gospel van Sri Ramakrishna

01 januari 1883

  • Titel: Het gospel van Sri Ramakrishna, 01 januari 1883.
  • Auteur: Mahendranath Gupta.
  • Eerste vertaler: Swami Nikhilananda.
  • Tweede vertaler: Arvindus.
  • Uitgever: Arvindus.
  • Auteursrecht: 2023, Arvindus, alle rechten voorbehouden.
  • Index: 202303191.
  • Editie: html, eerste editie.
  • Hoofdbron: Mahendranath Gupta, The Gospel of Sri Ramakrishna, Swami Nikhilananda (translator), Sri Ramakrishna Math, Chennai.

Om acht uur in de ochtend was Sri Ramakrishna gezeten op een mat die was gespreid op de vloer van zijn kamer in Dakshineswar. Omdat het een koude dag was had hij zijn lichaam gewikkeld in zijn moleskin sjaal. Prankrishna en M. waren gezeten voor hem. Rakhal was ook in de kamer. Prankrishna was een hoge overheidsambtenaar en woonde in Calcutta. Omdat hij geen nakomelingen had gekregen bij zijn eerste vrouw was hij met haar toestemming een tweede keer getrouwd. Bij de tweede vrouw had hij een zoon. Omdat hij nogal stevig was adresseerde de Meester hem nu en dan met "de dikke brāhmin". Hij had veel respect voor Sri Ramakrishna. Hoewel hij een huishouder was, bestudeerde Prankrishna de Vedānta en had men hem horen zeggen "Brahman alleen is echt en de wereld is illusionair. Ik ben Hij." De Meester placht tegen hem te zeggen: "In de Kaliyuga hangt het leven van een mens af van eten. Het pad van devotie dat door Nārada wordt voorgeschreven is het beste voor dit tijdperk."

Een toegewijde had een mand met jilipi voor de Meester meegenomen die hij aan zijn zijde hield. Een beetje etend van de zoetigheden zei hij tegen Prankrishna met een glimlach: "Kijk, ik scandeer de naam van de Goddelijke Moeder dus krijg ik al deze goede dingen te eten. (Gelach.) Maar Ze geeft niet zulke vruchten als kalebas of pompoen. Ze schenkt de vrucht van Amrita, Onsterfelijkheid – kennis, liefde, onderscheiding, verzaking, enzovoort."

Een jongen van zes of zeven jaar oud kwam de kamer binnen. De Meester zelf werd als een kind. Hij dekte de inhoud van de mand af met de palm van zijn hand, zoals een kind zoetigheden voor een ander kind verbergt zodat die laatstgenoemde ze niet zou weggrissen. Vervolgens zette hij de mand terzijde.

Plotseling ging de Meester in samādhi en zat zo een lange tijd. Zijn lichaam was bewegingsloos, zijn ogen wijd open zonder te knipperen, zijn ademhaling nauwelijks waarneembaar. Na een lange tijd nam hij een diepe ademteug, zijn terugkeer naar de zintuiglijke wereld indicerend.

Meester (tot Prankrishna): "Mijn Goddelijke Moeder is niet alleen vormloos; Ze heeft ook vormen. Je kan Haar vormen zien. Je kan Haar ongeëvenaarde schoonheid zien via gevoel en liefde. De Moeder onthult Zichzelf aan Haar toegewijde in verschillende vormen.

"Ik zag Haar gisteren. Ze was gekleed in een naadloos okerkleurig gewaad, en Ze sprak met me.

"Ze kwam op een andere dag tot me als een Muzelman-meisje van zes of zeven jaar oud. Ze had een tilak op haar voorhoofd en was naakt. Ze wandelde met me, grappend en dartelend als een kind.

"In Hriday's huis had ik een visioen van Gaurānga. Hij droeg een zwartgerand kleed.

"Haladhari placht te zeggen dat God voorbij zowel Zijn als Niet-zijn is. Ik vertelde de Moeder erover en vroeg Haar 'Is de goddelijke vorm dan een illusie?' De Goddelijke Moeder verscheen aan me in de vorm van Rati's moeder en zei 'Verblijft in bhāva1 gij. Ik herhaalde dit aan Haladhari. Nu en dan vergeet ik Haar gebod en lijd ik. Ik brak eens mijn tand omdat ik niet in bhāva verbleef. Dus ik zal in bhāva verblijven tenzij ik een openbaring ontvang van de hemel of een directe ervaring van het tegendeel heb. Ik zal het pad van liefde volgen. Wat zeg jij ervan?"

Prankrishna: "Ja mijnheer."

Meester: "Maar waarom zou ik jou ernaar vragen? Er is Iemand binnenin mij die al deze dingen door me heen doet. Ik placht soms te verblijven in een gemoed van Goddelijkheid en genoot geen vrede tenzij ik aanbeden werd.

"Ik ben de machine en God is de Bedienaar. Ik handel zoals Hij me laat handelen. Ik spreek zoals Hij me laat spreken.

Houd je vlot, zegt Rāmprasād, drijvend op de zee van leven,
Opwaarts drijvend met het vloedgetij, neerwaarts drijvend met eb.

"Het is als het losgelaten blad alvorens een storm: soms wordt het geblazen naar een goede plaats en soms in de goot, afhankelijk van de richting van de wind.

"Zoals de wever zei in het verhaal: 'De roof werd uitgevoerd door de wil van Rāma, ik werd gearresteerd door de politie door de wil van Rāma en door de wil van Rāma werd ik ook vrijgelaten.'

"Hanumān zei eens tot Rāma: 'O Rāma, ik heb toevlucht tot U genomen. Zegen me dat ik zuivere devotie aan Uw Lotusvoeten mag hebben en dat ik niet gevangen zal raken in de betovering van Uw wereldbetoverende māyā.'

"'Een stervende brulkikker zei eens tot Rāma: 'O Rāma, wanneer gevangen door een slang roep ik om Uw bescherming. Maar nu sta ik op het punt te sterven, geraakt door Uw pijl. Daarom ben ik stil.'

"Ik placht God direct te zien met precies deze ogen, net zoals ik jou zie. Nu zie ik goddelijke visioenen in trance.

"Na het realiseren van God wordt een mens als een kind. Je verkrijgt de aard van het object waarop je mediteert. De aard van God is als die van een kind. Zoals een kind zijn speelgoedhuis opbouwt en afbreekt, handelt God bij het creëren, onderhouden en vernietigen van het universum. Verder is God, zoals het kind niet onder controle is van enige guna, voorbij de drie guna's – sattva, rajas en tamas. Dat is waarom paramahamsa's vijf of tien kinderen bij zich houden: zodat ze hun aard zullen aannemen."

Op de vloer in de kamer zat een jongeman uit Āgarpārā van ongeveer tweeëntwintig jaar oud. Wanneer hij naar de tempeltuin kwam, nam hij de Meester terzijde met een teken en fluisterde hij gedachten tegen hem. Hij was een nieuwkomer. Die dag zat hij op de vloer naast de Meester.

Meester (tot de jongeman): "Een mens kan zijn aard veranderen door het karakter van een ander te imiteren. Hij kan afkomen van een passie als lust door het vrouwelijke gemoed aan te nemen. Geleidelijk aan gaat hij precies handelen als een vrouw. Ik heb opgemerkt dat mannen die vrouwelijke rollen spelen in het theater spreken als vrouwen of hun tanden poetsen als vrouwen tijdens het bad. Kom nog eens op een dinsdag of zaterdag.

(Tot Prankrishna) "Brahman en Śakti zijn onscheidbaar. Tenzij je Śakti accepteert zul je het hele universum als onecht beschouwen – 'ik', 'jij', huis, gebouwen en familie. De wereld is solide omdat de Oorzakelijke Energie erachter staat. Als er geen ondersteunende paal is kan er geen raamwerk gemaakt worden, en zonder het raamwerk kan er geen mooi beeld van Durgā zijn.

"Zonder wereldlijkheid op te geven kan een mens zijn spirituele bewustzijn niet doen ontwaken, noch kan hij God realiseren. Hij kan niet anders dan een hypocriet zijn zolang hij zelfs maar een spoor van wereldlijke begeerte heeft. God kan niet gerealiseerd worden zonder onschuld.

Koester liefde binnenin je hart; laat geslepenheid en bedrog achter;
Door dienstbaarheid, aanbidding, onzelfzuchtigheid, komt Rāma's gezegende visioen.

Zelfs zij die geëngageerd zijn in wereldlijke activiteiten zoals kantoorwerk of handel moeten zich aan de waarheid houden. Waarachtigheid alleen is de spirituele discipline in de Kaliyuga."

Prankrishna: "Ja mijnheer. In de Mahānirvāna Tantra wordt gezegd: 'O Godin, deze religie legt je op waarachtig, zelfbeheerst, toegewijd aan het welzijn van anderen, ongeïrriteerd en compassievol te zijn.'"

Meester: "Ja. Maar deze idealen moeten geassimileerd worden."

Sri Ramakrishna zat op de kleine bank. Hij was in een extatische bui en keek naar Rakhal. Plotseling werd hij vervuld van het tedere gevoel van ouderlijke liefde naar zijn jonge discipel en spirituele kind. Direct ging hij in samādhi. De toegewijden zaten sprakeloos, kijkend naar de Meester met verwonderende ogen.

Gedeeltelijk bewustzijn herkrijgend zei de Meester: "Waarom wordt mijn spirituele gevoel opgevlamd bij het zien van Rakhal? Hoe meer je voortgaat naar God hoe minder je ziet van Zijn glories en grandeur. De aspirant heeft eerst een visioen van de Godin met tien armen;2 er is een groot vertoon van macht in dat beeld. Het volgende visioen is dat van de Godheid met twee armen; er zijn niet langer tien armen die diverse wapens en projectielen vasthouden. Daarna heeft de aspirant een visioen van Gopāla, waarin er geen spoor van macht is. Het is de vorm van een teder kind. Daaraan voorbij zijn er ook andere visioenen. De aspirant ziet dan alleen Licht.

"Redenering en onderscheiding verdwijnen na het bereiken van God en na communie met Hem in samādhi. Hoe lang redeneert en onderscheidt een mens? Zo lang als hij zich bewust is van het veelvoud, zo lang als hij gewaar is van het universum, van belichaamde wezens, van 'ik' en 'jij'. Hij wordt stil wanneer hij zich echt gewaar is van Eenheid. Dit was het geval bij Trailanga Swami.3

"Heb je ooit een feest gezien dat wordt gegeven voor de brāhmins? Eerst is er veel kabaal. Maar het geluid wordt minder wanneer hun magen meer en meer gevuld worden met eten. Wanneer de laatste gang met yoghurt en zoetigheden wordt geserveerd hoor je alleen het geluid 'slurp, slurp' bij het oplepelen van de yoghurt in hun handen. Er is geen ander geluid. Daarna volgt het stadium van slaap – samādhi. Er is geen kabaal meer.

(Aan M. en Prankrishna) "Veel mensen praten over Brahmajnāna, maar hun gedachten zijn altijd vervuld van lagere dingen: huizen, gebouwen, geld, naam en zintuiglijk plezier. Zo lang je aan de voet van het monument4 staat zie je paarden, rijtuigen, Engelse mannen en Engelse vrouwen. Maar wanneer je er bovenop klimt, zie je de lucht en de oceaan die zich oneindig uitstrekken. Dan geniet je niet van gebouwen, rijtuigen, paarden of mensen. Ze zien eruit als mieren.

"Al zulke dingen als gehechtheid aan de wereld en enthousiasme voor 'vrouw en goud' verdwijnen na het bereiken van de Kennis van Brahman. Dan komen alle passies tot een einde. Wanneer het blok hout brandt, maakt het een krakend geluid en zie je de vlam. Maar wanneer het branden voorbij is en alleen de as overblijft, wordt er geen geluid meer gehoord. Dorst verdwijnt met de vernietiging van gehechtheid. Uiteindelijk komt er vrede.

"Hoe dichter je bij God komt hoe meer je vrede voelt., Vrede, vrede, vrede – opperste vrede! Hoe dichter je bij de Ganges komt hoe meer je zijn koelte voelt. Je zal je volledig verkoeld voelen wanneer je in de rivier duikt.

"Maar het universum en zijn gecreëerde wezens en de vierentwintig kosmische principes bestaan allemaal omdat God bestaat. Niets blijft over wanneer God wordt geëlimineerd. Het nummer neemt toe wanneer je veel nullen na het nummer één plaatst, maar de nullen hebben geen enkele waarde als de één er niet is."

De Meester ging verder: "Er zijn er die als het ware naar beneden komen na het bereiken van de Kennis van Brahman – na samādhi – en het 'ego van Kennis' of het 'ego van Toewijding' behouden, net zoals er mensen zijn die naar eigen keuze op de marktplaats blijven nadat de markt opbreekt. Dit was het geval met wijzen als Nārada. Zij behielden het 'ego van Toewijding' met als doel het onderwijzen van mensen. Śankarāchārya behield het 'ego van Kennis' voor hetzelfde doel.

"God kan niet gerealiseerd worden als er de minste gehechtheid is aan de dingen van de wereld. Een draad kan niet door het oog van een naald gaan als de kleinste vezel uitsteekt.

"De boosheid en lust van een mens die God heeft gerealiseerd zijn enkel schijn. Ze zijn als een verbrand koord. Het ziet eruit als een koord, maar slechts een zucht blaast het weg.

"God wordt gerealiseerd zo gauw als het denken vrij wordt van gehechtheid. Wat er ook verschijnt in het Zuivere Denken is de stem van God. Dat wat Zuiver Denken is, is ook Zuiver Buddhi; het is ook Zuiver Ātman, want er is niets zuiver dan God. Maar om God te realiseren moet je voorbij dharma en adharma gaan."

De Meester zong met zijn melodieuze stem:

Kom, laat ons een wandeling maken, o denken, naar Kāli, de Wensvervullende Boom,
En Daaronder de vier vruchten van het leven verzamelen…

Sri Ramakrishna ging naar buiten bij de zuidoost-veranda van zijn kamer en zat neer. Prankrishna en de andere toegewijden vergezelden hem. Hazra zat er ook. De Meester zei tegen Prankrishna met een glimlach: "Hazra is geen man om mee te spotten. Als je hier de grote dargāh vindt5 dan is Hazra de kleinere dargāh." Alleen lachten om de Meesters woorden. Een zekere heer, genaamd Navakumar, kwam bij de deur en stond daar. Bij het zien van de toegewijden ging hij onmiddellijk. "Oh! Egotisme geïncarneerd!" merkte Sri Ramakrishna op.

Rond half tien in de ochtend nam Prankrishna afscheid van de Meester. Snel daarna zong een minstreel wat devotionele liederen begeleid door een snaarinstrument. De Meester luisterde naar de liederen toen Kedar Chatterji, een huishouder-toegewijde, de kamer binnenkwam gekleed in zijn kantoorkleren. Hij was een man met een devotioneel temperament en koesterde de houding van de gopi's van Vrindāvan. Woorden over God deden hem huilen.

Het zien van Kedar deed in het denken van de Meester de episode van Vrindāvan in Sri Krishna's leven ontwaken. Vervoerd door goddelijke liefde stond de Meester op en zong tot Kedar:

Vertel me, vriend, hoe ver is het woud
Waar Krishna, mijn Geliefde, verblijft?
Zijn geur bereikt me zelfs hier,
Maar ik ben moe en kan niet verder lopen…

Sri Ramakrishna nam de houding aan van Sri Rādhā naar Krishna en ging in diepe samādhi terwijl hij het lied zong. Hij stond daar, stil als een beeld op een canvas, met tranen van goddelijke vreugde van zijn wangen stromend.

Kedar knielde voor de Meester. Zijn voeten aanrakend scandeerde hij een hymne:

We aanbidden het Brahman-bewustzijn in de Lotus van het Hart,
De Ongedifferentieerde, die wordt aanbeden door Hari, Hara en Brahmā,
Die wordt bereikt door yogi's in de diepten van hun meditatie,
De Verdrijver van de angst voor geboorte en dood,
De Essentie van Kennis en Waarheid, het Oorspronkelijke Zaad van de wereld.

Na een tijdje herkreeg de Meester bewustzijn van de relatieve wereld. Spoedig nam Kedar afscheid en keerde hij terug naar zijn kantoor in Calcutta.

In de middag bracht Ramlal de Meester een bord eten dat was geofferd in de Kāli-tempel. Als een kind at hij een beetje van alles.

Later in de namiddag kwamen enkele Mārwāri-toegewijden de Meesters kamer binnen waar Rakhal en M. ook zaten.

Een Mārwāri-toegewijde: "Mijnheer, wat is de weg?"

Meester: "Er zijn twee wegen. Het ene is het pad van onderscheiding, het andere is dat van liefde. Onderscheiding betekent het verschil kennen tussen het Echte en het onechte. God alleen is de echte en permanente Substantie; al het andere is illusionair en vergankelijk. De goochelaar alleen is echt; zijn magie is illusionair. Dit is onderscheiding.

"Onderscheiding en verzaking. Onderscheiding betekent het onderscheid kennen tussen het Echte en het onechte. Verzaking betekent dispassie hebben voor de dingen van de wereld. Je kunt ze niet ineens verkrijgen. Ze moeten iedere dag beoefend worden. Je moet in het begin mentaal 'vrouw en goud' verzaken. Daarna kan je, als God het wil, ze zowel mentaal als uiterlijk verzaken. Het is onmogelijk om de mensen van Calcutta te vragen om alles te verzaken omwille van God. Je moet ze vertellen mentaal te verzaken.

"Via de discipline van constante beoefening ben je in staat om gehechtheid aan 'vrouw en goud' op te geven. Dat is wat de Gītā zegt. Door beoefening verkrijg je een ongewone kracht van denken. Dan vind je het niet moeilijk om de zintuigen te temperen en om boosheid, lust en dergelijke onder controle te brengen. Zo'n mens gedraagt zich als een schildpad die eenmaal hij zijn ledematen ingetrokken heeft ze nooit meer uitsteekt, zelfs wanneer je hem in stukjes hakt met een bijl."

Mārwāri-toegewijde: "Geachte mijnheer, u noemde zojuist twee paden. Wat is het andere pad?"

Meester: "Het pad van bhakti, of vurige liefde voor God. Huil om God in eenzaamheid met een rusteloze ziel en vraag Hem om Zich aan je te openbaren.

Huil tot je Moeder Śyāmā in oprechtheid, o denken!
En hoe kan Ze zich van je onthouden?"

Mārwāri-toegewijde: "Mijnheer, wat is de betekenis van de aanbidding van de Persoonlijke God? En wat is de betekenis van God zonder vorm of eigenschap?"

Meester: "Zoals je je vader herinnert door zijn foto, zo onthult vergelijkbaar de aanbidding van het beeld in een flits de aard van de Realiteit.

"Weet je hoe God met vorm is? Zoals bubbels oprijzen in een wijds water worden diverse goddelijke vormen gezien die oprijzen uit de Grote Ākāśa van Bewustzijn. De Incarnatie van God is één van deze vormen. De Oorspronkelijke Energie speelt, als het ware, doorheen de activiteiten van een Goddelijke Incarnatie.

"Wat is de inhoud van enkel geleerdheid? God kan bereikt worden door tot Hem te huilen met een verlangend hart. Het is niet nodig om veel dingen te weten.

"Hij die een āchārya is moet verschillende dingen weten. Je hebt een zwaard en schild nodig om anderen te doden, maar om jezelf te doden voldoet een naald of een nagelmes.

"Uiteindelijk ontdek je God door te proberen te weten wie deze 'ik' is. Is deze 'ik' het vlees, de botten, het bloed of het merg? Is het het denken of de buddhi? Zo analyserend, realiseer je je uiteindelijk dat je geen van deze bent. Dit is genaamd het proces van 'Neti, neti', 'Niet dit, niet dit'. Je kan de Ātman noch begrijpen noch aanraken. Hij is zonder kwaliteiten of eigenschappen.

"Maar volgens het pad van toewijding heeft God eigenschappen. Voor een toegewijde is Krishna Geest, is Zijn Verglijfplaats Geest, en alles over Hem is Geest."

De Mārwāri-toegewijden groetten de Meester en vertrokken.

Bij het naderen van de avond ging Sri Ramakrishna naar buiten om te kijken naar de heilige rivier. De lamp in zijn kamer werd aangemaakt. De Meester scandeerde de heilige naam van de Goddelijke Moeder en mediteerde op Haar. Daarna begon de avondaanbidding in de diverse tempels. Het geluid van gongs, drijvend op de wind, mengde zich met de murmelende stem van de rivier. Vrede en zegening regeerden overal.